34 000 V Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2015

Nr. 51 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 maart 2015

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 3 juli 2014 gevraagd om een kabinetsreactie op de brief die de commissie op 23 juni 2014 heeft ontvangen van de Federatie Armeense Organisaties Nederland (FAON). De brief van de FAON heeft als onderwerp: Turkse haatdemonstratie en 100 jaar Armeense genocide.

Mede in het licht van de actualiteit van de aanstaande jaarlijkse herdenking van de gebeurtenissen van 1915, ga ik onderstaand, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, in op de brief van de FAON.

In de brief geeft de FAON het volgende aan:

  • De Armeense gemeenschap is geschokt is door de Turkse demonstratie van 1 juni 2014 in Almelo. De FAON vraagt het kabinet om een afkeurende reactie op de demonstratie.

  • De FAON ziet druk van Turkije als oorzaak van het niet-bijwonen door Nederlandse bewindspersonen van de herdenking in 2014 van de gebeurtenissen van 1915.

  • De FAON zou graag zien dat over de 100 jarige herdenking in 2015, de Turkse ontkenning van de gebeurtenissen als genocide en de Nederlandse opstelling hierbij, gesproken zou worden in uw Kamer, met als uitgangspunt de motie Rouvoet uit 2004.1

Op 11 juni en 31 oktober 2014 zijn Kamervragen over de demonstratie in Almelo gesteld. In de beantwoording2 heeft het kabinet aangegeven dat de demonstranten weliswaar gebruik hebben gemaakt van het recht op vrijheid van demonstratie, maar dat het kabinet van mening is dat de tijdens de demonstratie in Almelo gebruikte leuzen niet bijdragen aan een oplossing van deze ernstige kwestie. Nederland heeft de Turkse autoriteiten erop gewezen dat de kwestie van de Armeense genocide gevoelig ligt en Turkije opgeroepen hiermee verantwoordelijk om te gaan. De aangifte van discriminatie en belediging die het OM heeft ontvangen wordt op dit moment nog beoordeeld.

Voor wat betreft eventuele betrokkenheid bij herdenkingsbijeenkomsten maakt het kabinet steeds een zorgvuldige afweging. Het kabinet heeft besloten dat de Nederlandse Ambassadeur in Georgië, die ons land ook in Armenië vertegenwoordigt, de 100 jarige herdenking op 24 april 2015 in de Armeense hoofdstad Jerevan namens Nederland zal bijwonen. Met deze aanwezigheid wil het kabinet zijn medeleven tot uitdrukking brengen met de nabestaanden van de slachtoffers van de gebeurtenissen van 1915. Zoals de Minister van Buitenlandse Zaken heeft gezegd tijdens het dertigledendebat van 15 januari 2015 (over de uitspraken van de minster m.b.t. een mogelijk EU-lidmaatschap voor Turkije), blijft het kabinet bij de interpretatie die voorgaande kabinetten aan de motie Rouvoet uit 2004 hebben gegeven.

Zoals de Minister van Buitenlandse Zaken in zijn brief van 28 januari 2015 heeft aangegeven3, hecht het kabinet eraan te benadrukken dat Nederland ten zeerste alle slachtoffers betreurt die bij de verschrikkelijke gebeurtenissen van 1915 zijn gevallen. Het is glashelder dat Armeniërs daarbij zeer geleden hebben. Het is echter niet aan het kabinet om deze historische gebeurtenissen te duiden. Dat is aan wetenschappers, alsook de Turkse en Armeense regeringen. Het kabinet betreurt de voortdurende controverse hierover. Het is aan beide landen om in een goede sfeer tot een waardige en respectvolle herdenking van de slachtoffers te komen; dat is in ieders belang en zou voorop moeten staan.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Kamerstuk 21 501-20, nr. 270

X Noot
2

Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 2562 Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 784.

X Noot
3

2015D02967

Naar boven