Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534000-VIII nr. 110

34 000 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2015

Nr. 110 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 23 juni 2015

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 20 april 2015 over het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring» (Kamerstuk 34 000 VIII, nr. 90).

De vragen en opmerkingen zijn op 21 mei 2015 aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 22 juni 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Wolbert

Adjunct-griffier van de commissie, Bosnjakovic

Inhoud

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

 

• Partijen

2

 

• Artikel 3. Taak en doelstelling scholen

3

 

• Artikel 5. Onderwijsinhoud

3

 

• Artikel 10. Evaluatie

3

 

Toelichting

3

 

• Algemeen

3

 

• Ad a: Naleving wetgeving

4

 

• Artikelen 3, 4, 5 en 6

4

 

• Artikel 7

5

II

Reactie van de Staatssecretaris

5

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring» en hebben daar nog een aantal verduidelijkende vragen over. Zij vragen allereerst wat de noodzaak is van een convenant. De leden constateren dat de Wet medezeggenschap op scholen al regels verbindt aan sponsoring, tevens is er verplichte verantwoording door middel van het jaarverslag, de schoolgids en het schoolplan. Kan de Staatssecretaris er daarnaast nader op ingaan waarom hij ook een partij is bij de ondertekening van het convenant, zo vragen zij.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring». De leden zien aanleiding tot het stellen van enkele vragen.De leden zijn van mening dat geld, dat in onderwijs wordt gestoken, op lange termijn veel bijdraagt aan onze samenleving en welvaart. Toch moet er kritisch worden gekeken naar welke middelen we hiervoor inzetten. Betekent de zinsnede in de brief dat «bijdragen van bedrijven (of andere partners) een kans bieden om de leerlingen iets extra’s te bieden, zoals aanvullende lesmaterialen, digitale onderwijsmiddelen, sportdagen en schoolreizen...» volgens de Staatssecretaris dat de bekostiging van het onderwijs slechts een gedeelde taak van de overheid is?

De leden vragen de Staatssecretaris toe te lichten waarom de VOO1 niet betrokken is bij het convenant. Kan er nu wel gesteld worden dat ouders en medezeggenschap voldoende betrokken zijn bij de gemaakte afspraken en dat het convenant breed gedragen is?

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris en het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring.» Zij stellen een aantal vragen.

Partijen

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de toegestuurde brief en het convenant ondertekend zijn door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hierbij vragen de leden of dit convenant ook geldt voor agrarische opleidingscentra en andere vormen van groen onderwijs. In hoeverre is ook de Staatssecretaris voor Economische Zaken, die immers verantwoordelijk is voor het groene onderwijs, betrokken bij de totstandkoming van het convenant. Is zij het ook volledig eens met de inhoud ervan, zo vragen de leden.

De leden van de SP-fractie merken op dat de Staatssecretaris stelt met tien partijen afspraken te hebben gemaakt in het convenant. Het vorige convenant is echter ondertekend door 15 partijen, wat weer een versterking was van het draagvlak ten opzichte van het convenant daarvoor (drie partijen meer). Nu constateren de leden dat het aantal deelnemers is gedaald. Wat is de reden voor de daling van het aantal partijen? Waarom doen vijf partijen met dit nieuwe convenant niet meer mee? Welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag en welke conclusies trekt de Staatssecretaris hieruit ten aanzien van het draagvlak, zo vragen zij.

Artikel 3. Taak en doelstelling scholen

De leden van de VVD-fractie merken op dat in artikel 3 wordt gesproken over «goede smaak». Hoe wordt vastgesteld of er sprake is van «goede smaak»? Is de Staatssecretaris het met de leden eens dat dit een bepaling is die zeer breed uitlegbaar is? Vindt de Staatssecretaris dit verantwoord?

Voorts vragen de leden of een sponsoring altijd zich moet verhouden tot het verbeteren van een gezonde leefhouding van leerlingen. Kan een sponsoring ook niet de onderwijskwaliteit bevorderen en deelt de Staatssecretaris de mening van deze leden dat in zo’n geval sponsoring ook toegestaan moet zijn, zo vragen zij.

Artikel 5. Onderwijsinhoud

De leden van de VVD-fractie lezen dat er geen sprake mag zijn van (impliciete) reclame. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe deze grenzen geduid worden? Mag bijvoorbeeld bij de sponsoring door een computerbedrijf bij het leveren van computerschermen het logo van het desbetreffende bedrijf niet – zoals standaard uitgerust – prijken op de beeldbuis? Mag de onderwijsinstelling in een nieuwsbericht op de website het bedrijf wel of niet noemen, nadat het met een klas een boeiend en informatief bezoek heeft gebracht aan de fabriek van hetzelfde bedrijf, zo vragen zij.

Artikel 10. Evaluatie

De leden van de VVD-fractie vragen waarom pas in 2018 wordt overgegaan tot een evaluatie van de afspraken. Welke verbeteringen zijn voorgesteld naar aanleiding van eerdere evaluaties, zo vragen zij.

Toelichting

Algemeen

De leden van de VVD-fractie lezen dat het eerste convenant dateert van 1997, maar er tevens wordt opgemerkt dat er niet of nauwelijks problemen zijn geconstateerd. Het is, zo staat geschreven, geen issue op scholen. Waarom is het convenant dan nog nodig? Kan de Staatssecretaris toelichten in welke omvang er sprake is van sponsoring van bedrijven aan scholen en kan de Staatssecretaris toelichten welke trend zichtbaar is, zo vragen de genoemde leden.

De leden van de SP-fractie merken op dat de Staatssecretaris toelicht dat het vanzelfsprekend is dat sponsoring altijd zorgvuldig moet gebeuren. De leden vragen waarom de Staatssecretaris kiest voor een convenant. Waarom kiest de Staatssecretaris niet voor een verankering in de wet, zo vragen zij.

De leden stellen vast dat het voorgaande convenant in 2013 is verlopen. Met het oog op zorgvuldigheid, waarom zijn er dan pas in 2015 weer nieuwe afspraken gemaakt? Kan de regering de totstandkoming en het voorliggende proces van het nieuwe convenant toelichten, zo vragen zij.

Tevens merken de leden op dat sponsoring van het primaire proces verboden is. Zijn in de ogen van de staatsecretaris muziekactiviteiten, een schoolfeest of een sportdag onderdeel van het primaire onderwijsproces? Waar ligt volgens de Staatssecretaris precies de grens, zo vragen zij.

Ad a: Naleving wetgeving

De leden van de VVD-fractie merken op dat scholen zich maar zelden verantwoorden over de sponsoring in het schoolplan of de schoolgids. Hoe verklaart de Staatssecretaris deze situatie en is hij van mening dat hier voldoende toezicht en handhaving op is? Graag ontvangen de genoemde leden een toelichting.

De leden van de SP-fractie merken op dat uit de brief van de Staatssecretaris blijkt dat er een evaluatieronde onder de leden heeft plaatsgevonden. De leden zijn nieuwsgierig naar de meningen van de verschillende partijen in het convenant. Kan de Staatssecretaris het evaluatierapport aan de Kamer zenden? Ook blijkt er uit de brief dat er uiteindelijk weinig veranderd is in het convenant op enkele technische wijzigingen na, maar wat zijn deze wijzigingen dan? Kan de Staatssecretaris daar een overzicht van aanleveren, zo vragen zij.

Voorts merken de leden op dat uit de toelichting blijkt dat scholen zich zelden verantwoorden over sponsoring, hoewel dit verplicht is. De leden vragen hoe dit kan gebeuren en welke consequenties de Inspectie van het Onderwijs eraan heeft verbonden nadat zij deze constatering op scholen heeft gedaan. De leden vragen hoeveel scholen het niet nodig vonden om zich te verantwoorden over hun sponsoringsbeleid.

Artikelen 3, 4, 5 en 6

De leden van de VVD-fractie lezen dat het koppelen van bijvoorbeeld software aan een sponsoring van computerapparatuur niet mag. Allereerst merken de leden op dat het convenant geen voorbeelden hanteert, maar uitgangspunten en spelregels, waarom wordt hier op dit punt van afgeweken? Voorts vragen de leden waarom deze bepaling is opgenomen en de vrijheid van een onderwijsinstelling zo scherp wordt beperkt als in algemene zin al is opgemerkt dat de tegenprestatie in proportie met de sponsoring moet zijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris het met de leden eens is dat sponsorafspraken een afhankelijkheidsrelatie tussen scholen en het bedrijfsleven in de hand kan werken. Zo ja, acht de Staatssecretaris het acceptabel als bedrijven op enigerlei wijze invloed uitoefenen op het onderwijs? Hoe kan worden voorkómen dat bedrijven grote tegenprestaties vragen van scholen die zij sponsoren? Wat betekent zo’n mogelijke afhankelijkheid van onderwijsactiviteiten van sponsorinkomsten voor de continuïteit ervan, in het licht van de soms wisselende bereidheid van sponsoren om zich te verbinden aan dit soort financiële steun?

Kan de Staatssecretaris op grond van het convenant uitsluiten dat door sponsoring ongelijkheid ontstaat tussen het (onderwijs-)aanbod op scholen, waardoor leerlingen niet dezelfde kansen krijgen, zo vragen de leden.

De leden lezen voorts dat bleek dat gedragsregels rondom sponsoring wenselijk werden geacht maar dat er inhoudelijk zorgvuldig met sponsoring om gegaan wordt. Toch bleek dat de medezeggenschapsraad niet altijd betrokken werd bij de besluitvorming over sponsoring. Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat het niet bij afspraken op papier blijft maar scholen zich daadwerkelijk verantwoorden over sponsoring?

