34 002 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015)

Nr. 102 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 juni 2015

In deze brief kom ik terug op mijn brief van 30 oktober 20141 waarin ik aangaf – in overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport – alle aspecten te bezien van verruiming van de btw-sportvrijstelling. Dit naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 19 december 2013.2 Daarbij heb ik aangegeven nadrukkelijk oog te zullen hebben voor de financiële gevolgen die een verruiming van de btw-sportvrijstelling heeft voor de gemeenten en sportverenigingen. Nu deze analyse is afgerond, informeer ik u hierbij over de gevolgtrekkingen die ik daaraan verbind.

Wat betreft de aanpassing van de Nederlandse btw-sportvrijstelling moet geconcludeerd worden dat de Europese btw-richtlijn en de daarbij behorende jurisprudentie ons daartoe dwingen. Zo mogen EU-lidstaten op grond van het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013 geen onderscheid maken tussen prestaties aan leden en prestaties aan niet-leden. Het HvJ EU merkt voorts de ter beschikkingstelling van een sportterrein aan als prestatie die onontbeerlijk is voor de sportbeoefening. Op deze prestatie zou de btw-sportvrijstelling van toepassing moeten zijn.3

Ik acht een verruiming van de btw-sportvrijstelling dan ook op termijn onvermijdelijk. Op korte termijn ziet het kabinet binnen de huidige kaders geen mogelijkheid om de budgettaire gevolgen hiervan in te passen. Verruiming van de btw- sportvrijstelling kan nu niet aan de orde zijn.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

Kamerstuk 34 002, nr. 14,blz. 22.

X Noot
2

HvJ EU 19 december 2013, zaak C-495/12.

X Noot
3

HvJ EG 16 oktober 2008, zaak C-253/07, r.o. 28

Naar boven