Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433880 nr. 3

33 880 Initiatiefnota van het lid Jadnanansing «Elke mbo’er een goede stage; borging stagebegeleiding en stagegarantie bij het mbo»

Nr. 3 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 juni 2014

In 2013 verlieten 168.800 studenten met diploma het middelbaar beroepsonderwijs. De instroom van deze studenten op de arbeidsmarkt is van vitaal belang voor onze kenniseconomie. Het is daarom cruciaal dat zij door middel van hun opleiding in staat worden gesteld uit te groeien tot volwaardig vakman of -vrouw. Een belangrijk deel van deze vorming gebeurt in de beroepspraktijkvorming waarmee studenten het vak in de vingers krijgen. Een goede en efficiënte organisatie van de beroepspraktijkvorming is dan ook noodzakelijk. Kamerlid Jadnanansing stelt in haar initiatiefnota dat dit in de praktijk niet altijd het geval is. Met deze brief geef ik een reactie op haar initiatiefnota (Kamerstuk 33 880, nr. 2).

In de initiatiefnota worden twee problemen geschetst binnen de beroepspraktijkvorming. Allereerst wordt gesteld dat er sprake is van een kwantitatief stageprobleem, anders gezegd: er is sprake van een stagetekort.

Bovendien kunnen als gevolg van het stagetekort, studenten niet heel kritisch zijn als zij dan wel een stage vinden. Een student moet gedurende zijn stage in staat worden gesteld daadwerkelijk de benodigde vaardigheden aan te leren. Dit betekent dat hij goede begeleiding nodig heeft zowel vanuit het bedrijf als vanuit de instelling. De initiatiefnota stelt dat het aan dit laatste punt echter dikwijls ontbreekt: de begeleiding vanuit de mbo-instelling laat vaak te wensen over.

Het is inderdaad zeer problematisch wanneer een student geen bpv-plek kan vinden. In de eerste plaats voor de student zelf, want hij/zij loopt immers vertraging op en verliest daardoor mogelijk ook studiemotivatie. Maar ook voor het bedrijfsleven en de instellingen is deze situatie ongewenst. Een student zonder bpv behaalt geen diploma en kan daarmee voortijdig schoolverlater worden. Op dit moment kent het stelsel nog geen financiële prikkel voor scholen om studenten hun studie voorspoedig te laten doorlopen. Hierin komt verandering met de voorgenomen invoering van de cascadebekostiging voor het mbo. Deze vorm van bekostiging brengt een extra prikkel met zich mee om studenten goed te begeleidingen bij het vinden van een bpv-plek. En dat is goed, want Nederland kan nu eenmaal niet draaien zonder goedgeschoolde mbo’ers, zonder vakmanschap. Ik waardeer het dan ook dat het lid Jadnanansing haar zorgen hierover uit en deel haar mening dat voldoende bpv-plekken van kwaliteit van groot belang is. In de afgelopen periode heb ik daarom al enkele maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat meer studenten op eenvoudiger wijze een stage kunnen vinden, zoals via het stage- en leerbanenoffensief met o.a. het meldpunt Stagetekorten en stagemarkt.nl waar studenten en bedrijven elkaar beter kunnen vinden. Sectoren waarin tijdelijk een tekort is aan bpv-plekken, kunnen gebruik maken van de mogelijkheid een sectorplan in te dienen. Om sectoren te stimuleren bpv-plekken aan te bieden, kan ook gebruik worden gemaakt van de Subsidie praktijkleren.

Bovendien voeren instellingen in het kader van het programma School Ex begeleidings- en ombuiggesprekken met studenten om ze langer te laten doorstuderen of te laten kiezen voor een studie met een beter stage- en arbeidsmarktperspectief.

En ten slotte zijn de kenniscentra op dit moment bezig met het verruimen van erkenning bij reeds erkende leerbedrijven; zij onderzoeken of reeds erkende leerbedrijven voor meer kwalificaties erkend kunnen worden. Kortom: er gebeurt op dit moment al heel veel.

Voordat ik verdere maatregelen neem, vind ik het van belang eerst het stagetekort beter in beeld te krijgen. Ik hoor verschillende geluiden over de omvang en aard van de stageproblematiek en die is wel bepalend voor de noodzaak nieuwe maatregelen te treffen. Het meldpunt Stagetekorten speelt hierin een belangrijke rol. Dit meldpunt verzamelt alle meldingen over stagetekorten. In oktober 2013 is via de Stagebarometer van de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven voor het laatst een stand van zaken gegeven over het aantal meldingen. Ik wil hierop echter meer gaan sturen en zal de SBB dan ook vragen mij vaker te informeren. Daarbij is van belang dat we namen en rugnummers hebben, zodat we precies in kaart kunnen brengen waar daadwerkelijk sprake is van een probleem. Wanneer vooral bepaalde sectoren of regio’s geraakt worden door een stagetekort, is maatwerk nodig. Mocht blijken dat het probleem niet regionaal of sectoraal is bepaald en daarmee tot een landelijke aanpak noopt, dan ga ik verder kijken naar welke oplossingen het probleem nodig heeft.

Een stagegarantie zie ik vooralsnog echter niet als een optie. Zonder de noodzakelijke praktijkervaring is een student niet klaar voor de arbeidsmarkt en kan dus niet een goede werknemer zijn voor zijn of haar (toekomstige) werkgever. Het is dan ook aan alle partijen om zich verantwoordelijk te weten voor de bpv. Instellingen zijn inderdaad verantwoordelijk voor het vinden van bpv-plekken, zoals vastgelegd in artikel 7.2.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Hiervoor zijn zij echter wel afhankelijk van het bedrijfsleven en de kenniscentra voor het daadwerkelijke bestaan van bpv-plekken. Een stagegarantie lost het probleem van een stagetekort dus niet op omdat hiermee de bal eenzijdig wordt gelegd bij de instellingen en niet alle partijen tezamen worden gestimuleerd hun verantwoordelijkheid te nemen, zoals onder meer via de aangepaste bekostiging van het mbo zal gebeuren.

Bovendien kan het ook tot verkeerde prikkels bij een instelling leiden. Wanneer een instelling de student een stagegarantie moet bieden, zal zij geen studenten aannemen voor opleidingen met een stagetekort, ook wanneer het om opleidingen gaat met een goed arbeidsmarktperspectief. Hierbij valt te denken aan de bouw of zorg, waarin een tekort is aan bpv-plekken, maar waarvan we nu al weten dat in die sectoren in de toekomst wel degelijk arbeidskrachten nodig zijn. We moeten juist zien te voorkomen dat opleidingen geen of minder studenten aannemen waardoor de arbeidsmarkt later met een tekort aan vakkrachten wordt geconfronteerd. In uitzonderlijke gevallen moet het daarom mogelijk zijn de student een vervangende praktijkopdracht aan te bieden. Mijn voorkeur gaat zeker niet hiernaar uit; het is voor iedere student nu eenmaal leerzamer om daadwerkelijk in de praktijk ervaring op te doen, op een echte werkvloer tussen mogelijk toekomstige collega’s. Maar in een zeer uitzonderlijk geval is het een tijdelijke, aanvaardbare oplossing. Daarom kunnen sectoren die door de crisis tijdelijk niet genoeg bpv-plekken kunnen aanbieden, onder zeer strikte voorwaarden gebruik maken van de tijdelijke crisismaatregel uit het stage- en leerbanenoffensief. Dit is echter geen langetermijnoplossing. Daarvoor is van belang dat alle partijen zich, zoals in de wet helder is vastgelegd, houden aan hun verantwoordelijkheid en zich gezamenlijk inspannen voor een afdoende bpv-aanbod van kwaliteit. Voor sectoren mét een arbeidsmarktperspectief maar waarin sprake is van een gebrek aan bpv-plekken doe ik een dringend beroep aan het bedrijfsleven om de handschoen op te pakken en zijn bijdrage te leveren aan het creëren van meer bpv-plekken.

Indien een gebrek aan bpv-plekken echter een indicatie is voor de afwezigheid van voldoende arbeidsmarktperspectief, verwacht ik van instellingen dat zij in het opleidingenportfolio hiermee rekening houden. Een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt moet door de instellingen in samenwerking met andere instellingen en het bedrijfsleven worden geborgd. De zorgplicht arbeidsmarktperspectief verplicht instellingen alleen opleidingen aan te bieden als er na beëindiging van de opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief is voor de deelnemers. Studenten moeten niet opgeleid worden voor banen die er niet zijn. Opleidingen moeten nog voor het moment van intake van studenten weten hoeveel daadwerkelijke bpv-plekken er zijn voor hun toekomstige studenten. De indicator Kans op stage van de SBB kan daarbij behulpzaam zijn. Op deze wijze kan de instroom van opleidingen met beperkt arbeidsmarktperspectief bijvoorbeeld verminderd worden. Met het wetsvoorstel macrodoelmatigheid, dat uw Kamer nog voor de zomer zal bereiken, schep ik de verplichtingen voor onderwijsinstellingen aan om te komen tot een zo goed mogelijke aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

Naast het stagetekort brengt de initiatiefnota ook de kwaliteit van de bpv onder de aandacht. Behalve een goede match tussen het aantal bpv-plekken en het aantal studenten, moet ook de kwaliteit van de bpv op orde zijn. Leert een student wel echt wat hij moet leren? En gebeurt dit in een stimulerende omgeving met goede begeleiding vanuit zowel het bedrijf als de instelling?

De afgelopen jaren hebben enkele onderzoeken aangetoond dat de kwaliteit van de bpv soms te wensen overlaat. Mbo-studenten zijn vaak ontevreden over de begeleiding die zij vanuit hun opleiding krijgen. Uit enquêtes blijkt bijvoorbeeld dat een kwart van de studenten ontevreden is over de hoeveelheid begeleiding. Kamerlid Jadnanansing stelt voor dat de Inspectie van het Onderwijs mbo-opleidingen en leerbedrijven, mede op grond van de BPV-monitor, actief moet controleren op de kwaliteit van de stagebegeleiding vanuit de opleiding en de werkvloer van het leerwerkbedrijf.

Ik ben inderdaad voornemens de BPV-monitor in te zetten om een beter beeld te krijgen van de kwaliteit van de BPV. Ik wil dat realiseren door deze BPV-monitor op te nemen in de Kwaliteitsafspraken om op die wijze de kwaliteit van de BPV beter te kunnen meten. Hierover heb ik u reeds geïnformeerd op 16 december jl. met de brief Kwaliteitsafspraken mbo (Kamerstuknummer 31 524-189). Door middel van de BPV-monitor kan op schoolniveau worden bezien hoe tevreden studenten en leerbedrijven zijn over de begeleiding vanuit de instelling. Hiermee kunnen we ook de vorderingen volgen.

Binnen haar toezichthoudende taak ziet de Inspectie van het Onderwijs onder andere erop toe of instellingen voldoende begeleiding bieden en voldoende zicht hebben op de BPV binnen de leerwerkbedrijven. In de toekomst zal de Inspectie hiervoor, zoals de initiatiefnota verzoekt, gebruik gaan maken van de data die voortkomen uit de BPV-monitor.

Toekomstige vakmannen en vakvrouwen ontstaan op de werkvloer. Daar waar zij in aanraking komen met het vak en kunnen ervaren hoe het is om echt in de dagelijkse praktijk te werken. Alleen zo kunnen zij zich ontwikkelen tot de vakmensen van de toekomst. Om dit te kunnen realiseren moeten we als samenleving samen de handschoen oppakken. Met de huidige maatregelen, een analyse van de daadwerkelijke problematiek en, wanneer nodig, het daarop aansluitende pakket aan maatregelen wil ik de juiste randvoorwaarden scheppen. Het is aan instellingen, het bedrijfsleven en de studenten om hiermee aan de slag te gaan.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker