I
Artikel 16.43 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden:
Artikel 16.43 (voornemen, kennisgeving en participatie)
2. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
-
2. Het bevoegd gezag geeft zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op het moment dat het
toepassing geeft aan artikel 16.44, kennis van het voornemen tot:
-
a. het aanvragen van een besluit als bedoeld in artikel 16.41, eerste lid, waarvoor een
milieueffectrapport moet worden gemaakt,
-
b. het nemen van een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in artikel 16.41, eerste
lid, waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
-
3. Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing
op de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, waarbij een ieder in de gelegenheid
wordt gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. De zienswijzen kunnen alleen betrekking
hebben op de gewenste reikwijdte en het gewenste detailniveau van de informatie die
op grond van de maatregel, bedoeld in artikel 16.50, eerste lid, in het milieueffectrapport
moet worden opgenomen.
II
Artikel 16.44 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «Op verzoek van de aanvrager om een besluit brengt het bevoegd
gezag» vervangen door: Het bevoegd gezag brengt.
2. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
-
2a. Het bevoegd gezag raadpleegt voor een ambtshalve te nemen besluit de bestuursorganen
en instanties, bedoeld in artikel 16.34, vijfde lid, onder a en b, over de reikwijdte
en het detailniveau van de informatie voor het milieurapport.
Alle evaluaties van besluitvormingsprocedures, waaronder die van de «sneller en beter»-aanpak
van de Commissie Elverding, wijzen uit dat vroege participatie van stakeholders het
draagvlak voor plannen en projecten vergroot en daarmee het proces van besluitvorming
versnelt. Daarom wordt met dit amendement bepaald dat het bevoegd gezag altijd een
advies uitbrengt over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die het
MER dient te bevatten, zoals in de huidige procedures ook geregeld is, en dat de mogelijkheid
wordt geboden om bij een project met mogelijk aanzienlijke gevolgen voor de leefomgeving
zienswijzen in te dienen over de gewenste reikwijdte en het gewenste detailniveau
van de informatie die het milieueffectrapport (MER) voor dat project dient te bevatten.
Door de toevoeging aan het slot van het tweede lid van de zinsnede «waarvoor een milieueffectrapport
moet worden gemaakt», is duidelijk dat dit lid alleen van toepassing is als het een
besluit als bedoeld in artikel 16.41, eerste lid, onder a of onder b, betreft waarvoor
is beslist dat een MER gemaakt moet worden. Als het bevoegd gezag pas na de aanvraag
een beslissing neemt over de vraag of er een milieueffectrapport moet worden gemaakt,
wordt de aanvraag op grond van artikel 16.47, vierde lid, afgewezen als er een MER
gemaakt moet worden. Er zal dan een nieuwe aanvraag gedaan moeten worden, waarbij
artikel 16.43, tweede lid, vervolgens wel van toepassing is.
Door belanghebbenden op serieuze wijze te betrekken, kan weerstand mogelijk worden
weggenomen en draagvlak voor het project worden vergroot. Omdat in het beginstadium
vaak niet duidelijk is wie als belanghebbend moet worden aangemerkt, is er voor gekozen
om een ieder in de gelegenheid te stellen zienswijzen in te dienen. Dit voorkomt dat
een besluit waarvoor een project-mer wordt voorbereid en waartegen beroep openstaat
bij de rechter, onderuit gaat wegens het meenemen van een zienswijze van een niet-belanghebbende
of het niet meenemen van een zienswijze van een belanghebbende bij het advies over
de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die het MER dient te bevatten.
In geval er sprake is van een projectbesluit waarvoor een verkenning wordt doorlopen
op grond van artikel 5.46, wordt een ieder op grond van artikel 5.45, derde lid, in
de gelegenheid gesteld om mogelijke oplossingen voor de opgave voor te dragen. In
geval voor dit project ook een MER moet worden gemaakt, kan de zienswijze over de
mogelijke oplossingen gelijk opgaan met de in dit amendement voorgestelde procedure
voor de zienswijzen met betrekking tot de reikwijdte en het detailniveau van de MER.