33 852 (R2023) Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter verlenging van de termijnen voor verlening van het Nederlanderschap en enige andere wijzigingen

Nr. 8 AMENDEMENT VAN DE BIJZONDERE GEDELEGEERDE BIKKER C.S.

Ontvangen 18 februari 2016

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel F, wordt na onderdeel 1 een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • 1a. In het eerste lid, onderdeel d, wordt «en – indien» vervangen door: of – indien.

Toelichting

De meest verstrekkende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap («RWN») als vervat in het voorstel van Rijkswet betreft dat de naturalisatietermijn wordt verlengd naar zeven jaar, hetgeen een verlenging van de thans geldende termijn behelst van ruim veertig procent. Voorts zijn in het voorstel van Rijkswet enkele wijzigingenovergenomen, die ten dele reeds in het ingetrokken voorstel van Rijkswetter aanscherping van de eisen voor verkrijging en verlening van hetNederlanderschap (Kamerstukken 33 201, R1977) waren vervat. De verlenging van bedoelde termijn naar zeven jaar wordt blijkens de memorie van toelichting noodzakelijk geacht om beter ervoor te zorgen dat iemand daadwerkelijke binding heeft met de samenleving van de landen van het Koninkrijk. De ondergetekenden menen dat zo na ommekomst van de voorgestelde langere termijn van zeven jaar een afdoende mate van binding met de samenleving kan worden verondersteld, er aanleiding bestaat om de dubbele taaltoets ex artikel 8, eerste lid, onderdeel d, RWN – welke zuiver en alleen voor naturalisandi gevestigd in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt – als overbodig c.q. achterhaald aan te merken. Gemelde dubbele taaltoets, welke in de rechtsliteratuur is aangemerkt als staande op gespannen voet met o.a. het gelijkheidsbeginsel,1 wordt sedert de invoering in de betreffende jurisdicties ook als zodanig door naturalisandi ervaren; dit feit is herhaaldelijk door meerdere leden van de delegaties van de betreffende jurisdicties tijdens het Interparlementair Koninkrijksoverleg («IPKO») aan de orde gesteld. Begin januari 2016 hebben delegaties van de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Tripartite-overleg voorts een resolutie aangenomen waarin de strekking van het onderhavig amendement uitdrukkelijk wordt ondersteund. Ondergetekenden verwijzen wijders naar de door de Tweede Kamer aanvaarde motie van bijzonder gedelegeerde Sulvaran c.s. (Kamerstukken 2009/10, 32 213 (R1903), nr. 44), die erkenning op gelijkwaardige basis van onder andere het Papiaments en het Engels in Rijkswetten in zich draagt.

Tevens is het zo dat op Saba en Sint Eustatius het Engels een gelijkwaardige status als het Nederlands als instructietaal in het onderwijs heeft gekregen (vgl. Kamerstukken II 2013/14, 31 568, nr. 138). Ook het feit dat gemelde dubbele taaltoets – welke ook voor optanten ex artikel 6 RWN was vervat in het ingetrokken voorstel van Rijkswet onder Kamerstukken 33 201 (R1977) – niet in het huidig wetsvoorstel is opgenomen, geeft aan dat de betreffende dubbele taaltoets als overbodig c.q. achterhaald kan worden beschouwd.

Tenslotte zij verwezen naar het Eindverslag Evaluatiecommissie justitiële rijkswetten2 waarin wordt verwezen naar de taalbarrière.

Bikker Dammers Thijsen


X Noot
1

Vgl. Prof. mr. G.R. de Groot en mr. Eric Mijts, «Onwenselijkheid van een dubbele taaltoets voor naturalisandi in Aruba en de Nederlandse Antillen» in Migrantenrecht nr. 4.

X Noot
2

Eindverslag Evaluatiecommissie justitiële rijkswetten, 14 september 2015, p. 8–9.

Naar boven