Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2014-201534003 nr. A

34 003 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen (Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen)

A VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 oktober 2014

De Staatssecretaris van Financiën heeft op 14 april 2014 aan de Eerste Kamer een brief gestuurd met betrekking tot het voorstel van de Europese Commissie tot het nemen van dienstige maatregelen ten aanzien van de vennootschapsbelastingheffing van overheidsondernemingen. Bij deze brief werd een conceptwetsvoorstel aangeboden dat tevens voor internetconsultatie digitaal beschikbaar was gemaakt.

Deze brief is in de commissievergadering van 6 mei 2014 besproken. Naar aanleiding daarvan heeft de commissie de Staatssecretaris op 26 mei 2014 een brief gestuurd.

De Staatssecretaris heeft op 2 oktober 2014 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Van Dooren

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 april 2014

Bij brief van 21 mei 2013 heeft het kabinet het voorstel van de Europese Commissie tot het nemen van dienstige maatregelen ten aanzien van de vennootschapsbelastingheffing van overheidsondernemingen geaccepteerd. Het voorstel tot het nemen van dienstige maatregelen ondersteunt het streven van het kabinet om een gelijk speelveld te creëren voor overheidsbedrijven die niet aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen en vennootschapsbelastingplichtige particuliere ondernemingen. Bijgaand tref u een conceptwetsvoorstel1 aan dat invulling geeft aan de dienstige maatregelen. Met dit conceptwetsvoorstel wordt beoogd een gelijk speelveld te creëren alsmede wordt hiermee tegemoetgekomen aan de wens van diverse fracties uit de Eerste Kamer en Tweede Kamer om de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen te moderniseren.

Het conceptwetsvoorstel is per heden tevens voor internetconsultatie digitaal beschikbaar gemaakt op http://www.internetconsultatie.nl. Ook zullen de komende periode consultatiegesprekken worden gevoerd met diverse belanghebbenden. Zoals eerder is aangegeven is het de bedoeling dat het wetsvoorstel op Prinsjesdag 2014, in het kader van belastingplancyclus 2015, aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

Op basis van bijgevoegd conceptwetsvoorstel worden concurrerende overheidsondernemingen belastingplichtig, ongeacht de rechtsvorm waarin ze worden gedreven. Voor de indirecte overheidsondernemingen leiden de voorgestelde wijzigingen ertoe dat zij in beginsel in de vennootschapsbelasting worden betrokken op dezelfde wijze als de privaatrechtelijke rechtspersonen die in handen zijn van particulieren. NV’s en BV’s zijn derhalve in beginsel integraal vennootschapsbelastingplichtig, terwijl indirecte overheidsondernemingen die worden gedreven vanuit een stichting slechts belastingplichtig zijn voor zover een onderneming wordt gedreven. Naast de indirecte overheidsondernemingen worden ook ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen in beginsel vennootschapsbelastingplichtig.

Het conceptwetsvoorstel voorziet in een vrijstelling voor overheidstaken. Deze vrijstelling geldt in beginsel voor zowel directe als indirecte overheidsondernemingen. Mede vanwege de leesbaarheid van de bepalingen is er voor gekozen om deze vrijstellingen voor directe overheidsondernemingen te plaatsen in een nieuw te introduceren artikel 5a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en voor indirecte overheidsondernemingen in een nieuw te introduceren artikel 5b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. In deze artikelen is tevens een vrijstelling opgenomen voor samenwerking tussen overheden en voor situaties dat een overheidsonderneming, die is ondergebracht in een privaatrechtelijke rechtspersoon, activiteiten verricht voor de eigen publiekrechtelijke rechtspersoon.

In bijgevoegd conceptwetsvoorstel wordt tevens voorzien in een aantal specifieke vrijstellingen. Zo is een vrijstelling voor door de overheid bekostigde onderwijsactiviteiten opgenomen en een vrijstelling voor UMC’s. Daarnaast is een vrijstelling opgenomen voor de vijf zeehavenbedrijven (Amsterdam, Rotterdam, Zeeland, Moerdijk, Groningen). De reden voor deze vrijstelling is dat het beeld bestaat dat deze zeehavenbedrijven alleen concurreren met buitenlandse zeehavenbedrijven die effectief ook geen belastingheffing naar de winst betalen.