De leden merken voorts op dat in artikel 5 van het convenant wordt bepaald dat er «in lesmaterialen en leermiddelen geen (impliciete) reclame mag voorkomen». Hoe groot acht de Staatssecretaris de kans dat sponsors in de door hen aangeboden materialen op geen enkele wijze informatie opnemen over het bedrijf of de eigen producten dan wel diensten, zo vragen de leden.

De leden van de SP-fractie vragen op hoeveel scholen reclame-uitingen zijn geconstateerd die de inhoud van de lessen doorkruisen (bijvoorbeeld: reclame voor leningen, ongezonde voeding, spelen van computer games, etc.). Kan de Kamer hier een overzicht van ontvangen, zo vragen zij.

Artikel 7

De leden van de PvdA-fractie lezen in artikel 7 dat ouders/verzorgers, leerlingen en personeel klachten kunnen indienen bij de klachtencommissie. De leden vragen hoe het bestaan van de klachtencommissies gecommuniceerd wordt.

II Reactie van de Staatssecretaris

Hierbij bied ik u mijn reactie aan op de vragen en opmerkingen van de leden van uw fracties. Mijn reactie is opgebouwd conform de door uw leden gehanteerde indeling. Ik dank de leden voor de vragen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de Wet medezeggenschap op scholen regels verbindt aan sponsoring en dat er verplichte verantwoording is door middel van het jaarverslag, de schoolgids en het schoolplan. Zij vragen wat de noodzaak is van een convenant.

De onderwijswetgeving bevat voorwaarden waar scholen zich ten aanzien van sponsoring aan moeten houden. Het convenant geeft heldere richtlijnen aan besturen en scholen als uitwerking van die wettelijke voorwaarden. Het bevat afspraken waar partijen uit onderwijs en bedrijfsleven het gezamenlijk over eens zijn. Het convenant zorgt zo voor meer duidelijkheid bij bedrijven die overwegen een bijdrage te leveren aan het onderwijs en stelt ouders, leerlingen, personeel en medezeggenschapsraden in de gelegenheid een sterke positie in te nemen ten aanzien van het sponsorbeleid op hun school.

De leden van de VVD-fractie vragen mij daarnaast om nader in te gaan op waarom ik ook een partij ben bij de ondertekening van het convenant.

Dit convenant is gesloten tussen de relevante partijen uit onderwijs en bedrijfsleven. Als stelselverantwoordelijke voor het funderend onderwijs ben ik verantwoordelijk voor de wetgeving die ook dit terrein raakt. Daarom behoor ik ook tot de relevante partijen. Bovendien benadruk ik door deelname aan het convenant graag het belang van een verantwoorde omgang met sponsoring op scholen.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat geld, dat in onderwijs wordt gestoken, op lange termijn veel bijdraagt aan onze samenleving en welvaart. Tevens stellen zij dat er kritisch moet worden gekeken naar welke middelen we hiervoor inzetten. Ik ondersteun dit standpunt. De leden van de PvdA-fractie vragen of de zinsnede in de brief dat «bijdragen van bedrijven (of andere partners) een kans bieden om de leerlingen iets extra’s te bieden, zoals aanvullende lesmaterialen, digitale onderwijsmiddelen, sportdagen en schoolreizen ...» betekent dat de bekostiging van het onderwijs slechts een gedeelde taak van de overheid is.

Nee, bekostiging van het onderwijs is niet slechts een gedeelde taak van de overheid. De overheid is verantwoordelijk voor de reguliere bekostiging van de scholen, waarmee scholen in staat worden gesteld te voldoen aan de wettelijke verplichtingen. De overheidsbekostiging is voldoende om vorm en uitvoering te geven aan goed onderwijs op de scholen. Wanneer er echter bedrijven zijn die vanuit hun maatschappelijke betrokkenheid een additionele bijdrage willen leveren aan het onderwijs moet dat wat mij betreft mogelijk zijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen toe te lichten waarom de VOO niet betrokken is bij het convenant. Zij vragen of nu wel gesteld kan worden dat ouders en medezeggenschap voldoende betrokken zijn bij de gemaakte afspraken en dat het convenant breed gedragen is.

Het convenant is ondertekend door de Landelijke Ouderraad (inmiddels Ouders & Onderwijs). In 2013 heeft uw Kamer een motie aangenomen om geld te behouden voor één landelijke ouderorganisatie. Vervolgens is de Landelijke Ouderraad opgericht op initiatief van de tot dan toe gesubsidieerde ouderorganisaties VOO, NKO en het LOBO. De Landelijke Ouderraad is gesprekspartner van de overheid namens ouders voor zaken die het onderwijs aangaan. De rijkssubsidie aan de afzonderlijke ouderorganisaties is stopgezet. De VOO is, in tegenstelling tot de inmiddels opgeheven NKO en LOBO, op eigen kracht doorgegaan en werkt (net als veel andere ouderinitiatieven) samen met Ouders & Onderwijs waar mogelijk. Door de deelname van Ouders & Onderwijs zijn ouders dus voldoende betrokken bij de gemaakte afspraken. Door de deelname van LAKS, AOb en CNV Onderwijs zijn ook de andere geledingen van de medezeggenschap betrokken. Het convenant is dus breed gedragen.

Partijen

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de toegestuurde brief en het convenant ondertekend zijn door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zij vragen of dit convenant ook geldt voor agrarische opleidingscentra en andere vormen van groen onderwijs. Voorts vragen zij in hoeverre ook de Staatssecretaris voor Economische Zaken, die immers verantwoordelijk is voor het groene onderwijs, betrokken is bij de totstandkoming van het convenant. Is zij het ook volledig eens met de inhoud ervan, zo vragen de leden.

Het convenant geldt voor het gehele primair en voortgezet onderwijs en daarmee ook voor de vormen van groen onderwijs binnen het funderend onderwijs. Ik heb het convenant afgesloten namens de Staat der Nederlanden. De Staatssecretaris voor Economische Zaken is het volledig eens met de inhoud ervan.

De leden van de SP-fractie constateren dat het aantal deelnemers ten opzichte van het vorige convenant is gedaald van 15 naar tien deelnemers. Zij vragen wat de reden is van deze daling. Zij vragen waarom vijf partijen met dit nieuwe convenant niet meer meedoen, wat de oorzaken hiervan zijn en welke conclusies ik daaruit trek ten aanzien van het draagvlak.

Het nieuwe convenant telt 11 deelnemers, vier minder dan het vorige. De Consumentenbond heeft aangegeven dat sponsoring in het onderwijs een beleidsveld is dat de bond niet meer volgt. Zij heeft daardoor geen beeld van de aard/omvang van de situatie, en acht het niet verantwoord om deel te nemen aan een convenant waarvan zij de ontwikkeling in de toekomst niet zal kunnen monitoren. Het vorige convenant was daarnaast ondertekend door vier landelijke organisaties voor ouders in het onderwijs. In 2013 heeft uw Kamer een motie aangenomen om geld te behouden voor één landelijke ouderorganisatie. Vervolgens is de Landelijke Ouderraad opgericht, als gesprekspartner van de overheid namens ouders voor zaken die het onderwijs aangaan. Door de deelname van de Landelijke Ouderraad (Ouders & Onderwijs) aan het convenant, in plaats van de vier afzonderlijke ouderorganisaties, zijn ouders dus voldoende betrokken bij de gemaakte afspraken. Ik concludeer dat het draagvlak voor het convenant daarmee niet is verminderd.

Artikel 3. Taak en doelstelling scholen

De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt vastgesteld of er sprake is van «goede smaak». Zij vragen of ik het met de leden eens ben dat dit een bepaling is die zeer breed uitlegbaar is en of ik dit verantwoord vind.

Bij de zinsnede over «goede smaak en fatsoen» wordt in het convenant genoemd dat sponsoring bijvoorbeeld niet mag appelleren aan gevoelens van angst of bijgelovigheid of misleidend mag zijn. In de toelichting wordt vervolgens nader ingegaan op enkele concrete voorbeelden van mogelijk betwistbare vormen van sponsoring. Net als voor de overige bepalingen uit het convenant geldt voor de bepaling die de leden noemen dat het uiteindelijk aan scholen is om in een concrete situatie een verantwoorde afweging te maken. De afspraken in het convenant dienen daarbij als uitgangspunt. Ik vertrouw erop dat scholen hier zorgvuldig mee omgaan.

De leden van de VVD-fractie vragen of sponsoring zich altijd moet verhouden tot het verbeteren van een gezonde leefhouding van leerlingen. Zij vragen of sponsoring ook niet de onderwijskwaliteit kan bevorderen en vragen of ik de mening van deze leden deel dat in zo’n geval sponsoring ook toegestaan moet zijn.

Ik ben het met de leden eens dat sponsoring ook de onderwijskwaliteit kan bevorderen en deel de mening dat in zo’n geval sponsoring ook toegestaan moet zijn. Wel geldt ook dan het uitgangspunt dat sponsoring geen afbreuk mag doen aan de gezonde leefhouding van leerlingen.

Artikel 5. Onderwijsinhoud

De leden van de VVD-fractie lezen dat er geen sprake mag zijn van (impliciete) reclame en vragen of ik kan toelichten hoe deze grenzen geduid worden. Zij noemen daarbij een aantal voorbeelden.

Het convenant stelt dat er geen sprake mag zijn van reclame in lesmaterialen en leermiddelen. Het convenant keurt reclame op een andere wijze in schoolverband niet af, maar in dat geval mag dit leerlingen niet stimuleren tot een ongezonde leefstijl of gevaarlijke activiteiten. Uiteindelijk is het aan de school om in concrete gevallen te beslissen of er sprake is van geoorloofde of van ongeoorloofde reclame. De medezeggenschap heeft instemmingsbevoegdheid op het aangaan van de sponsorovereenkomst.

Artikel 10. Evaluatie

De leden van de VVD-fractie vragen waarom pas in 2018 wordt overgegaan tot een evaluatie van de afspraken. Voorts vragen zij welke verbeteringen zijn voorgesteld naar aanleiding van eerdere evaluaties.

De evaluatie is gericht op eventuele hernieuwing van het convenant na 2018. Voor verstrijken van de looptijd wordt teruggekeken op het functioneren van het convenant en wordt gesproken over de tevredenheid ten aanzien van het convenant. Op basis daarvan kan worden besloten over een eventuele hernieuwing van het convenant. Uit de recente evaluatieronde over het vorige convenant bleek dat de deelnemende partijen tevreden zijn over het functioneren van dat convenant. Daarom zijn er (ook naar aanleiding van de evaluatie) geen aanpassingen gedaan, afgezien van enkele technische wijzigingen.

Toelichting

Algemeen

De leden van de VVD-fractie lezen dat het eerste convenant dateert van 1997, maar dat er tevens wordt opgemerkt dat er niet of nauwelijks problemen zijn geconstateerd. Zij vragen waarom het convenant dan nog nodig is. Zij vragen of ik kan toelichten in welke omvang er sprake is van sponsoring van bedrijven aan scholen en welke trend zichtbaar is.

Het beeld dat de deelnemende partijen hebben, is dat sponsoring van bedrijven aan scholen slechts in beperkte mate voorkomt. Er zijn de partijen geen signalen bekend die wijzen op een stijgende of dalende trend. Ik ben van mening dat dit convenant van waarde is voor die gevallen waarin scholen zich bezighouden met sponsoring, ook al komt dit weinig voor en zijn er niet of nauwelijks problemen geconstateerd. Bovendien wordt het afsluiten van het convenant breed gedeeld door partijen uit onderwijs en bedrijfsleven. Ook uit de evaluatie van een voorloper van dit convenant door Regioplan (Sponsoring in het onderwijs 2007, Regioplan) blijkt dat gedragsregels rondom sponsoring in het onderwijs wenselijk worden geacht.

De leden van de SP-fractie refereren aan mijn uitgangspunt dat sponsoring altijd zorgvuldig moet gebeuren. Zij vragen waarom ik kies voor een convenant en niet voor verankering in de wet.

In de onderwijswetgeving zijn wel degelijk voorwaarden verankerd waar scholen zich ten aanzien van sponsoring aan moeten houden. Het convenant geeft aanvullend daarop een uitwerking van die wettelijke voorwaarden. Het bevat afspraken waar partijen uit onderwijs en bedrijfsleven het gezamenlijk over eens zijn. Het convenant geeft heldere richtlijnen aan besturen en scholen, zorgt voor meer duidelijkheid bij bedrijven die overwegen een bijdrage te leveren aan het onderwijs en stelt ouders, leerlingen, personeel en medezeggenschapsraden in de gelegenheid een sterke positie in te nemen ten aanzien van het sponsorbeleid op hun school.

De leden van de SP-fractie vragen waarom er pas in 2015 weer nieuwe afspraken zijn gemaakt, terwijl het voorgaande convenant in 2013 is verlopen. Zij vragen de regering de totstandkoming en het voorliggende proces van het nieuwe convenant toe te lichten.

Na het aflopen van het vorige convenant is de werking ervan geëvalueerd met de deelnemende partijen. Dit proces van evaluatie en afstemming met een groot aantal partijen kostte aanzienlijk meer tijd dan verwacht. Om in het vervolg spoediger tot een eventuele hernieuwing van het convenant te komen is bepaald dat de werking van het convenant met de deelnemende partijen zal worden geëvalueerd, voorafgaand aan het verstrijken van de werkingsduur.

De leden van de SP-fractie merken op dat sponsoring van het primaire proces verboden is. Zij vragen of muziekactiviteiten, een schoolfeest of een sportdag in mijn ogen onderdeel zijn van het primaire onderwijsproces. Zij vragen waar precies de grens ligt.

In het convenant is bepaald dat het uitvoeren van de aan de school wettelijk opgedragen activiteiten niet afhankelijk mag worden van sponsormiddelen. De reguliere bekostiging van de overheid stelt scholen in staat om daar uitvoering aan te geven. Sponsoring biedt scholen de mogelijkheid voor aanvullende activiteiten, zoals een schoolfeest, sportdag of extra muziekactiviteiten. Overigens zie ik dat dergelijke activiteiten ook worden aangeboden zonder dat er sprake is van sponsoring.

Ad a: Naleving wetgeving

De leden van de VVD-fractie merken op dat scholen zich maar zelden verantwoorden over de sponsoring in het schoolplan of de schoolgids. Zij vragen hoe ik deze situatie verklaar en of ik van mening ben dat hier voldoende toezicht en handhaving op is.

In de toelichting bij het convenant wordt inderdaad opgemerkt dat in de schooljaren 2009/2010 (primair onderwijs) en 2010/2011 (voortgezet onderwijs) is gebleken dat scholen zich maar zelden verantwoorden over sponsoring in het schoolplan of de schoolgids. Mogelijk speelt hierbij mee dat sponsoring zoals gezegd door scholen soms niet als zodanig wordt herkend, of niet bij de schoolleiding bekend is. In 2010 en 2011 heeft de inspectie een thema-onderzoek uitgevoerd naar dit onderwerp. Daarbij werden scholen die zich niet goed verantwoordden over sponsoring en de instemming van de medezeggenschap daarop, door de inspectie aangesproken. Na de nulmeting (voorjaar 2010) zijn er vier hercontroles uitgevoerd (najaar 2010, voorjaar 2011, najaar 2011 en voorjaar 2012). De scholen werden daarbij steeds gewezen op de wettelijke vereisten. Naar aanleiding daarvan zijn meer scholen zich gaan verantwoorden.2 Uit het onderzoek blijkt dus dat de situatie van de schooljaren 2009/2010 en 2010/2011, die in de toelichting bij het convenant wordt aangehaald, daarna verbeterd is. Wanneer de inspectie toch constateert dat een school zich niet houdt aan wettelijke voorwaarden voor verantwoording over sponsoring wordt de school daarop gewezen. Wanneer de school de overtreding niet binnen een redelijke termijn opheft, kan de inspectie uiteindelijk overgaan tot handhaving, door het opschorten of inhouden van een deel van de bekostiging.

De leden van de SP-fractie zijn naar aanleiding van de genoemde evaluatieronde nieuwsgierig naar de meningen van de verschillende partijen in het convenant. Zij vragen of ik het evaluatierapport aan de Kamer kan zenden.

Er is geen evaluatierapport dat ik naar uw Kamer kan zenden. In de afgelopen periode is het functioneren van het vorige convenant geëvalueerd door met alle partijen te spreken over de ervaringen met en tevredenheid over de werking van het convenant in de praktijk. Uit de evaluatieronde blijkt dat het convenant de beoogde werking heeft. De afgelopen jaren hebben zich geen incidenten voorgedaan rondom sponsoring op scholen. Diverse partijen geven aan dat zij weinig tot geen vragen ontvangen over sponsoring op scholen, terwijl dit in sommige gevallen voor het afsluiten van het vorige convenant in 2009 regelmatig gebeurde. Het algemene beeld is dat sponsoring in het funderend onderwijs weliswaar geen wijdverbreid fenomeen is, maar dat het convenant wel degelijk voorziet in een behoefte. Ook bedrijven kennen het convenant en gebruiken het wanneer zij zich bezighouden met sponsoring op scholen.

De leden van de SP-fractie maken uit de brief op dat er uiteindelijk weinig veranderd is in het convenant op enkele technische wijzigingen na. Zij vragen wat deze technische wijzigingen dan zijn en of ik daar een overzicht van kan aanleveren.

Het convenant is geactualiseerd door enkele data aan te passen, evenals het overzicht van deelnemende organisaties en de namen van de ondertekenaars. Daarnaast is in artikel 2 de bepaling geschrapt dat de inspectie in de schooljaren 2009/2010 (primair onderwijs) en 2010/2011 (voortgezet onderwijs) een inventariserend onderzoek zal uitvoeren naar de naleving van de wettelijke regels inzake sponsoring. Dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd. Ook de verwijzing in artikel 10 naar het onderzoek is geschrapt.

De leden van de SP-fractie merken op dat uit de toelichting blijkt dat scholen zich zelden verantwoorden over sponsoring, hoewel dit verplicht is. Zij vragen hoe dit kan gebeuren en welke consequenties de Inspectie van het Onderwijs eraan heeft verbonden nadat zij deze constatering op scholen heeft gedaan. De leden vragen hoeveel scholen het niet nodig vonden om zich te verantwoorden over hun sponsoringsbeleid.

