Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533963 nr. 5

33 963 Initiatiefnota van het lid Van Laar over het verbieden van producten gerelateerd aan kinderarbeid

Nr. 5 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 januari 2015

Op 19 juni jl. heeft de Algemene Commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking mij verzocht te reageren op de Initiatiefnota Verbied producten kinderarbeid van Tweede Kamerlid Van Laar (PvdA) (Kamerstuk 33 963, nr. 2). Met deze brief kom ik, mede namens de bewindspersonen van Economische Zaken, (EZ) Veiligheid en Justitie (V&J) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), tegemoet aan dit verzoek.

Het kabinet spreekt zijn waardering uit voor de initiatiefnota van het lid Van Laar. Uiteraard onderschrijft het kabinet het doel van de nota – het internationaal terugdringen van kinderarbeid – volledig. Nederland voert dan ook al jaren een actief internationaal beleid tegen kinderarbeid, zoals hieronder geschetst. Het voorstel uit de initiatiefnota ligt in het verlengde van een eerder initiatief van Nederland in de periode 2007–2010. Nederland wilde toen binnen de Europese Unie (EU) een importverbod instellen tegen producten die voortkwamen uit de ergste vormen van kinderarbeid. Deze poging kon helaas niet rekenen op voldoende steun van andere lidstaten.

Het beleid van Nederland tegen kinderarbeid wereldwijd

De betrokkenheid van Nederland bij het internationaal bestrijden van kinderarbeid heeft een lange geschiedenis. Nederland spant zich al jaren in voor normstelling op het gebied van kinderarbeid in het kader van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Nederland organiseerde in 1997 de eerste mondiale kinderarbeidconferentie, die leidde tot de breed omarmde ILO-conventie nr. 182 over uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid.

Deze conventie vormt samen met ILO-conventie 138 over de minimumleeftijd voor arbeid nog steeds het normatieve kader tegen kinderarbeid. Nederland blijft zich inspannen voor verdere ratificatie en vooral betere naleving van deze verdragen. Een belangrijk moment hiervoor was de tweede mondiale kinderarbeidconferentie, in 2010 in Den Haag. Tijdens die conferentie werd een Roadmap aangenomen die ervoor moest zorgen dat de ergste vormen van kinderarbeid in 2016 zouden zijn uitgebannen.1

Ondanks de onmiskenbare vooruitgang de afgelopen jaren2 moet het kabinet helaas vaststellen dat dit doel niet gehaald zal worden. Er moet hard aan gewerkt worden om de komende jaren kinderarbeid internationaal verder terug te dringen.

Nederland doet dit voornamelijk door andere landen te helpen kinderarbeid binnen hun grenzen uit te bannen. Het kabinet hanteert hiervoor een geïntegreerde aanpak, zoals bepleit in de voornoemde Roadmap. Belangrijke elementen uit deze aanpak zijn: bewustwording over de nadelige effecten van kinderarbeid op zowel individuele als nationale ontwikkeling; versterking van het onderwijs; en samenwerking met lokale autoriteiten om het verbod op kinderarbeid te handhaven. Nederland steunt bijvoorbeeld het International Program for the Elimination of Child Labour (IPEC) van de ILO met € 6,7 mln in de periode 2010–2015, voor activiteiten gericht op versterking van het (beroeps)onderwijs in een viertal landen. Ook meerdere ambassades, onder andere in Turkije, India en Panama, financieren projecten om kinderarbeid terug te dringen, al dan niet in samenwerking met IPEC. Nederland ondersteunt financieel het Child Labour Platform, een internationaal bedrijvennetwerk voor samenwerking in bestrijding van kinderarbeid in de productieketens. Verder zette Nederland in 2014 met € 5 mln de steun voort aan het Child Labour Free Zones-project van de coalitie Stop Kinderarbeid, bij uitstek een voorbeeld van de geïntegreerde aanpak. Het project werd hiermee uitgebreid naar zes landen: India, Zimbabwe, Oeganda, Mali, Nicaragua en Turkije.

In de herkomstlanden van kinderarbeidproducten zijn de ergste vormen van kinderarbeid doorgaans al verboden, maar ligt het probleem bij de handhaving. Daarom ondersteunt Nederland de betreffende landen bij de handhaving, bijvoorbeeld met versterking van arbeidsinspecties. Nederland doet dat onder meer via het Better Work-programma van de ILO.

Ook blijft het van belang landen aan te spreken op hun verplichtingen die voortvloeien uit ILO-conventies 138 en 182. Een belangrijke prikkel hiervoor is het Algemeen Preferentieel Stelsel+ (APS+) van de EU. Het APS+ is een speciale regeling om duurzame ontwikkeling en goed bestuur te bevorderen. Het stimuleert landen om 27 internationale conventies te implementeren in ruil voor extra EU-handelspreferenties – met name voor textiel en kleding, plantaardige producten en bereid voedsel. De ILO-conventies 138 en 182 maken onderdeel uit van het APS+.

Het kabinet verwacht verder van Nederlandse bedrijven dat zij de OESO-Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen3 naleven, en zodoende mensenrechtenschendingen zoals kinderarbeid in hun internationale productieketens voorkomen of aanpakken. Het Nederlandse bedrijfsleven zet nu al stappen vooruit op het gebied van due diligence en ketenverantwoordelijkheid. Het «Plan van aanpak verduurzaming Nederlandse textiel- en kledingsector»4 is hiervan een goed voorbeeld.

Schendingen van de OESO-richtlijnen, inclusief kinderarbeid, kunnen gemeld worden bij het OESO Nationaal Contactpunt. Dit biedt een mogelijkheid tot bemiddeling voor slachtoffers van schendingen. Het kabinet gaat ook gericht het gesprek aan met sectoren die bijzondere risico’s op mensenrechtenschendingen lopen, op basis van de MVO Sectorrisicoanalyse. Dit moet onder meer leiden tot MVO-convenanten. Het kabinetsbeleid op het gebied van mensenrechten in relatie tot het bedrijfsleven is in meer detail uiteengezet in het Nationaal actieplan bedrijfsleven en mensenrechten.5

Ook een blijvende inzet van het kabinet op ontwikkelingssamenwerking is belangrijk voor de bestrijding van kinderarbeid. Armoede is immers een belangrijke oorzaak van kinderarbeid. Wanneer ouders in armoede leven, zijn ze geneigd hun kinderen te laten werken in plaats van hen naar school te sturen. Gebrekkige scholing van de bevolking gaat weer ten koste van economische ontwikkeling en houdt daarmee de vicieuze cirkel van armoede in stand. Het is goed dat in de contouren van de nieuwe post-2015 ontwikkelingsagenda volop aandacht is voor «fatsoenlijk werk». Fatsoenlijk werk houdt onder meer in dat ouders een leefbaar loon betaald krijgen. Een loon dat voorziet in basisbehoeften geeft ouders de financiële ruimte hun kinderen naar school te sturen in plaats van aan het werk te zetten. Ook is positief dat de uitbanning van kinderarbeid is opgenomen in de voorgestelde Sustainable Development Goals. Subdoel 8.7 luidt: «take immediate and effective measures to secure the prohibition and elimination of the worst forms of child labour, eradicate forced labour, and by 2025 end child labour in all its forms including recruitment and use of child soldiers».

Voorstel van de initiatiefnota

De initiatiefnota stelt voor de verkoop van producten van kinderarbeid in Nederland te verbieden. Dit verbod zou volgens de initiatiefnemer verschillende vormen kunnen aannemen. Het zou een beroep kunnen doen op het strafrecht, het bestuursrecht en/of het civiel recht. Zo stelt de nota voor het verbod strafrechtelijk te koppelen aan de Wet op de economische delicten (WED), of bestuursrechtelijk aan de Wet oneerlijke handelspraktijken (Wet OHP). De initiatiefnemer pleit bovendien voor flankerende maatregelen bij het verbod, om gezinnen te compenseren die voor hun bestaan afhankelijk zijn van het werk van hun kinderen. Hieronder wordt ingegaan op de mogelijkheden die het kabinet ziet om het voorgestelde verbod in te voeren in Nederland, en wat dit voor implicaties zou hebben op EU- en WTO-niveau.

Juridisch kader – Nederland

Uit de antwoorden van de initiatiefnemer op de feitelijke vragen van de andere fracties6 blijkt dat de initiatiefnemer de voorkeur geeft aan een strafrechtelijke aanpak om het voorgestelde verbod te handhaven. De initiatiefnemer stelt voor de WED als grondslag te nemen voor het verbod. Afhankelijk van de uitwerking van het wetsvoorstel zou dit inderdaad mogelijkheden kunnen bieden.

Strafrechtelijk optreden is al mogelijk in situaties van mensenhandel op basis van artikel 273f Wetboek van Strafrecht. Kinderarbeid valt onder de definitie van mensenhandel voor zover aan de relevante elementen van de strafbaarstelling is voldaan. Dwang hoeft in geval van kinderhandel niet aangetoond te worden. Een verkoper van producten die vervaardigd zijn door kinderarbeid, zou strafbaar kunnen zijn onder artikel 273f, lid 1, sub 6 Wetboek van Strafrecht, voor zover de kinderarbeid ook als mensenhandel is aan te merken. In dit artikel worden degenen die opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander strafbaar gesteld. Ook artikel 273f WvS biedt dus aanknopingspunten voor de initiatiefnemer.

De Wet OHP, die de nota noemt als mogelijke bestuursrechtelijke grondslag voor een verkoopverbod, is bedoeld om consumenten te beschermen tegen misleidende verkoopmethoden. De bescherming van belangen van werknemers of toeleveranciers valt buiten de reikwijdte van deze regels. Deze wet zou wellicht wel toepasbaar kunnen zijn als bedrijven op hun product zouden verklaren dat dit gegarandeerd niet met kinderarbeid tot stand is gekomen. Als dat vervolgens niet het geval blijkt te zijn, wordt de consument immers misleid door de producent.

De baten van een verkoopverbod voor de producten van kinderarbeid in Nederland zouden afgewogen moeten worden tegen de lasten die de maatregel zou opleveren voor het OM, bestuursrechtelijke toezichthouders, en het bedrijfsleven.

Juridisch kader – EU

De initiatiefnota stelt: «Kinderarbeid is in alle EU-lidstaten verboden en de OESO-richtlijnen worden onderschreven door alle OESO-lidstaten. Daarmee zal aanvullende wet- en regelgeving niet verstorend zijn op de Europese interne markt.» Binnen de EU is kinderarbeid inderdaad verboden, maar er komen veel producten van buiten de EU op de markt. Overigens hebben niet alle EU-lidstaten de OESO-richtlijnen onderschreven. Hoe dan ook kan een verbod op de verkoop van producten gemaakt met kinderarbeid de handel tussen EU-lidstaten wel degelijk belemmeren. Wanneer het niet is toegestaan om een product op de Nederlandse markt te verkopen, zal dit bedrijven immers ontmoedigen om dit product in te voeren. Natuurlijk is dat ook de bedoeling van de initiatiefnemer, maar de maatregel stuit daardoor wel op het EU-recht. Artikel 34 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) verbiedt maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking. Gezien de uitleg die het EU-Hof in het verleden gaf aan artikel 34 VWEU,7 zou een verkoopverbod waarschijnlijk daarmee in strijd zijn.

Bovenstaande betekent echter niet dat het verbod niet ingevoerd zou kunnen worden. Het Europees recht biedt namelijk de mogelijkheid om handelsbelemmeringen te rechtvaardigen met verdragsrechtelijke (artikel 36 VWEU) en in de jurisprudentie van het EU-Hof ontwikkelde rechtvaardigingsgronden, mits de maatregel proportioneel is. Via deze weg is er dus ruimte om publieke belangen zoals bescherming van mensenrechten te behartigen. Of die ruimte er daadwerkelijk is hangt af van de precieze invulling van de maatregel en de doelstelling, en in het bijzonder of de maatregel aan de Europeesrechtelijke proportionaliteitstoets voldoet.

De meest voor de hand liggende rechtvaardigingsgrond is de «bescherming van de openbare orde»: het handhaven van de normen (en waarden) in de maatschappij. Enerzijds wordt het begrip «openbare orde» strikt geïnterpreteerd door het EU-Hof en zelden aanvaard als rechtvaardiging op grond van art. 36 VWEU. Anderzijds biedt de rechtspraak van het EU-Hof over de bescherming van de menselijke waardigheid en mensenrechten mogelijk een aanknopingspunt voor de rechtvaardiging van een verkoopverbod. Dit is het publieke belang dat het meest direct gediend lijkt te worden door een verkoopverbod. Uit de rechtspraak van het EU-Hof volgt dat de bescherming van mensenrechten, gekoppeld aan de openbare orde, een legitiem publiek belang is dat inbreuken op het vrij verkeer kan rechtvaardigen.8 Bovendien is het verbod op kinderarbeid opgenomen in artikel 23 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en in Richtlijn 94/33. De rechtspraak over deze specifieke rechtvaardigingsgrond is echter beperkt en levert dus geen eenduidige conclusies op. Als voorwaarde voor toelaatbaarheid van een dergelijke rechtvaardigingsgrond vereist het EU-recht een goed onderbouwde proportionaliteit. De EU stelt strikte eisen: de maatregel moet geschikt zijn om het gestelde doel te bereiken.

