Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533988 nr. 14

33 988 Wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet SZW 2015)

Nr. 14 DERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 6 oktober 2014

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

In artikel II wordt na onderdeel 0A een onderdeel ingevoegd, luidende:

0Aa

In artikel 4, eerste lid, onderdeel b, aanhef, vervalt: of aan een of meer van zijn kinderen.

2

In artikel II wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

In artikel 17, vierde lid, vervalt: of een of meer van zijn kinderen.

3

In artikel IX wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

H0a

Artikel 36a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «35, 36» vervangen door: 34 tot en met 36.

2. In het vierde lid wordt «31 tot en met 34» vervangen door: 31 tot en met 33.

4

In artikel XVI, onderdeel Aa, subonderdeel 2, wordt in het derde lid «onderdeel a of b is» telkens vervangen door: onderdeel a of b, is.

5

In artikel XXXVI, onderdeel F, wordt in het eerste en tweede lid na «artikel 130z, tweede lid» een komma ingevoegd.

TOELICHTING

Onderdelen 1 (artikel II, onderdeel 0Aa) en 2 (artikel II, onderdeel Ba)

Bij de Wet vereenvoudiging regelingen SVB is onder meer de Algemene nabestaandenwet (Anw) gewijzigd, waarbij de halfwezenuitkering is geïntegreerd in een (hoge) nabestaandenuitkering voor nabestaanden met kinderen jonger dan 18 jaar en de halfwezenuitkering als zelfstandige uitkering is opgehouden te bestaan. In dat kader zijn de artikelen 4, eerste lid, en 17, vijfde lid, van de Anw zodanig gewijzigd dat bij de vaststelling van het recht op en de maximale hoogte van de nabestaandenuitkering voor de in artikel 4, eerste lid, van de Anw bedoelde gewezen echtgenoot van een overleden verzekerde (ook wel pseudoweduwe genoemd) rekening moet worden gehouden met de verplichting levensonderhoud te verschaffen aan de kinderen (kinderalimentatie) respectievelijk de kinderalimentatie mee te laten tellen bij de vaststelling van de hoogte van de nabestaandenuitkering. Omdat de Wet hervorming kindregelingen voorziet in afschaffing van de bedoelde (hoge) nabestaandenuitkering voor nabestaanden met minderjarige kinderen en de norm voor de nabestaande met een minderjarige kind wordt gelijkgesteld met die van de nabestaande zonder kinderen, behoeft ook bij de vaststelling van het recht op en de maximale hoogte van de nabestaandenuitkering voor de pseudoweduwe geen rekening meer te worden gehouden met de kinderalimentatie. Omdat verzuimd is dit in de Wet hervorming kindregelingen mee te nemen, wordt dit thans alsnog geregeld. Na de inwerkingtreding van deze wijzigingen luiden de twee artikelleden weer hetzelfde als voor de Wet vereenvoudiging regelingen SVB. De voorgestelde wijzigingen zullen in werking treden op het zelfde tijdstip als waarop het desbetreffende onderdeel van de Wet hervorming kindregelingen in werking zal treden, te weten 1 januari 2015 (zie enig artikel, eerste lid, onderdeel b, van het inwerkingtredingsbesluit van 4 juli 2014, Stb. 271).

Onderdeel 3 (artikel IX, onderdeel H0a)

In dit onderdeel wordt een technische omissie hersteld. Ten onrechte is in artikel 36a artikel 34 van de Wet werk en bijstand niet buiten toepassing verklaard. Uit de parlementaire geschiedenis en de tekst van de memorie van toelichting bij de Wet koopkrachttegemoetkoming lage inkomens (Kamerstukken II 2013/14, 33 932, nr. 3) valt af te leiden dat de regering heeft beoogd om bij de toekenning van een koopkrachttegemoetkoming vanwege uitvoeringstechnische redenen af te zien van een vermogenstoets. Ook opbrengsten uit vermogen worden buiten beschouwing gelaten. Door de onderhavige wijziging wordt dit wettelijk mogelijk. Deze begunstigende wijzing zal terugwerken tot en met de datum van inwerkingtreding van de Wet koopkrachttegemoetkoming lage inkomens.

Onderdelen 4 (artikel XVI, onderdeel Aa) en 5 (artikel XXXVI, onderdeel F)

Dit betreft het herstel van redactionele fouten.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher