Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
van het Koninkrijk d.d. 2 mei 2014 en het nader rapport d.d. 13 juni 2014, aangeboden
aan de Koning door de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de minister voor
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Het advies van de Afdeling advisering
van de Raad van State van het Koninkrijk is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 11 maart 2014, no.2014000475, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister voor Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingssamenwerking, bij de Afdeling advisering van de Raad van State
van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt de goedkeuring van het op 2 april
2013 te New York tot stand gekomen Wapenhandelsverdrag (Trb. 2013, 143 en Trb. 2014, 45), met memorie van toelichting.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 11 maart 2014, no. 2014000475,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk
haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van rijkswet rechtstreeks aan mij te
doen toekomen. Dit advies, gedateerd 2 mei 2014, nr. W02.14.0061/II/K, bied ik U hierbij
aan.
Het Wapenhandelsverdrag, hierna: het verdrag, beoogt de internationale handel in conventionele
wapens te reguleren en de illegale handel te voorkomen en uit te bannen. Daartoe verplicht
het verdrag tot het opzetten van een nationaal wapenexportcontrolesysteem dat zal
moeten leiden tot verantwoorde nationale beslissingen omtrent uitvoer van bepaalde
conventionele wapens. Het verdrag levert hiermee een belangrijke bijdrage aan de internationale
veiligheid en stabiliteit. De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk
onderschrijft de strekking van het voorstel, maar maakt daarbij de volgende kanttekening.
In de toelichting wordt opgemerkt dat, evenals het geval was bij andere verdragen
gerelateerd aan nationale veiligheid zoals de CCW (Convention on certain Conventional
Weapons) en het Clustermunitieverdrag, de goedkeuring van het onderhavige verdrag
voor het gehele Koninkrijk wordt gevraagd. De gelding van het verdrag zal zich echter
vooralsnog beperken tot Europees en Caribisch Nederland en kan nog niet worden uitgebreid
tot Aruba, Curaçao en St. Maarten. De toelichting geeft daarvoor als reden dat de
vereiste uitvoeringswetgeving aldaar nog niet tot stand is gebracht. Volgens de toelichting
zal het verdrag ook kunnen worden aanvaard voor Aruba, Curaçao en St. Maarten zodra
die uitvoeringswetgeving gereed is.
De Afdeling benadrukt het belang van tijdige totstandkoming van de uitvoeringswetgeving.
De Afdeling adviseert daarom in de toelichting te vermelden wanneer de voor Aruba,
Curaçao en Sint Maarten benodigde uitvoeringswet naar verwachting gereed zal zijn.
Indien dit niet mogelijk is, adviseert de Afdeling mede gelet op de aard en strekking
van het verdrag in de toelichting uiteen te zetten wat de consequenties zijn van het
uitblijven van deze uitvoeringswetgeving. De Afdeling adviseert daarbij ook het belang
van het Koninkrijk en van de internationale rechtsorde bij tijdige goedkeuring en
ratificatie van het onderhavige verdrag voor het gehele Koninkrijk te betrekken.2
Gevolg gevend aan het advies van de Raad is de memorie van toelichting op het onderdeel
Koninkrijkspositie aangevuld.
Tevens is naar aanleiding van een ander advies van de Raad – het advies van 17 april
2014, nr. W02.14.0060/II, inzake het voorstel van wet tot wijziging van de Wet strategische
diensten in verband met de uitvoering van het op 2 april 2013 te New York tot stand
gekomen Wapenhandelsverdrag – de memorie van toelichting bij artikel 12 aangevuld.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging
het voorstel van rijkswet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de
Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk,
J.P.H. Donner
Ik moge U, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van rijkswet en de gewijzigde memorie van
toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Staten van Aruba, de Staten
van Curaçao en de Staten van Sint Maarten te zenden.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
F.C.G.M. Timmermans