Een vergelijkbare brief is tegelijkertijd aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer.

De Staatssecretaris van Financiën, E. Wiebes

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIEN

Aan de Staatssecretaris van Financiën

Den Haag, 26 mei 2014

De vaste commissie van Financiën heeft op 6 mei jl. gesproken over uw brief d.d. 14 april 2014 inzake de internetconsultatie met betrekking tot een conceptwetsvoorstel over de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen. Naar aanleiding van het conceptwetsvoorstel en de internetconsultatie wensen de leden van de PVV-fractie de volgende opmerkingen te maken, waarop zij graag een reactie zouden ontvangen na ommekomst van de consultatietermijn en indiening van het daadwerkelijke wetsvoorstel bij de Staten-Generaal.

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het consultatiedo-cument inzake de vormgeving van de vennootschapsbelastingplicht (vpb) voor overheidsonder-nemingen. Het is de leden van de PVV-fractie genoegzaam bekend dat dit onderwerp reeds circa 20 jaar wordt besproken. Nog kort vóór de brief uit Brussel van 2 mei 2013 met een zogenoem-de «uitnodiging tot het nemen van dienstige maatregelen» inzake dit onderwerp, had de toen-malige Staatssecretaris Weekers mondeling te kennen gegeven met dit onderwerp in het geheel geen haast te hebben. Dat veranderde op slag met de betreffende brief uit Brussel. Van de weeromstuit moesten er maatregelen getroffen worden vanwege het vermeende concurrentie-vervalsende karakter van de bestaande wetgeving. Nu is het de leden van de PVV-fractie maar al te zeer bekend hoe verschillen in belastingtarieven zwaar concurrentievervalsend kunnen werken. Hierbij kan gedacht worden aan het zeer ongelijke speelveld waarop Nederlandse on-dernemers in de grensstreek moeten opereren door ongunstige tarieven op het gebied van ac-cijnzen en btw, ten opzichte van het buitenland. Aanpak van dit ongelijke speelveld heeft naar de mening van de fractie van de PVV een veel hogere urgentie.

Uitgerekend op het gebied van de vpb is het concurrentievervalsende karakter tussen over-heidsbedrijven en niet-overheidsbedrijven veel minder duidelijk of zelfs niet aanwezig. Immers de vpb zorgt hier voor een afroming van de winst en bijgevolg tot een verminderde uitkering aan de eigenaar, in casu de overheid. Mogelijk wordt hierdoor ook minder geïnvesteerd door overheidsbedrijven. Het betekent dus vooral een verschuiving van middelen van het ene deel van de overheid naar het andere en dat ten koste van een verhoging van de administratieve lastendruk van de Belastingdienst en de betreffende overheidsbedrijven.

Graag zagen de leden van de PVV-fractie een fundamentele uitleg van het doel van deze belas-tingmaatregelen èn van de noodzaak tot de haast met de invoering. Het laatste afgezet tegen het laten voortduren van de erbarmelijke concurrentievervalsende belastingmaatregelen waaronder de ondernemers in de grensstreek gebukt gaan.

Na lezing van uw voornemen het vpb-wetsvoorstel op Prinsjesdag in te dienen wil de commissie, op aangeven van de fractie van de SP, onder uw aandacht brengen dat vanuit deze Kamer altijd sterk wordt bepleit indiening van fiscale wetsvoorstellen zoveel mogelijk te spreiden over het parlementaire jaar, uit het oogpunt van spreiding van werklast. Deze zware werklast doet zich jaarlijks voor in de laatste weken van het kalenderjaar, inclusief de strak geplande behandeling van het Belastingplan met annexe wetsvoorstellen. Uw ambtsvoorganger heeft toegezegd deze gewenste spreiding goed in het oog te houden. Graag ziet de commissie dat u deze praktijk voortzet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, P.H.J. Essers