In de toelichting bij het convenant wordt inderdaad opgemerkt dat in de schooljaren 2009/2010 (primair onderwijs) en 2010/2011 (voortgezet onderwijs) is gebleken dat scholen zich maar zelden verantwoorden over sponsoring in het schoolplan of de schoolgids. Wanneer de inspectie constateert dat een school zich niet houdt aan wettelijke voorwaarden voor verantwoording over sponsoring wordt de school daarop gewezen. Wanneer de school de overtreding niet binnen een redelijke termijn opheft, kan de inspectie uiteindelijk overgaan tot handhaving, door het opschorten of inhouden van een deel van de bekostiging. Ook in het eerder genoemde thema-onderzoek heeft de inspectie scholen die zich niet voldoende verantwoordden over sponsoring en de instemming van de medezeggenschap daarop, gewezen op de wettelijke vereisten. Naar aanleiding daarvan zijn meer scholen zich gaan verantwoorden.3

Artikelen 3, 4, 5 en 6

De leden van de VVD-fractie lezen dat het koppelen van bijvoorbeeld software aan een sponsoring van computerapparatuur niet mag. De leden merken allereerst op dat het convenant geen voorbeelden hanteert, maar uitgangspunten en spelregels, en vragen waarom hier op dit punt van wordt afgeweken. Voorts vragen de leden waarom deze bepaling is opgenomen en de vrijheid van een onderwijsinstelling zo scherp wordt beperkt als in algemene zin al is opgemerkt dat de tegenprestatie in proportie met de sponsoring moet zijn.

Het convenant bevat afspraken die als uitgangspunt dienen bij het nadenken over sponsoring. Het convenant is bedoeld om scholen en bedrijven richtlijnen te bieden bij het aangaan van sponsorovereenkomsten. In de toelichting wordt nader ingegaan op enkele voorbeelden, om duidelijkheid te bieden in een aantal situaties waarin het betwistbaar is of een tegenprestatie, die door een sponsor wordt verlangd, moet worden aanvaard. Een van de uitgangspunten uit het convenant is dat sponsoring de onafhankelijkheid van scholen niet in gevaar mag brengen. Een sponsorconstructie die lijkt op «koppelverkoop», waarbij scholen verplicht zijn aanvullende software af te nemen van een partij die computerapparatuur sponsort, kan deze onafhankelijkheid van scholen in gevaar brengen en acht ik om die reden niet wenselijk.

De leden van de PvdA-fractie vragen of ik het met de leden eens ben dat sponsorafspraken een afhankelijkheidsrelatie tussen scholen en het bedrijfsleven in de hand kan werken. Zij vragen of ik het acceptabel acht als bedrijven op enigerlei wijze invloed uitoefenen op het onderwijs? Hoe kan worden voorkómen dat bedrijven grote tegenprestaties vragen van scholen die zij sponsoren?

Wanneer bedrijven sponsoring aanbieden aan scholen, gaan scholen een relatie aan met deze bedrijven. Ik vind het van belang dat scholen zorgvuldig met die relatie omgaan en zich niet afhankelijk maken van bedrijven. De onafhankelijkheid van scholen is dan ook een belangrijk uitgangspunt in het convenant. Scholen moeten hun onderwijs onafhankelijk vorm kunnen geven, los van de invloed van bedrijven. Besturen en scholen hebben de verantwoordelijkheid om een zorgvuldige afweging te maken bij het aangaan van sponsorovereenkomsten. Daarbij moeten zij afwegen of de tegenprestatie die zij moeten leveren in verhouding staat tot de sponsoring en moeten zij hun onafhankelijke positie waarborgen. Het convenant biedt daarbij richtlijnen, in aanvulling op de wettelijke voorwaarden waaraan scholen zich bij sponsoring moeten houden.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat zo’n mogelijke afhankelijkheid van onderwijsactiviteiten van sponsorinkomsten voor de continuïteit ervan, betekent in het licht van de soms wisselende bereidheid van sponsoren om zich te verbinden aan dit soort financiële steun?

Ik ben van mening dat de continuïteit van het onderwijs niet in gevaar mag komen doordat op enig moment sponsormiddelen wegvallen. Daarom is in het convenant bepaald dat het uitvoeren van de aan de school wettelijk opgedragen activiteiten niet afhankelijk mag worden van sponsormiddelen. Het wegvallen van de bereidheid van sponsoren om financiële steun te geven kan dus nooit tot gevolg hebben dat de continuïteit van het wettelijk vereiste primaire onderwijsproces in gevaar komt.

De leden van de PvdA-fractie vragen of ik op grond van het convenant kan uitsluiten dat door sponsoring ongelijkheid ontstaat tussen het (onderwijs)aanbod op scholen, waardoor leerlingen niet dezelfde kansen krijgen, zo vragen de leden.

De overheid zorgt voor de reguliere bekostiging, waarmee de scholen in staat worden gesteld te voldoen aan de wettelijke verplichtingen. Daarmee is gewaarborgd dat op iedere school vorm en uitvoering gegeven kan worden aan goed onderwijs. Daarnaast hebben scholen de mogelijkheid om het onderwijs te verrijken door bijvoorbeeld sponsoring. Ik heb geen signalen dat sponsoring op dit moment ongelijkheid in het onderwijs bevordert.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat bleek dat gedragsregels rondom sponsoring wenselijk werden geacht maar dat er inhoudelijk zorgvuldig met sponsoring om gegaan wordt. Toch bleek dat de medezeggenschapsraad niet altijd betrokken werd bij de besluitvorming over sponsoring. De leden vraag hoe ik ervoor ga zorgen dat het niet bij afspraken op papier blijft maar scholen zich daadwerkelijk verantwoorden over sponsoring?

In de toelichting bij het convenant wordt inderdaad opgemerkt dat uit de eerder genoemde evaluatie uit 2007 van het destijds actuele convenant blijkt dat de medezeggenschapsraad niet altijd werd betrokken bij de besluitvorming over sponsoring. Uit het hiervoor reeds genoemde thema-onderzoek van de inspectie blijkt dat de situatie van de schooljaren 2009/2010 en 2010/2011, die in de toelichting bij het convenant wordt aangehaald, daarna verbeterd is. Wanneer de inspectie toch constateert dat een school zich niet houdt aan wettelijke voorwaarden voor verantwoording over sponsoring wordt de school daarop gewezen. Wanneer de school de overtreding niet binnen een redelijke termijn opheft, kan de inspectie uiteindelijk overgaan tot handhaving, door het opschorten of inhouden van een deel van de bekostiging.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in artikel 5 van het convenant wordt bepaald dat er «in lesmaterialen en leermiddelen geen (impliciete) reclame mag voorkomen». Zij vragen hoe groot ik de kans acht dat sponsors in de door hen aangeboden materialen op geen enkele wijze informatie opnemen over het bedrijf of de eigen producten dan wel diensten.

Ik kan geen inschatting geven van de kans dat sponsors in de aangeboden materialen bepaalde informatie opnemen. Het is aan scholen om een zorgvuldige afweging te maken over de sponsorbijdrage en de vereiste tegenprestatie. Daarbij geldt inderdaad het uitgangspunt dat er in lesmaterialen en leermiddelen geen (impliciete) reclame mag voorkomen. Daarnaast merk ik op dat met de deelname van VNO-NCW en MKB-Nederland aan het convenant ook bedrijven zijn vertegenwoordigd. Ik verwacht dat bedrijven die ervoor kiezen om een school te sponsoren dat willen doen binnen de afspraken van het convenant.

Artikel 7

De leden van de PvdA-fractie lezen in artikel 7 dat ouders/verzorgers, leerlingen en personeel klachten kunnen indienen bij de klachtencommissie. De leden vragen hoe het bestaan van de klachtencommissies gecommuniceerd wordt.

In de zinsnede die de leden aanhalen wordt gedoeld op de klachtencommissie, bedoeld in artikel 14 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 23 van de Wet op de expertisecentra of artikel 24b van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag is verplicht om in de schoolgids voor ouders, verzorgers en leerlingen informatie op te nemen over de klachtencommissie. Na publicatie van het hernieuwde convenant heb ik, net als de andere deelnemende partijen, de sectoren geïnformeerd over het nieuwe convenant en aandacht gevraagd voor de gemaakte afspraken, waaronder de mogelijkheid voor alle bij het onderwijs betrokkenen om zich met klachten over sponsoring te melden bij de klachtencommissies. Op korte termijn breng ik samen met de andere deelnemende partijen een digitale brochure uit over het convenant. Deze zal worden verspreid via de bestaande kanalen van de deelnemende partijen.4 De brochure bevat onder meer toelichting op de mogelijkheid voor alle bij het onderwijs betrokkenen om zich met klachten over sponsoring te melden bij de klachtencommissies. Overigens merk ik op dat het hier bestaande klachtencommissies betreft, waarover eerder reeds op verschillende manieren met de sectoren is gecommuniceerd.


X Noot
1

VOO: Vereniging Openbaar Onderwijs.

X Noot
2

Onder de steekproef van 26 scholen was er in najaar 2010 minder dan 50% van de scholen die zich voldoende verantwoordde. Medio februari 2012 was echter bij al deze scholen de verantwoording op orde.

X Noot
3

Onder de steekproef van 26 scholen was er in najaar 2010 minder dan 50% van de scholen die zich voldoende verantwoordde. Medio februari 2012 was echter bij al deze scholen de verantwoording op orde.

X Noot
4

Denk hierbij aan de verschillende websites van de deelnemende organisaties, hun nieuwsbrieven (waaronder nieuwsbrieven gericht op specifieke partijen, zoals besturen, schoolleiders of medezeggenschapsorganen) en andere bestaande communicatiekanalen.