Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433861 nr. 5

33 861 Wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten in verband met de uitbreiding van de mogelijkheden om ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren disciplinaire maatregelen op te leggen en tevens andere maatregelen te treffen

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 31 maart 2014

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

INHOUDSOPGAVE

1.1

Algemeen

1

1.2

Instrumentarium bij ongeoorloofd gedrag en anderszins ongewenste situaties

2

1.3

Nieuwe maatregelen

3

1.4

Verklaring omtrent het gedrag (VOG)

6

1.5

Adviezen

6

     

2

Artikelsgewijs

7

1.1 Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben vol enthousiasme kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Zij zijn van mening dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van het grootste belang is voor de rechtstaat. Slecht functionerende rechters zijn schadelijk voor het aanzien van de rechterlijke macht en vormen daarmee een gevaar voor de rechtstaat. Daarom moet het mogelijk zijn disciplinaire maatregelen tegen hen te nemen, zonder daarbij de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aan te tasten. Het uitgangspunt is dan ook terecht dat het de rechterlijke macht zelf is die over de rechters oordeelt. Deze leden merken op dat de rechterlijke onafhankelijkheid zich niet verzet tegen het uitbreiden van het tuchtrechtelijke instrumentarium. Reeds bij de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2011 hebben de leden van de VVD-fractie opmerkingen gemaakt over het verruimen van de mogelijkheden van sancties tegen rechters. Deze leden danken de regering voor het feit dat deze opmerkingen uiteindelijk tot indiening van dit wetsvoorstel hebben geleid. Zij hebben enkele vragen over het wetsvoorstel en overwegen een aantal amendementen in te dienen.

Voornoemde leden vragen wat de gevolgen zijn van een recente uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de onafhankelijkheid van rechters, te weten de zaak Volkov vs. Oekraïne (EHRM 9 januari 2013, LJN BZ6183). In deze uitspraak geeft het EHRM criteria waaraan het tuchtrecht voor rechters moet voldoen. Het tuchtrecht in de Oekraïne kent drie sancties, namelijk waarschuwing, schorsing of ontslag. Hiermee voldoet de Oekraïne niet aan de proportionaliteitseis, aldus het EHRM. Deze eis komt erop neer dat er voldoende mogelijkheden voor sancties moeten bestaan. De leden van de VVD-fractie constateren dat het te introduceren arsenaal aan sancties in het onderhavige wetsvoorstel vergelijkbaar is met het Oekraïense tuchtrecht. Oekraïne is voorts door het EHRM op de vingers getikt wegens het ontbreken van een verjaringstermijn, die ook lijkt te ontbreken in het Nederlandse stelsel. Is de regering van mening dat het wetsvoorstel desondanks voldoet aan de vereisten van de jurisprudentie van het EHRM, met name die uit de zaak-Volkov vs. Oekraïne? Hoe denkt de regering dat het EHRM zou oordelen over bovengenoemde aspecten in het Nederlandse tuchtrecht, mocht het wetsvoorstel in deze vorm in het Staatsblad verschijnen?

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij zijn van mening dat met de voorgestelde uitbreiding van het instrumentarium tegen rechters die ongeoorloofd gedrag vertonen, sancties kunnen worden opgelegd die kunnen bijdragen aan het corrigeren en voorkomen van dat gedrag. Deze leden hebben slechts op een enkel punt vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie zijn verheugd over het onderhavige wetsvoorstel. Zij hebben al langer gepleit voor verruiming van de disciplinaire maatregelen voor de rechterlijke macht. Deze leden hebben nog wel een aantal kritische opmerkingen en vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van bovengenoemd wetsvoorstel. Zij onderschrijven het voornemen van de regering om het instrumentarium aan disciplinaire maatregelen ten aanzien van rechterlijke ambtenaren te verruimen, gelet op de huidige beperkte mogelijkheden. Krachtens de thans geldende Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) kan aan rechterlijke ambtenaren die ongeoorloofd gedrag vertonen nu een schriftelijke waarschuwing óf strafontslag worden gegeven. Deze leden zijn echter van mening dat de regering middels onderhavig wetsvoorstel het aantal disciplinaire maatregelen niet substantieel uitbreidt. Er komt slechts één mogelijkheid bij, te weten een schorsing voor een maximum duur van drie maanden. Wel worden er nog vier orde- en sturingsmaatregelen toegevoegd, te weten overplaatsing naar een ander gerecht, inhouden van bezoldiging bij niet-verrichtte werkzaamheden en het spoedshalve buiten functie stellen. Voornoemde leden nog enkele vragen over het wetsvoorstel.

1.2 Instrumentarium bij ongeoorloofd gedrag en anderszins ongewenste situaties

De leden van de SP-fractie vinden het logisch dat tijdens de functioneringsgesprekken met rechtelijke ambtenaren ook wordt gesproken over eventueel ongeoorloofd gedrag of ongewenste situaties. De vraag blijft echter in hoeverre ook op kwaliteit van de rechtspraak kan c.q. wordt getoetst bij deze functioneringsgesprekken. Deze leden hebben hiertoe al meerdere malen voorgesteld in de gerechten interne toetsingscommissies aan te stellen die systematisch het werk van de onderscheidene rechters onder de loep nemen.

Op welke manieren kan gebrek aan kwaliteit voorts leiden tot het opleggen van een disciplinaire maatregel?

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering meer inzicht kan verschaffen in welke mate in de rechtspraktijk sprake is van een gebrek aan voorhanden disciplinaire maatregelen. Enerzijds blijkt uit reacties van de Hoge Raad, de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (OM), de procureur-generaal bij de Hoge Raad en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) dat er behoefte is aan een uitbreiding van de disciplinaire mogelijkheden. Anderzijds lijken de door de Rvdr gepubliceerde cijfers geen aanleiding te vormen voor een uitbreiding van het instrumentarium. Deze leden wijzen op een brief van de Rvdr waaruit blijkt dat in de periode 2001–2011 slechts in acht gevallen een schriftelijke waarschuwing is gegeven. Het ging daarbij om onprofessioneel gedrag (driemaal, waarvan twee maal dezelfde rechter), ongewenste intimiteiten en onprofessioneel gedrag (eenmaal), misdragingen (ook buiten werktijd) / ongewenste intimiteiten (eenmaal), ondermaatse kwaliteit van het werk (eenmaal), alcoholgebruik en openbare dronkenschap (eenmaal) en schending van het ambtsgeheim (eenmaal). Uit het jaarverslag van 2011 van de Rvdr blijkt verder dat in 2011 ook eenmaal een schriftelijke waarschuwing is gegeven op twee gronden, namelijk vanwege de verwaarlozing van de waardigheid van het ambt, de ambtsbezigheden of de ambtsplichten en vanwege de overtreding van het verbod zich in een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen of hun advocaten of gemachtigden of een bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen. In 2012 zijn geen besluiten genomen waarbij een disciplinaire maatregel is opgelegd. Eenmaal is een rechterlijk ambtenaar op eigen verzoek (vervroegd pensioen) ontslagen. Het ging hier om een combinatie van werk- en privé gerelateerde factoren.

De leden van de CDA-fractie willen benadrukken dat zij ieder geval van ongeoorloofd gedrag er één teveel vinden, maar vragen de regering of zij de mening deelt dat in kwantitatief opzicht bovenstaande cijfers op zich zelf geen reden tot zorg zijn. Kan de regering uiteenzetten hoe de wens voor meer disciplinaire maatregelen zich verhoudt met bovenstaande kwantitatieve gegevens over ongeoorloofd gedrag van rechtelijke ambtenaren? Heeft de regering het verslag van de Werkgroep Stevens tot haar beschikking gehad bij de voorbereiding van onderhavig wetsvoorstel? Zo ja, kan de regering dit verslag aan de Kamer doen toekomen?

1.3 Nieuwe maatregelen

De leden van de VVD-fractie zijn verheugd dat de regering het rapport van de Werkgroep disciplinaire tussenstappen (werkgroep Stevens) ook zorgvuldig heeft bestudeerd. Zij trekken als conclusie uit dit rapport dat er momenteel onvoldoende disciplinaire maatregelen zijn. Deze leden zijn verheugd met de uitbreiding van de mogelijkheden rechters te kunnen overplaatsen, salaris te kunnen inhouden of op non-actief te stellen. Wel constateren zij dat dit slechts orde- of sturingsmaatregelen zijn. Ordemaatregelen zijn organisatorisch, niet berispend. Is het mogelijk de ordemaatregelen uit het wetsvoorstel tevens als disciplinaire maatregel op te leggen? De ordemaatregel kan blijven bestaan, het aantal disciplinaire maatregelen wordt simpelweg uitgebreid. Deze leden vragen de regering dit alsnog mogelijk te maken.

Daarnaast hebben de aan het woord zijnde leden nog meer ideeën over mogelijke tuchtrechtelijke maatregelen. Het is hen ter ore gekomen dat sommige rechters slechts werk leveren voor een halve fte, terwijl ze voor een volle fte in dienst zijn en betaald worden. Is het mogelijk hen in zulke gevallen voor een halve fte te betalen? Wat vindt de regering van de mogelijkheid van demotie van de Hoge Raad naar een gerechtshof, van het hof naar de rechtbank of van een senior raadsheer/rechter naar «gewoon» raadsheer/rechter. Is het voorts wenselijk deze maatregelen zowel voorwaardelijk als onvoorwaardelijk op te kunnen leggen? Hoe kijkt de regering aan tegen de mogelijkheid de genomen maatregelen te publiceren met naam in het kader van naming and shaming en zonder naam als waarschuwing voor anderen? Dit kan ook het vertrouwen in de rechterlijke macht versterken, omdat zichtbaar is dat opgetreden wordt als er iets niet goed gaat.

Graag geven de aan het woord zijnde leden een concreet voorbeeld. Het is belangrijk dat rechters volgens de regels volledig zijn in het vermelden van hun nevenfuncties. Stel nu dat een rechter hierin tekortschiet. Na er op te zijn aangesproken, persisteert de desbetreffende rechter in zijn tekortkoming. Welke maatregel acht de regering dan gepast teneinde deze rechter tot de orde te roepen? Hoe waarborgt zij dat de disciplinaire sanctie, in dit geval en in andere gevallen, daadwerkelijk wordt opgelegd? Mocht zich een situatie voordoen waarbij een president van een rechtbank niet de benodigde maatregelen neemt teneinde een slecht functionerende rechter tot de orde te roepen, wie spreekt de desbetreffende president dan hierover aan? Mocht hier een taak voor de Hoge Raad liggen, is de regering dan bekend met de bestaande onvrede over de inactiviteit van de procureur-generaal van de Hoge Raad op dit punt?

De leden van de VVD-fractie geven graag ter verduidelijking van bovenstaande schematisch weer op welke wijze zij het tuchtrecht graag voor zich zien. Zij willen dat de orde- en sturingsmaatregelen ook als disciplinaire maatregel kunnen worden opgelegd en willen daarnaast nog enkele nieuwe disciplinaire maatregelen introduceren. Het moet mogelijk worden alle maatregelen zowel voorwaardelijk als onvoorwaardelijk op te leggen. Ook moet het mogelijk worden de genomen maatregelen te publiceren. In totaal komt het arsenaal van disciplinaire maatregelen dan uit op:

  • Mondelinge waarschuwing;

  • Schriftelijke waarschuwing;

  • Berisping door de president;

  • Berisping door de Hoge Raad;

  • Inhouden van bezoldiging, wanneer werk niet naar behoren wordt verricht;

  • Inhouden van bezoldiging, wanneer werk niet wordt of kan worden verricht;

  • Overplaatsing binnen het gerecht;

  • Overplaatsing naar een ander gerecht;

  • Demotie van de Hoge Raad naar het gerechtshof, van het hof naar de rechtbank of van senior raadsheer/rechter naar «gewoon» raadsheer/rechter;

  • Spoedshalve buiten functie stellen;

  • Schorsing;

  • Ontslag.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat er is afgezien van het toevoegen van financiële sancties als disciplinaire maatregel. Daar waar het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wel in dergelijke sancties voorziet, acht de regering die voor rechters niet wenselijk omdat – kortweg – lichte sancties niet het beoogd effect sorteren en zware financiële sancties de onafhankelijkheid van de rechter in gevaar zouden kunnen brengen. Deze leden achten deze argumentatie niet overtuigend. Waarom zou een lichte financiële sanctie voor de desbetreffende rechter geen signaal zijn dat zijn gedrag niet getolereerd wordt? Waarom is dat bij een rijksambtenaar anders? Waarom kan een mondelinge of schriftelijke waarschuwing een rechter wel corrigeren en een financiële sanctie niet?

De leden van de SP-fractie zien de noodzaak in van de procedure tot buitenfunctiestelling als lang moet worden gewacht op de uitkomst van een schorsingsverzoek. Een procureur-generaal kan hier zelfs ambtshalve toe overgaan. Welke consequenties verbindt de regering aan een eventuele afwijzing van een schorsingsverzoek, wat ertoe leidt dat buitenfunctiestelling achteraf niet had mogen worden toegepast?

Deze leden kunnen de redenering van de regering tot op zekere hoogte volgen bij de toelichting ten aanzien van de ongewenstheid van een financiële berisping. De bezoldigingsregels worden uitsluitend vastgesteld door de wetgever, niet door derden. Toch willen zij weten op welk risico de regering doelt als het gaat om deze financiële berisping en de inmenging van anderen dan de wetgever in de bezoldigingsregels. Vooral gezien het feit dat bij de schorsingsmaatregel door de wetgever de mogelijkheid wordt geboden over te gaan tot het inhouden van loon. Dit laat immers ook een mate van beleidsvrijheid over aan de Hoge Raad. Hoe staan deze uitgangspunten in relatie tot elkaar, zo vragen zij de regering.

De aan het woord zijnde leden constateren dat naast overplaatsing binnen een gerecht ook de mogelijkheid wordt gecreëerd een gerechtelijke ambtenaar over te plaatsen naar een ander gerecht. Zij vinden het goed dat deze extra mogelijkheid is gecreëerd, maar willen wel weten hoe de uitvoering in de praktijk zal zijn. Hoe wordt voorkomen dat iemand wordt «weggepromoveerd»? Hoe normaal is het op dit moment binnen de rechterlijke macht na een bepaald aantal ervaringsjaren automatisch te promoveren? Op welke manier wordt op dit moment uitvoering gegeven aan de overplaatsing binnen een gerecht? Klopt het dat degraderen niet mogelijk is binnen de rechterlijke macht? Wat gebeurt er met rechterlijke ambtenaren die zijn gepromoveerd en voor hun nieuwe functie niet geschikt blijken te zijn?

De leden van de SP-fractie willen voorts graag weten in hoeverre de nieuwe disciplinaire- en ordemaatregelen ook betrekking hebben op leden van het OM. Wie beoordeelt hun gedrag en op welke wijze? Wie treft bij het OM disciplinaire maatregelen en welke maatregelen kunnen dat zijn?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering een nadere toelichting te geven dat financiële sancties niet de beoogde effecten zullen hebben bij rechterlijke ambtenaren die ongeoorloofd gedrag hebben vertoond. Wat is het verschil tussen rijksambtenaren en rechterlijke ambtenaren, dat ertoe leidt dat een financiële sanctie bij de ene groep ambtenaren wél en bij de andere groep niet het beoogde effect zal hebben? Bovendien vragen deze leden de regering ook het verschil aan te tonen tussen beide doelgroepen als het gaat om de bezoldiging. Voor zowel rechterlijke ambtenaren als voor rijksambtenaren geldt immers dat de bezoldiging gebaseerd is op van de persoon geabstraheerde bezoldigingsregels? Deze leden vragen dit ook in het licht van de uitleg van het voorgestelde artikel 17 Wrra. Daarin verklaart de regering dat de maatregel in artikel 14 van het ARAR (geen bezoldiging bij niet verrichten van werkzaamheden) wél van toepassing kan zijn op rechterlijke ambtenaren. De regering stelt daarbij dat er geen zwaarwegende redenen zijn dit beginsel ook voor de rechterlijke macht te laten gelden. Waarom gaat dit dan niet op als het gaat om andere financiële sancties in het ARAR? Kan de regering nader ingaan op de wijze waarop in de werkgroep Stevens, dan wel in de conclusies van de Rvdr over wijziging van het instrumentarium, gesproken wordt over het nut van eventuele financiële sancties?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering in te gaan op de niet-financiële maatregelen zoals die in het ARAR zijn opgenomen. Hoe beoordeelt de regering een eventuele toepassing van de maatregel in artikel 81 lid 1, sub c Van welke wet! ARAR neem ik aan? Het gaat daarbij om een vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten hoogste een derde van het aantal uren, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat. Ook in dit geval vragen deze leden het verschil aan te tonen tussen rijksambtenaren en rechterlijke ambtenaren. Waarom heeft een vermindering van het aantal vakantiedagen bij de ene doelgroep wel het beoogde effect en bij de andere doelgroep niet?

1.4 Verklaring omtrent het gedrag (VOG)

De leden van de VVD-fractie zijn verheugd dat een VOG voor elke rechterlijke benoeming een vereiste wordt. In veel beroepsgroepen is het usance dat medewerkers na enige tijd dienstverband opnieuw een VOG moeten aanvragen. Voornoemde leden constateren dat rechters over het algemeen een langdurig dienstverband aangaan. Het lijkt deze leden dan ook wenselijk dat rechters na enkele jaren opnieuw een VOG aanvragen. Deze leden menen namelijk, samen met Publius Terentius Afer, dat rechters niets menselijks vreemd is en dat zij ook na hun benoeming misstappen kunnen begaan. Hoe kijkt de regering hier tegenaan?

De leden van de SP-fractie kunnen instemmen met het voorstel een VOG te vragen aan diegenen die benoemd willen worden tot lid van de rechterlijke macht of de rechterlijke organisatie. Kan worden toegelicht waarop precies wordt getoetst en wat de regering bedoelt met de afwezigheid van relevante antecedenten? In hoeverre kunnen criminele antecedenten van familieleden een rol spelen in de beoordeling of een kandidaat-lid wel of niet geschikt is?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom zij meent dat het vervullen van een functie in het gerechtsbestuur of de Raad, van dien aard is dat het opnieuw aanvragen van een VOG gerechtvaardigd en wenselijk is. In de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel A, artikel 4a lezen deze leden bovendien een andere reden waarom de regering het opnieuw aanvragen van een VOG wil verplichten. Waar nu een screening wordt uitgevoerd door de voorzitter van de Selectiecommissie Rechterlijke Macht, zou degene die benoemd wil worden zelf een VOG moeten opvragen, zodat de selectiecommissie op dit punt wordt ontlast. De aan het woord zijnde leden vragen de regering deze argumentatie nader toe te lichten. Wordt de selectiecommissie kennelijk te zwaar belast? Welke andere onderdelen van de screening vergen zoveel aandacht dat het opvragen van een VOG te tijdrovend dan wel te intensief zou zijn? Bovendien geldt dat de werkgever zelf kan aangeven op grond van welke risicogebieden de VOG moet worden beoordeeld. Deze leden vragen de regering of het dan ook voor de hand ligt ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren de aanvraag te laten geschieden door de werkgever zelf.

1.5 Adviezen

De leden van de SP-fractie hebben begrip voor de kritiek van de verschillende organisaties op de samenloop van de maatregel van de schriftelijke berisping die zowel door de president van het gerecht waar de betreffende rechterlijk ambtenaar geplaatst is, als door de Hoge Raad kan worden opgelegd. Tegen een berisping door de president staat hoger beroep open, tegen een berisping van de Hoge Raad uiteraard niet. De mogelijkheid van een berisping door verschillende instanties is voor de regering belangrijk, maar niet duidelijk voor deze leden is wat de meerwaarde is van een extra schriftelijke berisping. Zit er inhoudelijk een verschil tussen deze berispingen? Weegt de ene berisping zwaarder dan de andere? Op welke manier kan een zaak «aanhangig» worden gemaakt bij de Hoge Raad? Wat gebeurt er als een president alsnog een schriftelijke berisping afgeeft, ondanks dat de Hoge Raad eerder heeft geoordeeld dat dit niet nodig is, omdat de president het bijvoorbeeld niet eens is met het oordeel van de Hoge Raad?

De aan het woord zijnde leden willen graag een reactie van de regering op de conclusie van de Rvdr in het advies van 10 juli 2013 dat met dit wetsvoorstel ontslag al mogelijk is bij het niet-melden van nevenbetrekkingen. Het is van groot belang dat rechters hun nevenfuncties blijven melden, maar het niet melden zal niet in alle gevallen direct tot ontslag mogen leiden. Graag ontvangen deze leden een toelichting van de regering op dit punt.

2 Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A (artikel 4a)

De leden van de SP-fractie willen graag weten wat volgens de regering een ruime toetsing inhoudt voordat een VOG wordt afgegeven. Is dit een zwaardere toetsing die ook geldt voor veel functies binnen het OM, zoals het College van procureurs-generaal van het OM in het advies bij het wetsvoorstel heeft aangegeven? Zo nee, waarom niet?

Onderdeel B (artikel 17)

De leden van de SP-fractie vinden het opvallend dat de regering in eerste instantie aangeeft dat het onwenselijk is als anderen dan de wetgever zich bemoeien met de bezoldigingsregels binnen de rechterlijke macht, maar tegelijkertijd in onderhavig artikel de vrijheid biedt loon in te kunnen houden als een rechter geen werkzaamheden verricht. In zekere zin snappen deze leden het algemene uitgangspunt, maar wie bepaalt op welk moment en hoeveel loon wordt ingehouden? Hoe wordt omgegaan met een eventuele staking?

Onderdeel D (artikel 46c)

De leden van de SP-fractie willen graag weten hoe wordt omgegaan met leden van het parket bij de Hoge Raad als het gaat om het opleggen van disciplinaire maatregelen. Deze leden nemen niet aan dat de leden van de Hoge Raad moeten oordelen over hun directe collega’s.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of gezien de zwaarte van de maatregel van ontslag, het proportionaliteitsbeginsel meebrengt dat eerst een schriftelijke berisping wordt gegeven aan de betrokkene. De regering geeft zelf aan dat in de huidige praktijk, al dan niet formeel, de gelegenheid wordt gegeven aan de betrokkene zijn gedrag bij te stellen teneinde te voorkomen dat hij wordt ontslagen. Deze leden vragen of juist vanwege het feit dat dit niet formeel hoeft te geschieden, de bestaande tussenstap van een schriftelijke berisping gehandhaafd zou moeten worden. De voorgestelde disciplinaire maatregel van schorsing voor drie maanden zou immers de nieuwe tussenstap kunnen vormen, maar dat hoeft geenszins zo uit te pakken in de praktijk.

Onderdeel E (artikel 46ca)

De leden van de CDA-fractie vragen waaruit blijkt dat er daadwerkelijk verschil zou bestaan tussen het hernieuwd gezag als gevolg van de maatregel van schorsing of de maatregel van voorwaardelijk ontslag. Zij begrijpen dat het gezag van een rechter dusdanig is aangetast bij een eventueel voorwaardelijk ontslag, dat de maatregel van schoring valt te prevaleren. Dat de zaak echter af moet zijn na een schorsing en er geen reden is verder te twijfelen aan de betrokkene lijkt deze leden echter vooral een wens van de zijde van de regering (die deze leden overigens van harte onderschrijven) maar biedt geen zekerheid. Kan de regering aangeven op welke wijze het betreffende gerecht, de president van het gerecht, de NvvR en/of Rvdr, de rechterlijke ambtenaar ondersteunen en begeleiden in het behoud en/of herstel van diens gezag? Dit betreft zowel de periode tijdens een schorsing, waarin nog geen oordeel is geveld over het vermeende ongeoorloofde gedrag, alsmede de periode na de schorsing indien geen sanctie is opgelegd.

De aan het woord zijnde leden vragen de regering hoe een schorsing met gehele of gedeeltelijke inhouding van de bezoldiging zich verhoudt tot het eerder ingenomen standpunt in de memorie van toelichting dat terughoudendheid betracht moet worden bij de directe of indirecte bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar. De regering stelt dat dit nodig is omdat een van de rechtspositionele pijlers waarmee de onafhankelijkheid van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast geborgd is, zijn bezoldiging is, die gebaseerd is op van de persoon geabstraheerde bezoldigingsregels die door de wetgever worden vastgesteld. In geval van een schorsing beslist echter de Hoge Raad (die toch niet als wetgevende macht mag worden aangemerkt) over de gehele of gedeeltelijke inhouding van de bezoldiging. Voornoemde leden vragen een nadere toelichting op deze voorgestelde uitzondering.

Onderdeel J (artikel 46fa)

De leden van de SP-fractie delen de mening van de regering dat een buitenfunctiestelling niet eeuwig kan en mag duren. Toch willen de leden weten wat er gebeurt als na 30 dagen blijkt dat de schorsingsprocedure nog niet is afgerond en terugkeer naar de werkvloer tot ongewenste situaties zal leiden.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering concrete voorbeelden te geven waarin er behoefte zou bestaan een rechterlijk ambtenaar spoedshalve buiten functie te stellen. De regering stelt dat de buitenfunctiestelling niet het oogmerk heeft van sanctionering. Is zij niet van oordeel dat in een situatie waarin de betreffende rechterlijk ambtenaar de voorlopige beoordeling van zijn ongeoorloofd gedrag niet onderschrijft, een spoedshalve buiten functie stellen toch een sterk gevoel van sanctionering geeft bij betrokkene(n)?

De voorzitter van de commissie, Jadnanansing

De griffier van de commissie, Van Doorn