Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534000-VI nr. 86

34 000 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2015

Nr. 86 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 mei 2015

Tijdens de regeling van werkzaamheden van uw Kamer van 19 mei 2015 heeft het lid Pechtold (D66) gevraagd om een brief (Handelingen II 2014/15, nr. 84, Regeling van werkzaamheden). Aanleiding van dit verzoek waren uitlatingen van de heer Teeven in het Parool. Met deze brief voldoe ik, mede namens de Minister-President, aan dit verzoek.

Na het aftreden van de bewindspersonen Opstelten en Teeven naar aanleiding van de uitkomsten van een nadere zoekslag naar afschriften, vond hierover op 10 maart jl. een debat in uw Kamer plaats. In reactie op vragen merkte de Minister-President op dat hij de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op enig moment heeft gevraagd of deze zich kon vinden in het rapport-Van Brummen en de feitelijke constateringen daarin en dat het antwoord daarop ja was. De Minister-President wees erop dat hij hierbij een zekere terughoudendheid in acht heeft genomen omdat het ging om een aangelegenheid van het Openbaar Ministerie.

Ten aanzien van de persoonlijke aantekening terzake van een ambtenaar van het Ministerie van Veiligheid en Justitie staat vast dat deze wordt verstrekt aan de onafhankelijke onderzoekscommissie waarom uw Kamer heeft verzocht.

Conform de motie-Slob (Kamerstuk 34 000 VI, nr. 72) en de toezeggingen van de Minister-President tijdens het debat op 10 maart heb ik overleg gevoerd met uw Kamer over de onderzoeksopdracht van deze commissie en uw Kamer na het AO van 23 april jl. vervolgens het instellingsbesluit van de commissie toegezonden (Kamerstuk 34 000 VI, nrs. 78 en 84). De onderzoeksopdracht van de commissie houdt onder meer in onderzoek te verrichten naar de informatie die over de schikking al dan niet beschikbaar was of is geweest bij de opeenvolgende bewindslieden en de informatieverstrekking aan uw Kamer. Gelet op de met uw Kamer overeengekomen instelling, onderzoeksopdracht en werkwijze van de onafhankelijke commissie, acht ik het niet juist hier nu nader op in te gaan en daarmee het onderzoek van deze commissie te doorkruisen.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur