Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533981 nr. 45

33 981 Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met een heffing bij het niet voldoen aan de quotumdoelstelling (Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten)

Nr. 45 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 december 2014

Bij het wetgevingsoverleg banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten heb ik u toegezegd de mogelijkheden te bezien om de beoordeling banenafspraak voor de vso- en pro-leerlingen te vereenvoudigen, ook met het oog op het eventueel verlagen van de kosten, informatie te sturen over de opbrengsten van de quotumheffing en in te gaan op de mogelijkheid om de opgelegde quotumheffing in het sociaal jaarverslag op te nemen.

Tevens maak ik van deze gelegenheid gebruik om u te informeren over hoe ik verder wil gaan met de voorbereiding op de uitvoering van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten.

Beoordeling banenafspraak in relatie tot vso- en pro-leerlingen

UWV voert de beoordeling banenafspraak uit op basis van een zorgvuldige sociaal-medische beoordelingssystematiek (SMBA). UWV vraagt gemeenten bij de aanvraag voor een indicatie UWV te voorzien van reeds beschikbare informatie.

Zo maakt UWV maximaal gebruik van reeds beschikbare informatie over de voor een indicatie voorgedragen mensen. Leerlingen uit het vso en pro behoren niet per definitie tot de doelgroep van de banenafspraak.

  • Vso-leerlingen

    In de Wet kwaliteit (v)so zijn de volgende drie uitstroomprofielen gedefinieerd: vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding. Een deel van de leerlingen in het vso heeft geen arbeidsvermogen en komt ook na 1-1-2015 in aanmerking voor de Wajong. Daarnaast blijkt uit het Onderwijsverslag 2012–2013 van de Inspectie van het Onderwijs uit 2014 dat circa een derde van de leerlingen die in 2012 zijn uitgestroomd in dagbesteding terecht is gekomen, een derde van de leerlingen in vervolgonderwijs terecht is gekomen, circa 12% op een reguliere arbeidsplaats aan de slag is en circa 5% in beschut werk aan de slag is.

  • Pro-leerlingen

    Een groot deel van de pro-leerlingen kan het wettelijke minimumloon verdienen en doet dat ook. Uit het Onderwijsverslag 2012–2013 van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat ruim eenderde van de pro-leerlingen na het schoolverlaten een baan heeft, al dan niet in combinatie met een opleiding. Daarnaast stroomt een derde deel van de pro-leerlingen door naar het MBO. Circa 15% van de pro-leerlingen stroomt door naar andere vormen van onderwijs zoals het vmbo, een andere praktijkschool of voortgezet speciaal onderwijs. Circa 4% komt terecht in de dagbesteding. Van de overige 12% is geen informatie beschikbaar over waar zij terecht zijn gekomen, onder andere door verhuizingen. Een deel hiervan heeft geen werk.

Omdat leerlingen uit het vso en pro dus niet per definitie tot de doelgroep banenafspraak behoren is het ook niet logisch om leerlingen uit het vso en pro zonder beoordeling op te nemen in het doelgroepregister. Dat zou inhouden dat voetstoots het «niet-kunnen» wordt aangenomen en dit zou de beperking benadrukken. Voorts is het onwenselijk om een beoordeling voor schoolkeuze (van twaalfjarigen) al bepalend te laten zijn voor het oordeel: kan geen WML verdienen later in het leven.

In de huidige situatie zijn de zogenoemde wajongnetwerken (waarin op instigatie van UWV, onderwijsinstellingen en gemeenten samenwerken) belangrijk om leerlingen al vroeg in beeld te hebben, een vloeiende overgang van school naar werk en zelfredzaamheid te bevorderen en uitkeringsafhankelijkheid te beperken. Onder de participatiewet worden de wajongnetwerken overgedragen aan de gemeenten teneinde daarmee die «warme overdracht» te continueren. Dit sluit ook aan bij het streven van gemeenten om te komen tot een integrale aanpak van de arbeidsmarkt en onderwijs en de verantwoordelijkheid van gemeenten in het kader van voortijdig schoolverlaten.

Zoals aangegeven maakt UWV bij de beoordelingen zoveel als mogelijk gebruik van reeds bestaande informatie. Daarmee worden de mensen die beoordeeld worden zoveel mogelijk ontzien en de kosten voor de beoordelingen beperkt. Zoals te doen gebruikelijk bij elke nieuwe dienstverlening zal UWV ook de kosten voor de beoordeling banenafspraak monitoren en indien mogelijk het tarief bijstellen.