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 oktober 2014

Bij brief van 26 mei 2014 heeft de voorzitter van de vaste commissie van Financiën in de Eerste Kamer mij namens de leden van de fracties van de PVV en de SP vragen gesteld over het, in de periode van 14 april 2014 tot en met 12 mei 2014 ter consultatie aangeboden, conceptwetsvoorstel over de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen. In de brief word ik gevraagd te reageren na ommekomst van de consultatietermijn en indiening van het daadwerkelijke wetsvoorstel bij de Staten-Generaal. Met deze brief wil ik, na indiening van het wetsvoorstel op Prinsjesdag, graag meer duidelijkheid bieden en de door de leden gestelde vragen beantwoorden.

De leden van de fractie van de PVV willen uitleg over het doel van deze belastingmaatregelen en de noodzaak van de haast met de invoering.

In de afgelopen decennia zijn overheden zich in toenemende mate gaan bezighouden met commerciële activiteiten, met name ook als het gaat om het verrichten van diensten. Omdat overheidsondernemingen veelal niet zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting terwijl private ondernemingen dat in beginsel wel zijn, bestaan bij belanghebbenden, verschillende fracties in de Eerste en Tweede Kamer en de Europese Commissie (hierna: «Commissie») zorgen over mogelijke concurrentieverstoring. Om die reden wordt in het op 16 september 2014 ingediende wetsvoorstel voorzien in gelijke vennootschapsbelastingregels voor ondernemingen die gelijke activiteiten uitvoeren. Dat is het voornaamste doel van het wetsvoorstel; winsten van overheidsondernemingen op gelijke wijze in de heffing betrekken als private ondernemingen. Het wetsvoorstel beoogt niet om typische overheidstaken met vennootschapsbelasting te treffen, zo daarmee al winst zou worden gemaakt.

Mede naar aanleiding van klachten van individuele burgers en bedrijven over de ongelijkheid op het gebied van de vennootschapsbelasting, is de Commissie begonnen met een onderzoek naar mogelijke staatssteun als gevolg van de huidige vormgeving van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen. Op 2 mei 2013 heeft het onderzoek van de Commissie geresulteerd in een zogenoemde uitnodiging tot het nemen van dienstige maatregelen. Het kabinet heeft de Commissie laten weten dat het kabinet de dienstige maatregelen aanvaardt en dat het, onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring, voornemens is de vennootschapsbelasting zodanig aan te passen dat een gelijk speelveld tussen overheidsondernemingen en private ondernemingen wordt gewaarborgd. De Commissie heeft op 9 juli 2014 besloten een zogenoemde formele onderzoeksprocedure in te leiden. De formele onderzoeksprocedure is gestart omdat Nederland de dienstige maatregelen volgens de Commissie niet onvoorwaardelijk heeft geaccepteerd en richt zich op de huidige vormgeving van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen. In juli 2014 was er nog geen wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend en kon de Commissie van het wetsvoorstel nog geen formele appreciatie geven. Desalniettemin heeft de Commissie in mijn ogen met de formele onderzoeksprocedure een duidelijk signaal afgegeven dat haast dient te worden gemaakt met de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen.

In het besluit tot opening van de formele onderzoeksprocedure heeft de Commissie voorlopig geconcludeerd dat er in de huidige Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: «Wet Vpb») sprake is van bestaande staatssteun voor overheidsondernemingen in Nederland die niet verenigbaar meer is met de interne markt. Indien de definitieve conclusie van de formele onderzoeksprocedure vergelijkbaar is met deze voorlopige conclusie, zal de huidige Wet Vpb moeten worden aangepast en zal alle onrechtmatige «steun» die gegeven wordt in de periode tussen de definitieve conclusie en de aanpassing van de Wet dienen te worden teruggevorderd. Op de Commissie rust een inspanningsverplichting (geen resultaatsverplichting!) om een formele onderzoeksprocedure binnen 18 maanden af te ronden en tot een definitief oordeel te komen. In deze situatie zou dat betekenen dat dit oordeel in januari 2016 te verwachten valt. Hierdoor wordt in de ogen van het kabinet eens te meer onderstreept dat 1 januari 2016 voor de Commissie een harde datum is. Indien de Wet Vpb dan nog niet aangepast is, zullen alle overheidsondernemingen de vanaf dat moment de door hen verkregen steun, in de vorm van de vrijstelling voor de vennootschapsbelasting, met wettelijke rente moeten terugbetalen. Het kabinet acht dat allerminst een aantrekkelijk scenario. Dit vanwege de directe financiële gevolgen voor belanghebbenden, maar ook vanwege de ingewikkelde en tijdrovende taak van het berekenen van de gegeven staatssteun voor belanghebbenden en de Belastingdienst. Het kabinet is er veel aan gelegen niet in een terugvorderingssituatie terecht te komen.

Daarnaast acht het kabinet een zo lang mogelijke implementatieperiode van zeer groot belang. Deze implementatieperiode kan een aanvang nemen zodra beide Kamers der Staten-Generaal met dit wetsvoorstel hebben kunnen instemmen. De implementatieperiode is belangrijk omdat de modernisering van de vennootschapsbelasting een omvangrijke groep overheidslichamen treft. Overheden zijn niet zoals private ondernemingen gewend aan toepassing van de vennootschapsbelasting en zullen zich, zeker in de initiële fase, inspanningen moeten getroosten om zich het begrippenkader en de benodigde administratieve inrichting eigen te maken. Daarnaast ziet ook de Belastingdienst zich geconfronteerd met een toename van de uitvoeringslasten. Tijdens deze implementatieperiode hebben zowel belanghebbenden als de Belastingdienst de gelegenheid om de implicaties van het wetswijziging te inventariseren, de administratieve systemen en de organisatie op orde te krijgen alsmede (voor)overleg te voeren over eventuele fiscale vraag- en discussiepunten.

Om bovengenoemde redenen hoopt het kabinet dat de beide Kamers der Staten-Generaal bereid zijn het wetgevingsproces zo spoedig mogelijk af te ronden. De Tweede Kamer heeft inmiddels, conform het verzoek van het kabinet2, de intentie uitgesproken de behandeling van het wetsvoorstel voor het kerstreces 2014 af te ronden. De behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer der Staten-Generaal komt, mits de Tweede Kamer der Staten-Generaal in meerderheid met het voorstel in zal kunnen stemmen, derhalve pas begin 2015 aan de orde. Zodoende wordt naar mijn mening de door de leden van de fractie van de SP genoemde spreiding van de werklast gewaarborgd. Wel maak ik van de gelegenheid gebruik om uw Kamer, met het oog op een zo lang mogelijke implementatieperiode, in overweging te geven de behandeling van dit wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2015 plaats te laten vinden. Zodra het wetsvoorstel door de Tweede Kamer is aanvaard, zouden wij u dan ook graag een technische briefing aanbieden, hetgeen mogelijk kan bijdragen aan de parlementaire behandeling. De nieuwe regels worden, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, van toepassing voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016.

Met bovenstaande hoop ik, in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de PVV, duidelijk gemaakt te hebben waarom er een noodzaak is haast te maken met dit wetsvoorstel.

Ten slotte zie ik dit wetsvoorstel los van het naar de mening van de leden van de fractie van de PVV ongelijke speelveld voor ondernemers in de grensstreek op het gebied van ondermeer de accijnzen. De zorgen over de effecten voor ondernemers in de grensstreek van de accijnsverhogingen op diesel en LPG, hebben de leden van de fractie van de PVV in de Eerste en Tweede Kamer diverse keren naar voren gebracht. U kent mijn reactie daarop. Voor zover ik kan overzien, zijn hierbij geen ondernemingen van overheden betrokken en gaat het hier om een andere belasting. Ik zie geen aanleiding om de accijnswetgeving in verbinding te brengen met het onderhavige wetsvoorstel over vennootschapsbelasting.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd,

De Staatssecretaris van Financiën, E. Wiebes


X Noot
1

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 154966.

X Noot
2

Zie bijlage bij de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 september 2014 (Kamerstukken I 2014/15, 34 000, A).