Juridisch kader – WTO

Een verbod op de verkoop van producten van kinderarbeid zal in WTO-context waarschijnlijk gelijk worden gesteld aan een invoerverbod, onder andere omdat uit de wetgevingsgeschiedenis blijkt dat een eventueel verbod vooral gericht is op producten uit het buitenland.

Het is mogelijk een invoerverbod in te stellen ter bescherming van de publieke moraal op grond van artikel XX(a) van de GATT (Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel, 1994). Jurisprudentie laat zien dat een bepaalde maatschappelijke voorkeur onvoldoende is om een beroep op publieke moraal als uitzonderingsgrond te rechtvaardigen. Er moet een moreel gebod in het geding zijn. Hiervoor kan onder meer worden gekeken naar de wetgevingsgeschiedenis van een land. Aan de hand van het Handvest van de Grondrechten en Richtlijn 94/33 kan aannemelijk gemaakt worden dat het verbod op kinderarbeid geldt als een moreel gebod in de EU. Daarnaast moet er een duidelijk verband zijn tussen het onderwerp van de publieke moraal en de genomen handelsmaatregel. Ook deze relatie is goed te verdedigen.

Een invoerverbod dat wordt ingesteld met een beroep op de publieke moraal mag volgens art. XX(a) GATT 1994 niet leiden tot verkapt protectionisme of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen. Hier wordt streng op getoetst.

Er moet onder meer gekeken worden of er geen goede alternatieven beschikbaar zijn voor een relatief zware maatregel als een invoerverbod. Wat betreft non-discriminatie is het uitgangspunt dat landen gelijk behandeld dienen te worden als in deze landen de omstandigheden gelijk zijn. Bovenstaande is recent bevestigd in de uitspraak van het Beroepslichaam van de WTO in de zaak tegen het handelsregime van de EU voor producten afkomstig van zeehonden. Overigens zou een invoerverbod ook door de WTO getoetst worden op proportionaliteit.

Haalbaarheid van het initiatiefvoorstel in deze vorm

De initiatiefnota zet in op een verbod op de verkoop van producten van kinderarbeid. De betreffende kinderarbeid zal meestal in het buitenland hebben plaatsgevonden, soms in afgelegen gebieden en aan het uiteinde van een lange productieketen. Om een verbod strafrechtelijk te handhaven zou allereerst vastgesteld moeten worden dat een product door kinderarbeid is vervaardigd. In de praktijk zal niet altijd een sluitend bewijs kunnen worden geleverd, temeer omdat het bewijsmateriaal in het buitenland verzameld zou moeten worden.

Zoals toegelicht in de paragraaf «Juridisch kader – EU» valt het voorstel uit de initiatiefnota te beschouwen als handelsmaatregel, vergelijkbaar met de Nederlandse inzet voor importbeperkingen in 2007–2010. Op aandringen van Nederland publiceerde de Europese Commissie in 2013 een onderzoeksrapport9 over handelsmaatregelen in de strijd tegen de ergste vormen van kinderarbeid. Het rapport was positief over de rol die handel kan spelen voor armoedeverlichting, waarmee één van de oorzaken van kinderarbeid wordt aangepakt. Het rapport signaleerde echter twee nadelen van het inzetten van handelsinstrumenten tegen kinderarbeid:

  • Terwijl handelsliberalisering economische ontwikkeling bevordert, hebben handelsbeperkingen een nadelig effect op ontwikkeling. Armoede draagt weer bij aan het voortbestaan van kinderarbeid.

  • De effectiviteit van handelsmaatregelen is twijfelachtig, want slechts ongeveer 5% van producten van kinderarbeid is bestemd voor de export. Slechts een deel van die 5% komt terecht op de EU-markt. Mochten deze producten niet meer worden toegelaten tot de EU-markt, dan is niet gezegd dat de betrokken kinderarbeid uitgebannen is. Het is ook mogelijk dat deze productie voortaan wordt afgezet in landen waar geen importbeperkingen gelden.

Mocht de Tweede Kamer besluiten het voorstel uit de initiatiefnota uit te werken, dan zou dat kunnen op de volgende manieren:

  • Het verkoopverbod van producten van kinderarbeid zoals voorgesteld door de initiatiefnemer, dat wil zeggen op nationaal niveau. Het verdient dan aanbeveling vooraf met de Europese Commissie te overleggen om te proberen een inbreukprocedure te voorkomen.

  • Een verkoop- of importverbod op EU-niveau gericht op de ergste vormen van kinderarbeid. Dit heeft evidente voordelen. Het is op dit moment niet duidelijk of een dergelijk initiatief nu meer kans van slagen heeft dan in 2007–2010. Voor de uitvoering kan als voorbeeld gekeken worden naar het voorstel voor een EU-verordening10 over conflictmineralen dat de Europese Commissie eerder dit jaar presenteerde. De Commissie stelt daarin voor een systeem van vrijwillige zelfcertificering op te zetten. De importeurs moeten dan aangeven dat zij hebben gehandeld volgens de OESO-handreiking voor ketenverantwoordelijkheid bij het betrekken van mineralen uit conflictgebieden,11 met een audit door een onafhankelijke derde en controle achteraf door de bevoegde nationale autoriteit. Mocht dit langs dezelfde lijnen uitgewerkt worden voor producten van kinderarbeid, dan is een koppeling denkbaar met de Wet oneerlijke handelspraktijken, zoals omschreven onder «Juridisch kader – Nederland».

  • Een mogelijk alternatief is om het voorstel van de initiatiefnemer te richten op verplichte due diligence in plaats van een verkoopverbod. De initiatiefnemer refereert hieraan in de antwoorden op de feitelijke vragen over zijn nota. In verschillende andere landen (Verenigd Koninkrijk, Zwitserland, Frankrijk) zijn door verschillende partijen voorstellen ontwikkeld op het gebied van verplichte due diligence dan wel verplichte rapportage. Voor zover uw Kamer besluit dit alternatief verder te verkennen, verdient het in de optiek van het kabinet aanbeveling om ook daarbij te betrekken hoe dit zich verhoudt tot de interne marktregels van de EU en de mogelijke verzwaring van de administratieve lasten die uit een dergelijke verplichting voortkomen. Het kabinet ziet het in de eerste plaats als verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om invulling te geven aan due diligence.

De initiatiefnota stelt terecht dat de invoering van een verkoopverbod op producten van kinderarbeid op korte termijn negatieve gevolgen kan hebben voor het inkomen van betrokken gezinnen. De nota stelt flankerende maatregelen voor, gericht op compensatie van getroffen gezinnen. Gezien de afstanden en de complexiteit van de productieketens zou het echter lastig zijn individuele kinderen of gezinnen te identificeren die getroffen worden door een eventueel verkoopverbod. Het ligt meer voor de hand om flankerende maatregelen te richten op gemeenschappen in plaats van individuele gezinnen. De Child Labour Free Zones-aanpak, die al door het kabinet wordt ondersteund, is hiervan een goed voorbeeld. De inzet op leefbaar loon voor de ouders gaat dan gepaard met het toegankelijk maken van onderwijs voor de kinderen. Zoals onder het kopje «Het buitenlands beleid tegen kinderarbeid» is aangegeven, heeft het kabinet in 2014 de steun aan dit programma uitgebouwd.

Welke aanvullende acties zijn mogelijk?

De praktijk van kinderarbeid is weerbarstig. We kunnen niet op onze lauweren rusten met de voortgang die is geboekt en onze ogen sluiten voor de kinderen die nog steeds onder soms erbarmelijke omstandigheden aan het werk zijn. De initiatiefnota wijst ons er terecht op dat extra inspanningen nog steeds nodig zijn. Handelsmaatregelen moeten niet bij voorbaat worden uitgesloten. Gezien de schaalvoordelen en effening van het speelveld vindt het kabinet dat de voorkeur moet worden gegeven aan handelsmaatregelen op EU-niveau. Voor alle nieuw te nemen maatregelen geldt dat deze moeten worden getoetst aan de criteria effectiviteit en proportionaliteit.

Het kabinet heeft de MVO Sectorrisicoanalyse laten uitvoeren, waarvan de resultaten de Kamer zijn toegekomen.12 Deze analyse heeft als doel om internationaal MVO en het toepassen van due diligence bij het bedrijfsleven te bevorderen. Naar aanleiding van de resultaten zal het bedrijfsleven samen met betrokken partijen tot verbeteringen op IMVO-gebied komen. In de IMVO-convenanten die worden gesloten in de sectoren waar kinderarbeid als één van de grotere risico’s is geïdentificeerd, moeten de betrokken bedrijven duidelijk maken hoe ze met deze risico’s omgaan. De verantwoordelijkheid om hier overtuigend invulling aan te geven ligt bij het bedrijfsleven. Het kabinet zal de betreffende sectoren wel aansporen creatief na te denken over mogelijkheden om kinderarbeid uit de productieketens te bannen. Als bedrijven bijvoorbeeld kunnen laten zien wat zij doen om te zorgen dat hun producten vrij van kinderarbeid zijn, dan kunnen consumenten beter geïnformeerde keuzes maken over hun aankopen.

In dit kader is het tevens van belang ruimschoots aandacht te besteden aan de voorlichting van burgers en consumenten. Consumenten moeten zich ervan bewust worden dat zij met hun aankoopgedrag bepaalde problemen kunnen helpen adresseren. Bedrijven dienen er door maatschappelijke organisaties, hun klanten en de overheid en politiek op gewezen te worden dat elke mogelijke associatie met het probleem van kinderarbeid vermeden dient te worden. Het multistakeholderproces dat wordt opgezet met de sectoren genoemd in de Sectorrisicoanalyse biedt daarvoor bij uitstek een forum.

Het kabinet ziet de volgende mogelijkheden om te bevorderen dat internationaal opererende bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen in de strijd tegen kinderarbeid:

  • Het kabinet laat een onafhankelijk onderzoek uitvoeren dat moet uitwijzen of de zorgplicht van Nederlandse bedrijven ten aanzien van MVO en mensenrechten, waaronder bescherming tegen kinderarbeid, afdoende in de wet is geregeld, dan wel dat nieuwe wetgeving nodig is. Dit onderzoek wordt momenteel aanbesteed door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC). De resultaten van het onderzoek worden verwacht in de zomer van 2015. Mogelijk levert het onderzoek nuttige inbreng op voor de initiatiefnemer.

  • Parallel aan de inzet op nationaal niveau rondom het onderzoek van het WODC en op grond van de Sectorrisicoanalyse ziet het kabinet de volgende mogelijkheden op EU-niveau:

    • o Mogelijk zijn er manieren om het APS(+) van de EU beter in te zetten tegen kinderarbeid. Landen hoeven bij toetreding geen perfecte staat van dienst te hebben. Wel moeten ze zich na toetreding extra inzetten om te voldoen aan de eisen die de conventies stellen, en zijn ze gebonden aan rapportage-eisen. De rapportage-eisen bieden de mogelijkheid voor scherp toezicht.

    • o Nederland blijft zich inzetten voor brede onderschrijving van zowel de OESO-richtlijnen als de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Het kabinet zal extra aandacht besteden aan zowel MVO als mensenrechten en bedrijfsleven in het kader van het Nederlandse EU-voorzitterschap in de eerste helft van 2016.

    • o De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zal met de nieuw aangetreden Europees Commissaris voor Handel in gesprek gaan over de innovatieve aanpak van de Sectorrisicoanalyse en over de eerbiediging van mensenrechten, waaronder bescherming tegen kinderarbeid, door het Europese bedrijfsleven. De Minister zal met de Commissaris van gedachten wisselen over de mogelijkheden om de inzet tegen kinderarbeid op EU-niveau te versterken.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen


X Noot
2

Wereldwijd is het aantal kinderen betrokken bij kinderarbeid sinds 2000 met een derde afgenomen, van 246 tot 168 mln. Meer dan de helft hiervan, 85 miljoen, werkt onder gevaarlijke omstandigheden (171 mln in 2000).

X Noot
6

Kamerstuk 33 963, nr. 4.

X Noot
7

Zie EU-Hof van Justitie, zaak 8/74, Dassonville, waarin het EU-Hof heeft bepaald dat «iedere (handels)regeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren» als maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking wordt gezien.

X Noot
8

Zie EU-Hof van Justitie, zaak C-36/02, Omega Spielhallen met betrekking tot het vrij verkeer van diensten.

X Noot
10

Zie het BNC-fiche: Kamerstuk 22 112, nr. 1853.

X Noot
12

Kamerstuk 26 485, nr. 197.