In het kader van de motie van de leden Schouten en Potters (Kamerstuk 34 000 XV, nr. 34) ga ik met UWV in overleg over de mogelijkheden om zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande beoordelingen om hiermee de kosten voor gemeenten van de indicatie voor beschut werk en het doelgroepregister omlaag te brengen. Ik zal de Kamer hierover voor maart 2015 informeren.

Financiën

Bij het sociaal akkoord is een reeks oplopend tot 370 miljoen euro structureel ingeboekt als opbrengst van de banenafspraak. Deze opbrengst ontstaat doordat mensen die werken met bijvoorbeeld loonkostensubsidie minder kosten dan mensen met een uitkering die niet werken. Deze opbrengsten van de banenafspraak vormen onderdeel van de sluitende financiële bijlage van het sociaal akkoord en deze zijn dientengevolge ingeboekt op de SZW-begroting. Het uitgangspunt is immers dat het aantal extra banen dat is afgesproken, wordt gerealiseerd.

Wanneer de afgesproken extra aantallen niet aan het werk gaan, ontstaat er een besparingsverlies, omdat uitkeringen duurder zijn dan wanneer mensen uit de doelgroep met loonkostensubsidie werken. Hiermee ontstaat een overschrijding op de SZW-begroting. Indien de banenafspraak niet wordt gehaald, moet het quotum worden geactiveerd om werkgevers te stimuleren om meer mensen uit de doelgroep aan te nemen en zodoende ook de overschrijding teniet te doen. Als de verwachting is dat werkgevers het quotum volledig met banen invullen wordt het besparingsverlies op de SZW-begroting volledig ongedaan gemaakt. Als de verwachting alsdan is dat een deel van de werkgevers er voor kiest om de heffing te betalen, in plaats van voldoende banen te creëren, dan ontstaat er weliswaar een extra opbrengst, maar tegelijkertijd zijn dan niet alle banen en de daarvoor ingeboekte besparingen gerealiseerd. De opbrengsten van de heffingen compenseren dus voor het besparingsverlies dat door gebrek aan voldoende banen optreedt. Ook compenseren die heffingen voor de extra uitvoeringskosten die met het quotum gepaard gaan.

Omdat de banenafspraak nog loopt, is het op dit moment niet mogelijk om in te schatten welk deel heffing wordt en welk deel besparing op uitkeringen als het quotum onverhoopt moet worden geactiveerd. Meer zicht hierop ontstaat kort voor activering van het quotum als ook bekend is hoeveel extra banen er al zijn gerealiseerd in de banenafspraak. Daarom wordt, overeenkomstig het wetsvoorstel, op dat moment een nieuwe raming gemaakt. Vooralsnog gaan we er, overeenkomstig het wetsvoorstel, vanuit dat heffingen globaal het besparingsverlies op de uitgaven (meerkosten van uitkeringen boven banen en extra uitvoeringskosten) compenseren.

De heffingen betreffen inkomsten in het Arbeids Ongeschiktheidsfonds. In antwoord op vragen uit uw Kamer hierover wil ik bevestigen dat het niet ongebruikelijk is dat er geen directe relatie is tussen de middelen en de uitgaven van de sociale fondsen. Ook andere uitgaven dan uitkeringen werknemersverzekeringen (bijvoorbeeld mobiliteitsbonus) worden ten laste van de sociale fondsen gebracht. De inkomsten en de uitgaven zijn gescheiden en worden apart geraamd. Bij activering van het quotum worden dan ook de verwachte toekomstige inkomsten van de heffingen geraamd evenals de verwachte extra uitgaven als gevolg van hogere uitkeringen (I-deel) en extra uitvoeringskosten voor de ten uitvoerlegging van de quotumheffing. Op dit moment is dus de verwachting dat die aan elkaar gelijk zijn. Naar aanleiding van een eerder aangenomen motie van dhr. Van Weyenberg is in de wet al een bepaling (artikel 118 Wfsv) opgenomen waarmee een eventueel op het moment van activeren verwacht overschot aangewend kan worden voor bijvoorbeeld re-integratiemiddelen ten behoeve van de doelgroep.

Sociaal Jaarverslag

Het sociaal jaarverslag is geregeld in de Wet op de ondernemingsraden (WOR; artikel 31b). Op grond van deze bepaling is een ondernemer met meer dan 50 werknemers verplicht ten minste éénmaal per jaar informatie ten behoeve van de Ondernemingsraad te verstrekken met algemene gegevens over de aantallen en de verschillende groepen van de in de onderneming werkzame personen en over het door hem in het afgelopen jaar ten aanzien van die personen gevoerde sociale beleid. Deze gegevens worden kwantitatief zodanig gespecificeerd dat daaruit blijkt welke uitwerking de verschillende onderdelen van het sociale beleid hebben gehad voor afzonderlijke bedrijfsonderdelen en functiegroepen. Uit deze bepaling vloeit op zich al voort dat de ondernemer ook informatie dient te verstrekken over de in de ondernemingen werkzame arbeidsbeperkten en of de ondernemer daarmee voldoet aan de quotumdoelstelling.

Het belang van het sociaal jaarverslag voor de OR is het kunnen toetsen van het door de ondernemer gevoerde beleid. Het sociaal jaarverslag dient intern als een beleidsinstrument voor de ondernemer en als belangrijk informatiedocument voor de ondernemingsraad, zoals een begroting of financieel jaarverslag. Er geldt geen verplichting voor de ondernemer tot openbaarmaking van het sociaal jaarverslag. Dat neemt niet weg dat veel ondernemingen het sociaal jaarverslag via publicatie op de website openbaar maken1. Er is geen statistisch materiaal over hoeveel sociaal jaarverslagen er gepubliceerd worden.

Voorbereiding op de uitvoering van de wet

De wet zal niet op 1 januari 2015 van kracht kunnen worden omdat de wetsbehandeling nog niet is afgerond. Het is belangrijk dat de voorbereiding van de uitvoering en vulling van het doelgroepregister geen vertraging oploopt. Het is daarom van belang dat UWV kan beginnen met de doelgroepbeoordeling voor deze wet. Ik heb dan ook besloten om, indien uw Kamer haar goedkeuring hecht aan het wetsvoorstel, gebruik te maken van de mogelijkheid het UWV toe te staan de doelgroepbeoordeling te gaan uitvoeren in anticipatie op goedkeuring door de Eerste Kamer.

Om hiervan gebruik te kunnen maken, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Zo moet het gaan om een situatie waarin sprake is van in voorbereiding zijnde wetgeving, en waarin sprake is van zodanige onbillijkheden of uitvoeringstechnische problemen dat het anticiperen op een wetswijziging wenselijk wordt geacht voor de mensen om wie het gaat, voor de werkgevers die de mensen in dienst moeten nemen en voor gemeenten en de uitvoerders. Ook moet voorafgaand aan het gebruikmaken van dit zogenoemde gedogen onderzocht zijn of aan een aantal andere criteria is voldaan. Zo moeten de belangen zorgvuldig zijn afgewogen. Gelet op het belang van mensen met een beperking, voor wie de beoordeling meer kans genereert op werk, het belang van werkgevers om te kunnen voldoen aan de banenafspraak, alsook het belang van gemeenten en UWV bij het kunnen plaatsen van mensen bij werkgevers, ben ik van mening dat anticiperen begunstigend werkt voor alle hiervoor genoemde partijen. Voorts geldt als criterium dat de «contra legem» situatie van beperkte duur moet zijn. Omdat de Eerste Kamer naar verwachting de behandeling van het wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2015 zal afronden, is dit het geval. Uiteraard wil ik dit niet doen zonder daarover ook volledige openheid aan de Eerste Kamer te bieden en om die reden stuur ik deze brief tegelijkertijd ook aan de Voorzitter van de Eerste Kamer. Uiteraard hoop ik dat de Eerste Kamer met het wetsvoorstel zal instemmen. Mocht dit onverhoopt niet gebeuren, dan zal de opname in het register geen rechtsgevolgen hebben.

Alle voorwaarden beoordelend, heb ik besloten om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Ik zal UWV dan ook, indien uw Kamer haar goedkeuring hecht aan het wetsvoorstel, via een brief vragen om vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet vanaf 1 januari 2015 met de doelgroepbeoordeling voor de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten te beginnen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma