Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2014-201533985 nr. B

33 985 Goedkeuring van het op 18 december 2013 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en de tenuitvoerlegging van de FATCA (Trb. 2014, 22 en 128)

B MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 4 maart 2015

Algemeen

Allereerst wil ik, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, de leden van de fracties van het CDA en de SP dank zeggen voor hun inbreng op het voorliggende wetsvoorstel. Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van deze fracties.

Mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken geef ik in deze memorie graag een reactie op de in het verslag door de leden van deze fracties gestelde vragen. Bij de beantwoording van de vragen wordt de volgorde van het verslag zoveel mogelijk gevolgd. Waar mogelijk zijn vragen die hetzelfde onderwerp betreffen, evenwel gebundeld.

Voor de leesbaarheid wordt in deze nota gesproken van de «NL IGA» waarmee wordt bedoeld: het op 18 december 2013 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en de tenuitvoerlegging van de FATCA (Trb. 2014, 22 en 128). Waar hierna wordt gesproken van «IGA», wordt bedoeld, al naar gelang de context: een FATCA-modelverdrag van de Verenigde Staten van Amerika (VS) of een FATCA-verdrag tussen de VS en een ander land dan Nederland.

Inleiding

De leden van de fractie van de SP merken op dat in diverse internationale gremia afspraken worden gemaakt over de bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking. De VS lijkt met de FATCA tamelijk effectief, aldus de leden van de fractie van de SP en zij vragen of de regering deze inschatting deelt. Tevens vragen zij of de FATCA het breekijzer is dat zelfs het bankgeheim van Zwitserland kraakt.

De VS heeft met de FATCA en het sluiten van IGA’s ter implementatie van de FATCA ervoor gezorgd dat heel veel landen wereldwijd zich hebben gecommitteerd aan automatische uitwisseling van financiële gegevens met de VS volgens een uniforme standaard. Inmiddels zijn dat ook nagenoeg alle landen van de Europese Unie. Het feit dat landen zoals Zwitserland zich committeerden financiële gegevens uit te gaan wisselen met de VS, werkte als een katalysator voor de uitbreiding van de gegevensuitwisseling tussen andere landen. Als Zwitserland bepaalde categorieën van financiële gegevens met de VS gaat uitwisselen, dan kan Zwitserland dat ook met andere landen doen. Zo kwam er druk op Zwitserland te staan om het bankgeheim voor gegevens over niet-ingezetenen op te heffen. De regering onderschrijft dat de FATCA-ontwikkelingen hebben gezorgd voor een voortvarende mondiale ontwikkeling op het gebied van automatische uitwisseling van financiële gegevens en daarmee de bestrijding van belastingontduiking.

De leden van de fractie van de SP vragen of de sanctie van 30% bronbelasting, op het niet nakomen van de FATCA-verplichtingen, het instrument is dat de FATCA tanden geeft. Deze leden doelen op het feit dat in het geval niet aan de FATCA-verplichtingen wordt voldaan, 30% bronbelasting wordt ingehouden over inkomsten uit Amerikaanse inkomstenbronnen van financiële instellingen. Er is mij geen onderzoek bekend naar de beweegredenen van financiële instellingen om een zogenoemde FATCA-overeenkomst met de belastingdienst van de VS te sluiten of naar landen om een IGA als onderhavige te sluiten. Met de introductie van de FATCA ontstond voor financiële instellingen onzekerheid over de financiële gevolgen vanwege een continue dreiging van een sanctie. Omdat in de IGA’s wordt geregeld dat financiële instellingen via de overheden automatisch gegevens gaan verstrekken, ziet de VS (in beginsel) af van de 30% bronheffing. Dat is één van de redenen dat de financiële instellingen het afsluiten van een IGA door hun land met de VS ondersteunen. Daarnaast zouden de financiële instellingen als zij zelf de gegevens aan de Amerikaanse belastingdienst zouden moeten leveren, in overtreding zijn met de (Europese) privacybeschermingsregels. De IGA’s tussen de overheden boden een oplossing voor de belemmeringen op het gebied van gegevensbescherming en voorkwamen dat elke financiële instelling zelf een overeenkomst moest sluiten met de Amerikaanse Belastingdienst.

Door het momentum van de FATCA hebben de G20-landen automatische uitwisseling van financiële informatie verheven tot mondiale standaard en heeft de OESO de Common Reporting Standard (CRS) ontwikkeld. Veel landen, waaronder Nederland, verwelkomen deze ontwikkeling en zijn van harte toegetreden tot dit multilaterale instrument. In oktober 2014 heeft Nederland met 50 andere landen in OESO-verband een multilaterale verklaring getekend (de «Multilateral Competent Authority Agreement» (MCAA)) en zich gecommitteerd aan de informatie-uitwisseling op basis van de CRS. Inmiddels hebben meer dan 90 landen zich gecommitteerd aan implementatie van de CRS. Met de FATCA en met de CRS zijn grote stappen gezet ter verbetering van de fiscale transparantie en daarmee met het bestrijden van belastingontduiking.

NL IGA

De leden van de fractie van het CDA vragen welke stappen de regering heeft gezet om uitvoering te geven aan de door de Tweede Kamer aangenomen motie-Neppérus c.s. In de motie wordt de regering opgeroepen zich in te spannen de banken ertoe te bewegen dat inwoners van Nederland die ook Amerikaans staatsburger zijn toegang houden tot hun bestaande rekening of dat er een passende dienstverlening blijft van een voldoende aantal aanbieders. Allereerst wil ik opmerken dat de meeste vragen die zijn gerezen over bepaalde brieven en formulieren van banken zien op beleid omtrent beleggingsdienstverlening en niet op FATCA. Zo heeft ING afgelopen jaar op grond van zijn beleid met betrekking tot Amerikaanse wet- en regelgeving aanvullende identificatievragen gesteld om te kijken of de beleggingsdienstverlening gehandhaafd kan worden aan klanten met een specifieke relatie met de US. De zorgen die geuit zijn in de Tweede Kamer neem ik serieus. Daarom heb ik dit onderwerp bij de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) onder de aandacht gebracht. Aan de AFM is gevraagd of zij met deze problematiek bekend is en zo ja, wat zij ermee heeft gedaan. De AFM gaf aan sinds 2011 in totaal 8 meldingen te hebben gehad van consumenten over de opschorting/beëindiging van dienstverlening aan Nederlandse ingezetenen met (ook) de Amerikaanse nationaliteit. Deze meldingen vormden voor de AFM geen aanleiding verder onderzoek te doen. Daarbij houdt ze er in de eerste plaats rekening mee dat uit de signalen niet blijkt dat er sprake is van een onzorgvuldige dienstverlening en in de tweede plaats met het feit dat het beëindigen van een relatie in eerste instantie een privaatrechtelijke aangelegenheid is. Als cliënten menen dat het opzeggen van de relatie in strijd is met de regels uit het Burgerlijk Wetboek die hierop van toepassing zijn, dan kunnen zij zich wenden tot de financiële onderneming en bij een negatief resultaat tot het KiFID, het financieel klachteninstituut. Ten slotte acht de AFM het aan het College voor de Rechten van de Mens om te beoordelen of er sprake is van discriminatie.

De NVB heeft haar leden geattendeerd op de motie. Bijna alle banken die actief zijn in Nederland, zijn lid van de NVB. Op basis van informatie van de NVB is mijn beeld dat Nederlandse inwoners die ook Amerikaans staatsburger zijn in Nederland bij de banken, die actief zijn in dienstverlening aan consumenten, terecht kunnen voor basis bankdiensten, sparen en leningen. Voor de vraag bij welke banken je als Amerikaans staatsburger terecht kan, kunnen zij zich altijd wenden tot de NVB. Voor effectendiensten kunnen zij in ieder geval terecht bij enkele grote en kleine banken zoals ABN AMRO Bank, Rabobank, Van Lanschot en Triodos Bank. Op basis hiervan concludeer ik dat er voor inwoners van Nederland die ook Amerikaans staatsburger zijn passende dienstverlening beschikbaar is en dat er voldoende aantal aanbieders zijn.

Ten slotte blijft uiteraard de mogelijkheid open om afstand te doen van het Amerikaans staatsburgerschap door middel van het verkrijgen van een «certificate of loss of nationality of the United States».1

De leden van de fracties van het CDA en de SP vragen naar de wederkerigheid van de gegevensuitwisseling.

De VS en Nederland streven ernaar te komen tot een gelijkwaardig niveau van wederkerigheid ten aanzien van de automatische informatie-uitwisseling. Dat is ook vastgelegd in de NL IGA. Het Amerikaanse Ministerie van Financiën heeft in zijn begrotingsvoorstel aan het Amerikaanse Congres voorgesteld te komen tot een volwaardige vorm van wederkerigheid.

In de NL IGA is afgesproken dat beide partijen voor het einde van 2016 zullen reflecteren op de voortgang van de in de NL IGA overeengekomen inspanningsverplichtingen. Vooralsnog geldt echter dat voor Nederland de reikwijdte van de rapportageverplichtingen op basis van de NL IGA ruimer is dan de rapportageverplichtingen die voor de VS gelden. Ook in het mondiale speelveld van de CRS zal de VS moeten komen tot een volwaardige wederkerige informatie-uitwisseling. De G20 landen, de OESO, het Global Forum on Tax Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes (Global Forum) en de EU zullen hier zeker aandacht voor houden. Met de leden van de SP meen ik dat het interessant kan zijn een instrument achter de hand te hebben om automatische inlichtingenuitwisseling af te dwingen. Ik wil hier echter benadrukken dat de opname van een dergelijk mechanisme in de Nederlandse wetgeving, niet voldoende zal zijn om de VS tot wederkerigheid te dwingen omdat de investeringen van Amerikaanse financiële instellingen in Nederland niet zo groot zijn als andersom. Dit zal alleen effectief kunnen zijn als veel landen daartoe overgaan en dan met name die landen waar de Amerikaanse financiële instellingen inkomensbronnen hebben. Gelet op de snelle internationale ontwikkelingen, het streven van de Amerikaanse regering zelf, en het feit dat momenteel 87 andere landen een vergelijkbare overeenkomst als Nederland met de VS hebben gesloten of op korte termijn sluiten, verwacht ik dat een op zichzelf staande actie van Nederland niet voldoende zal zijn om de VS op andere gedachten te brengen.

Mondiale ontwikkeling

De leden van de fractie van de SP vragen of ook in internationaal verband in het kader van het vormgeven van de CRS, wordt nagedacht over sanctiemechanismen. Zij refereren daarbij aan de vragen die de heer Merkies bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer op 17 december 2014 heeft gesteld. Hij vroeg mij in te gaan op de verschillen tussen de administratieve bijstandsrichtlijn en de CRS. In afwachting van het antwoord op die vraag heeft hij zijn motie ter zake aangehouden.

Laat ik voorop stellen dat er inhoudelijk geen verschil is tussen de Europese richtlijn en de MCAA.

Wel is er een verschil in de wijze van afdwingbaarheid van de afspraken. In een Europese context bestaat het instrument van een richtlijn die elke lidstaat verplicht met de andere lidstaten de CRS informatie uit te gaan wisselen en voorziet in de mogelijkheid dat een land bij niet naleving van de standaard voor het Hof van Justitie van de EU kan worden gedaagd. Hoewel de CRS buiten Europa niet op eenzelfde wijze afdwingbaar is, wordt op een andere manier druk uitgeoefend op landen om de standaard volledig na te leven. De G20 en het Global Forum hebben alle landen opgeroepen om in beginsel op wederkerige basis het beoogde tijdschema na te leven zodat een level playing field wordt bereikt en de belastingontduiking zo effectief mogelijk wordt bestreden.

Voor het implementeren van de CRS met niet EU-landen moet nog aan bepaalde voorwaarden worden voldaan voor een zorgvuldige uitwisseling van informatie. Behalve dat de nationale wetgeving op orde moet zijn, moeten landen een adequaat gegevensbeschermingsniveau hebben, afdoende procedures hebben voor vertrouwelijkheid en beveiliging van gegevens, en aangeven welke transmissiekanaal ze gaan gebruiken. Ook moeten landen aangeven met welke landen ze daadwerkelijk willen uitwisselen. Om te voorkomen dat landen informatie met elkaar gaan uitwisselen zonder dat is voldaan aan de internationale normen van vertrouwelijkheid en beveiliging, zal het Global Forum in 2015 de procedures voor vertrouwelijkheid en beveiliging van de landen die per september 2017 informatie gaan uitwisselen, onderzoeken. Op basis van de toets van het Global Forum kunnen de landen beoordelen met welke landen ze op een veilige manier automatisch informatie willen uitwisselen. Als een land niet zou voldoen aan de internationale standaarden voor vertrouwelijkheid en beveiliging van informatie, dan worden andere landen niet geacht richting die landen toch informatie te versturen. Het Global Forum gaat daarnaast op een later moment door middel van «peer reviews» monitoren in hoeverre de landen voldoen aan hun CRS-verplichtingen zoals dit eerder ook is gedaan bij informatie-uitwisseling op verzoek. De «ratings» die het Global Forum vervolgens geeft aan deze landen worden openbaar. Het Global Forum is met het monitoren van de huidige standaard op het gebied van gegevensuitwisseling effectief gebleken. Deze monitoring genereert voldoende druk op landen er voor te zorgen dat zij aan de normen willen voldoen. Hoewel de CRS buiten Europa niet op eenzelfde wijze afdwingbaar is als binnen Europa, worden landen door politieke druk vanuit de G20 en het Global Forum gehouden de CRS-verplichtingen na te komen. Ik wil daarbij wel de kanttekening plaatsen dat de overgrote meerderheid van de landen juist op basis van vrijwilligheid aan het proces meedoet. Ik hoop dat ik de bezorgdheid van de leden van de fracties van de SP in de Eerste en de Tweede Kamer hiermee weg heb kunnen nemen. De Nederlandse regering zal zich er in ieder geval voor inspannen dat informatie-uitwisseling met andere landen buiten de EU op een voldoende veilige manier zal gebeuren en dat andere landen buiten de EU zich niet zomaar aan hun verbintenis onttrekken om informatie richting Nederland te versturen.

Administratieve lasten en uitvoeringskosten

Ten slotte stellen de leden van de SP-fractie vast dat vooruitlopend op parlementaire goedkeuring reeds een besluit is gepubliceerd en zij vragen zich af of dit betekent dat onomkeerbare stappen zijn gezet in gegevensverzameling en -uitwisseling. Tevens vragen deze leden wat de gevolgen zijn voor de administratieve lasten. Ik kan deze leden als volgt informeren. Met de inwerkingtreding van de wijziging van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (...) (Stb. 2014, 544) is het voor de financiële instellingen mogelijk geworden met zo min mogelijk administratieve lasten te voldoen aan de verplichtingen die hun opgelegd worden ingevolge de NL IGA. Met de inwerkingtreding per 1 januari 2015 van dit besluit wordt een gescheiden aanlevering van financiële gegevens (eerst voor de reguliere renseignering en vervolgens voor de uitwisseling onder de NL IGA) voorkomen. Dat bespaart de financiële instellingen veel uitvoeringstechnische- en budgettaire lasten. De gegevensverzameling en verstrekking aan de Belastingdienst is daarmee al wel gestart. Echter, de gegevensuitwisseling met de VS vindt niet eerder plaats dan in september 2015, mits de NL IGA dan in werking is getreden. Wordt het verdrag niet geratificeerd dan zal dus niet overgegaan worden tot uitwisseling van die gegevens met de VS en zullen de reeds aan de Belastingdienst verstrekte FATCA-gegevens worden vernietigd, voor zover het gegevens betreft die louter voor FATCA-doeleinden zijn aangeleverd.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

Zie Kamerstukken II, 33 985, nr. 8, blz. 2–3.