Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 oktober 2014
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wet Langdurige Zorg (Wlz) van dinsdag
23 september jl. in de Tweede Kamer is gesproken over ca. 14.000 cliënten die een
zogenaamde extramurale indicatie hebben, maar een zodanige zorgzwaarte dat ze, naar
alle waarschijnlijkheid, een beroep kunnen doen op de Wlz. Ik vind het belangrijk
dat deze volwassenen en kinderen met een zware zorgvraag niet onnodig worden belast
door de veranderingen. De zorg die voor deze mensen noodzakelijk is en blijft, is
immers in nagenoeg alle gevallen tot stand gekomen na een intensieve en soms langdurige
zoektocht om passende zorg te bewerkstelligen. Ik kan mij voorstellen dat de cliënten,
ouders en verwanten zich zorgen maken over de vraag of het vaak kwetsbare evenwicht
wat nu is bereikt onnodig wordt verstoord. Het feit dat ook onder de huidige wetgeving
tal van uitzonderingen en voorzieningen zijn getroffen voor deze groep is een teken
dat wij ook in het nieuwe systeem moeten borgen dat passende zorg gewaarborgd is.
Dat is in de diverse wetten ook wettelijk verankerd. Het komt er nu op aan ook bij
de uitvoering daarvan het uitgangspunt «van systemen naar mensen» als leidraad te
nemen.
In mijn brief van 9 september jl.1 heb ik beschreven dat het om twee groepen gaat. Het betreft circa 4.000 kinderen
en jongvolwassenen waarvoor wordt geregeld dat zij kunnen opteren voor Wlz-zorg. Deze
cliënten krijgen een brief van het CIZ, waarmee zij rechtstreeks kunnen instromen
in de Wlz. Indien de cliënt hiervoor kiest dan wordt de huidige indicatie administratief
omgezet naar een indicatie voor de Wlz. In 2015 volgt een reguliere (her)indicatietraject.
Daarnaast gaat het om een groep van 10.000 cliënten (kinderen en volwassenen) waarvoor
een zorgvuldige instroom in de Wlz gedurende 2015 gerealiseerd moet worden, ervan
uitgaande dat voldaan wordt aan de toegangscriteria van de Wlz. Ter uitvoering van
de motie Leijten/Bergkamp (33 891, nr. 92) en mijn toezegging aan de Tweede Kamer is afgelopen week in een werkgroep met alle
partijen bezien op welke wijze deze cliënten zo soepel, snel en zorgvuldig mogelijk
kunnen instromen in de Wlz, waarbij ook is gekeken naar het realiseren van één aanspreekpunt.
Hierbij is ook meegewogen dat cliënten zorg ontvangen via een pgb, zorg-in-natura
of een combinatie. Tevens is gesproken over een meldpunt. Per Saldo en Ieder(in) zullen
dit laatste met (financiële) ondersteuning van mijn ministerie inrichten. Ook is met
de VGN de afspraak gemaakt dat de betrokken zorgaanbieders en specifiek de kinderdagcentra
worden geïnformeerd.
Ten aanzien van de groep van 10.000 cliënten is geconstateerd dat het tijdelijk onderbrengen
van deze cliënten onder de Wmo 2015, Jeugdwet en Zvw wel mogelijk is, maar altijd
in ieder geval financiële en administratieve consequenties heeft voor deze cliënten.
Zo verschillen bijvoorbeeld de eigen bijdrage in de Wlz met die van de Wmo 2015, Jeugdwet
en Zvw (geen eigen risico voor verpleging en verzorging). Of zullen de verantwoordingseisen
of uitvoering bij de verschillende pgb-regelingen wel veel op elkaar afgestemd kunnen
worden, maar niet volledig. Cliëntenorganisaties hebben in de werkgroep erop aangedrongen
om te streven naar geen enkele verandering voor deze groep mensen, omdat het een tijdelijke
situatie betreft: instroom in de Wlz volgt, ervan uitgaande dat wordt voldaan aan
de toegangscriteria van de Wlz, uiterlijk per 1 januari 2016. Ik wil graag gehoor
geven aan dit verzoek en duidelijkheid bieden voor deze cliënten.
Na intensief overleg met onder andere Per Saldo, Ieder(in), VCSA, VGN, VNG, ZN en
CIZ kom ik tot de conclusie dat voor de groep van 10.000 cliënten, zoals omschreven
in mijn brief van 9 september jl. het overgangsrecht van Wlz van toepassing kan worden
gebracht. Ook deze cliënten krijgen een brief van het CIZ, waarmee zij rechtstreeks
kunnen instromen in de Wlz. Indien de cliënt hiervoor kiest dan wordt de huidige indicatie
administratief omgezet naar een indicatie voor de Wlz. In 2015 volgt een reguliere
(her)indicatietraject.
Ook de VNG en ZN vinden het belangrijk dat de cliënten niet onnodig tijdelijk onder
Wmo 2015 of Zvw komen te vallen. Ik ben in overleg met de VNG en ZN op welke wijze
het beste aan de uitwerking vorm kan worden gegeven. Onderbrenging in de Wlz betekent
immers dat zorg uit de Wlz betaald gaat worden, waarvan eerder voorzien was dat deze
vanuit de Wmo 2015, Jeugdwet of Zvw bekostigd zou worden. Overigens betreft het een
verschuiving van middelen, waarbij de vermindering van budgetten voor gemeenten en
verzekeraars uiteraard wordt gevolgd door minder cliënten die een beroep doen op de
Wmo 2015, Jeugdwet en Zvw. Daar waar een en ander juridische en/ of financiële consequenties
heeft voor reeds afgesloten contracten, treed ik in overleg met de VNG. In de definitieve
aanwijzing contracteerruimte Wlz, die uw Kamer binnenkort ontvangt, zal ik aangeven
met hoeveel middelen de contracteerruimte Wlz wordt opgehoogd en hoe dit in samenspraak
met VNG en ZN zal worden verrekend.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.J. van Rijn