33 845 Interparlementair Koninkrijksoverleg

AF/ Nr. 43 HERDRUK1 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 oktober 2021

De vaste commissies voor Koninkrijksrelaties van de Eerste en Tweede Kamer hebben mij d.d. 13 september 2021 verzocht om, namens het kabinet, de beide Kamers te voorzien van een reactie op de afsprakenlijst van het Interparlementair Koninkrijksoverleg (IPKO) dat heeft plaatsgevonden van 23 tot en met 25 augustus jl. op Bonaire. Daarnaast heb ik in het verlengde hiervan, als coördinerend bewindspersoon Koninkrijksrelaties, 18 gerichte vragen ontvangen van de leden van de Tweede Kamer die onderdeel uitmaakten van de IPKO-delegatie. Hierbij doe ik u de appreciatie en de beantwoording toekomen, mede namens de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Financiën, van Infrastructuur en Waterstaat, van Justitie en Veiligheid, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en namens de Staatssecretarissen van Economische Zaken en Klimaat, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops

Recente ontwikkelingen per land

De COVID-19 pandemie heeft de autonome landen Curaçao, Aruba en Sint Maarten voor grote uitdagingen gesteld. Zoals bekend bij uw Kamer ontvangen de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten sinds begin 2020 liquiditeitssteun om de gevolgen van de COVID-19 pandemie op te vangen. Met deze steun worden de landen in staat gesteld te voldoen aan hun basisverplichtingen. Als voorwaarde voor het ontvangen van de noodzakelijke liquiditeitssteun dienen de landen hervormingen door te voeren met het doel de financiële, economische, institutionele en maatschappelijke weerbaarheid te versterken. Deze hervormingen zijn opgenomen in de landspakketten.

Nederland is zich bewust van de vreemdelingenproblematiek op Aruba en in de andere Caribische landen binnen het Koninkrijk. We staan Aruba en andere (ei)landen bij om deze uitdagingen het hoofd te bieden. Per voorjaarsnota 2019 is hiervoor 23,8 miljoen euro uitgetrokken. Met deze gelden is de ondersteuning aan Aruba, Curaçao en Bonaire uitgewerkt. Dit geld wordt deels generiek ingezet door bijvoorbeeld de Kustwacht Caribisch gebied te versterken. Voor Aruba betekent dit ook specifieke ondersteuning voor de Arubaanse asiel- en toelatingsorganisatie, voor de Arubaanse dienst terugkeer en vertrek en voor de voorzieningen die extra onder druk staan vanwege de verhoogde influx van (ongedocumenteerden) migranten, zoals de vrouwenopvang en de gevangenis. Deze ondersteuning wordt sinds eind 2019 geleverd. Als gevolg van COVID-19 is de uitvoering in 2020 vertraagd maar inmiddels zijn de projecten vrijwel allemaal afgerond. Nederland blijft in gesprek met Aruba over de invulling die het land geeft aan de Afl. 60 miljoen besparingen in de zorgsector.

Daarnaast heb ik met belangstelling kennisgenomen van de wens van de Curaçaose delegatie om te komen tot nieuwe vriendschappelijke verhoudingen binnen het Koninkrijk. De rechtsorde binnen het Koninkrijk is vastgelegd in het Statuut. Het Statuut bepaalt dat elk land de eigen belangen behartigt, en op voet van gelijkwaardigheid de gemeenschappelijke belangen verzorgt en wederkerig bijstand verleent. Een goede relatie is essentieel om hier invulling aan te geven en daar werkt dit kabinet aan. De onderlinge relatie vraagt continu aandacht. Daarbij kan het soms – zeker in crisistijd – schuren. Nederland heeft sinds het begin van de corona-crisis de landen, waaronder Curaçao, op verschillende manieren ondersteund. Ook heeft Nederland het aanbod gedaan om liquiditeitssteun en andere ondersteuning te leveren, waarbij aan Curaçao wel gevraagd is om noodzakelijke hervormingen door te voeren die de economie van Curaçao versterken en de samenleving weerbaarder maken. Nederland wil aan dit aanbod samen met Curaçao uitvoering geven.

Ik heb ook kennisgenomen van het feit dat de Ombudsman van Sint Maarten een zaak heeft voorgelegd aan het Constitutioneel Hof ten aanzien van de drie landsverordeningen waarmee salariskortingen en normering topinkomens worden geregeld, met als doel deze te toetsen op verenigbaarheid met de Staatsregeling van Sint Maarten. Een uitspraak hierover heeft het Constitutioneel Hof nog niet gedaan.

Op Sint Maarten wordt hard gewerkt aan de wederopbouw. Het Recovery Trust Fund is nu drie-en-een-half jaar onderweg en heeft zichtbare resultaten voor de inwoners van Sint Maarten opgeleverd. Na een gedegen voorbereiding wordt inmiddels een groot aantal projecten uitgevoerd. Zo start deze maand de reconstructie van de luchthaven, zijn de contouren van het nieuwe ziekenhuis zichtbaar, is het grootste gedeelte van de scheepswrakken in de Simpson Bay Lagoon verwijderd en zijn kinderen van drie scholen dit schooljaar weer naar hun eigen duurzaam herstelde school gegaan. Ik constateer evenwel dat het soms sneller kan, en sneller zou moeten.2 Ik blijf daar dan ook op aandringen tijdens de gesprekken met de Wereldbank en de regering van Sint Maarten. Zo nodig zal Nederland ondersteuning bieden.

Het kabinet is zich zeer bewust van de armoedeproblematiek in Caribisch Nederland. Om de levensomstandigheden in Caribisch Nederland structureel te verbeteren, heeft het kabinet zich ingezet om de kosten van levensonderhoud te verlagen en stapsgewijs de inkomens te verhogen. De afgelopen jaren is over dit onderwerp veelvuldig met de Kamer gesproken. In die debatten en in voortgangsrapportages zijn de stappen uiteengezet die dit kabinet heeft ondernomen om de armoedeproblematiek aan te pakken. Het is aan het volgende kabinet om de ingezette koers – samen met de openbare lichamen – te vervolgen.

Verkiezingen

Het kabinet onderschrijft dat wederzijdse verkiezingswaarnemingen door parlementariërs een positieve bijdrage kunnen leveren aan de borging en de versterking van vrije en eerlijke verkiezingen in de vier landen van het Koninkrijk. Het kabinet ziet dan ook uit naar de verdere concretisering tijdens de IPKO-vergadering van januari 2022.

Betere en duurzame relaties binnen het Koninkrijk

Het kabinet zet zich momenteel op verschillende manieren in voor het vergroten van het wederzijds begrip en vertrouwen tussen Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk. Dat gebeurt in de dagelijkse praktijk door intensieve samenwerking tussen de ambtenaren en bestuurders van de landen en de openbare lichamen en de departementen in Den Haag. Met de Haagse Hogeschool is een tweedaagse cursus ontwikkeld voor beleidsmedewerkers in Nederland met als doel kennis van en begrip voor het Caribisch deel van het Koninkrijk te vergroten en daarmee de onderlinge samenwerking te versterken. Ook wordt aan het vergroten van wederzijds vertrouwen en begrip bijgedragen door uitwisselingen met Nederlandse gemeenten. Noemenswaardig is ook de ambtelijke werkgroep «motie Van Raak». Hierin gaan de vier landen vanaf november met elkaar na wat de mogelijkheden zijn om de relaties binnen het Koninkrijk beter en duurzamer vorm te geven. Deze werkgroep zal zich in eerste instantie buigen over de vraag welke onderwerpen en vraagstukken precies tot haar taakopdracht behoren. De identificatie van een spanningsveld tussen formele bevoegdheden en taken en de uitwerking daarvan in de praktijk zou zich hiervoor ook goed lenen.

Daarnaast geldt de opdracht aan de rijkswetgever in artikel 12a Statuut om een geschillenregeling tot stand te brengen inderdaad onverminderd. De Nederlandse leden van de Rijksministerraad zullen een aangekondigd nieuw wetsontwerp met belangstelling afwachten. Hierbij is het van belang dat door de Caribische regeringen in een tijdig stadium wordt gezocht naar draagvlak voor het betreffende ontwerp.

Het is goed om kennis te nemen van het feit dat de uitvoering van Mensenrechtenverdragen de aandacht heeft van de Statendelegaties. Op dit moment ziet het kabinet geen noodzaak om te onderzoeken of het College voor de Rechten van de Mens hierbij ondersteuning kan bieden. Beoogd is de uitvoering eerst via samenwerking tussen de landen op regeringsniveau te bevorderen, In de toelichting bij de begroting bent u geïnformeerd, dat hiervoor op ambtelijk niveau een mensenrechtenverdragencommissie in het leven is geroepen. In deze commissie wordt besproken hoe de vier landen van het Koninkrijk elkaar kunnen bijstaan bij het bespoedigen van de implementatie van verdragen, die in sommige gevallen in de Caribische landen al jaren op zich laat wachten. Vandaar uit wordt bezien welke vervolgstappen genomen kunnen worden door de regeringen. De commissie streeft ernaar in de loop van het aankomende begrotingsjaar de eerste resultaten van haar samenwerking aan de parlementen van het Koninkrijk te kunnen overleggen.

Het Verdrag van Istanbul is voor Europees Nederland in 2015 geratificeerd en een jaar later in werking getreden. Ten aanzien van Caribisch Nederland werkt het Ministerie van VWS sinds 2017 in het kader van een bestuursakkoord samen met de openbare lichamen om de situatie op de BES-eilanden in overeenstemming te brengen met het verdrag. De Staatssecretaris van VWS heeft u toegezegd dit najaar per brief te informeren over de uitkomsten van de analyse inzake de medegelding van het Verdrag van Istanbul voor Caribisch Nederland.

Ik heb geen formele rol of verantwoordelijkheid bij de bekrachtiging van het Verdrag van Istanbul in de autonome landen. Wel heeft mijn departement een voortrekkersrol bij de bevordering van samenwerking tussen de landen ten behoeve van de uitvoering van mensenrechtenverdragen, zoals het Verdrag van Istanbul. Deze uitvoering – waar ratificatie door de Koninkrijksregering aan vooraf gaat – is bij mensenrechtenverdragen een autonome aangelegenheid van de Caribische landen. In een vorig jaar ingestelde mensenrechtenverdragencommissie werken de landen samen om de totstandkoming van implementatiemaatregelen te bespoedigen. Ook organiseert het Ministerie van VWS in samenwerking met het Ministerie van BZK voor de zes (ei)landen een conferentie over huiselijk geweld en kindermishandeling met als doel kennis delen en samenwerken. Zo wordt er een samenwerkingsovereenkomst voorbereid om de intereilandelijke opvang te bevorderen.

De delegaties hebben met recht aandacht voor de rechtsstaat en de onafhankelijke journalistiek. In Europees Nederland is in de Mediawet 2008 opgenomen dat publieke en commerciële omroepen redactionele autonomie hebben. Voor omroepen in Caribisch Nederland is dit opgenomen in de Mediawet BES. Verder ondersteunt de overheid in Europees Nederland onafhankelijke journalistiek, bijvoorbeeld met subsidies via het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek.

Bevordering samenwerking en uitvoering landspakketten

Over de zorg vinden overleggen tussen Nederland, Curaçao, Aruba en Sint Maarten al op reguliere basis plaats sinds 2013. Deze overleggen zijn door de COVID-19-crisis in 2020 geïntensiveerd tot maandelijkse overleggen, zowel op bestuurlijk als ambtelijk niveau, onder leiding van de Staatssecretaris van VWS. Met de landen is afgesproken dat dit overlegplatform ook post-COVID gecontinueerd wordt, zodat hierin ook andere onderwerpen besproken kunnen worden.

Het kabinet onderschrijft het belang om aspecten van preventie en detentie meer regionaal te verkennen. Zo wordt in het Justitieel Vierpartijenoverleg (JVO) bij deze onderwerpen stilgestaan. In het JVO van 7 juli dit jaar is de Taskforce detentie en de complexiteit van de uitvoeringsmogelijkheden van forensische zorg en TBS-/PIJ-maatregelen in de Caribische regio aan de orde gesteld. De Minister van Justitie en Veiligheid en ik informeerden de Tweede Kamer hierover.

Het kabinet acht toegang tot stabiele financiële systemen voorwaardelijk voor de economische ontwikkeling van de Caribische delen van het Koninkrijk en voor de zelfontplooiing van zijn inwoners. Net zoals in Europees Nederland wordt het betalingsverkeer in de Caribische delen van het Koninkrijk verzorgd door commerciële partijen. Het is in beginsel aan de markpartijen zelf om te bepalen waar en op welke manier elektronische betaaldiensten worden aangeboden. Het kabinet draagt zorg dat regelgeving hier niet aan in de weg staat. Handelsverdragen worden voor Europees Nederland door de Europese Unie onderhandeld en gelden alleen voor het Europese deel van Nederland. Gelet op de autonomie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten kunnen de landen zelfstandig over handelsverdragen onderhandelen en deze afsluiten. De Autoriteit Financiële Markten oefent toezicht uit op de financiële ondernemingen in Caribisch Nederland. Gelet op de hierboven genoemde autonomie is het aan de landen zelf om te onderzoeken of er noodzaak is tot een vergelijkbare organisatie voor de landen.

De zorg van de landen dat de hervormingen nieuwe uitdagingen opleveren, bijvoorbeeld waar het gaat om financiering van nieuw beleid, sociaal beleid, gezondheidsvoorzieningen en het effectief maken van het ambtelijk apparaat is mij bekend. Veel van de hervormingen hebben echter juist tot doel om de financiën beter in evenwicht te brengen. Zo zal het hervormen van het belastingstelsel bij moeten dragen aan het verhogen van de overheidsinkomsten en het moderniseren van de overheidsorganisatie aan het verlagen van de uitgaven. Hiermee ontstaat ruimte voor kwaliteitsimpulsen op andere terreinen.

Het kabinet onderschrijft het belang van goed onderwijs in de landen en samenwerking tussen de landen daarbij. In januari 2021 heeft de Minister van OCW met de onderwijs Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in het Vierlandenoverleg Onderwijs en Cultuur afspraken gemaakt over nauwe samenwerking. Daarnaast is in het kader van de landspakketten gestart met een doorlichting van het onderwijs in de landen. Op basis hiervan zal het kabinet de landen helpen de aanbevelingen om te zetten in maatregelen die het onderwijs beter maken.

Sustainable Development Goals

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de gesprekken over de voortgang en uitdagingen in de verschillende landen op de Sustainable Development Goals (SDG’s) die raken aan klimaat en duurzaamheid. Voor een onafhankelijk lidmaatschap van de WTO zouden Aruba en Sint-Maarten zelf een aanvraag voor toetreding moeten doen. Als de General Council van de WTO deze aanvraag goedkeurt, zal het Land in kwestie moeten onderhandelen met in potentie alle huidige 164 WTO-leden over de voorwaarden van toetreding, zoals bijvoorbeeld tariefschema’s. Het is daardoor moeilijk om vooraf een inschatting te geven van de juridische en economische verplichtingen en voordelen die voortvloeien uit een dergelijke onafhankelijk lidmaatschap. Het is aan het land om te onderhandelen en tot afspraken te komen.

Schriftelijke vragen van leden van de Vaste Commissie voor Koninkrijksrelaties n.a.v. de IPKO-reis augustus 2021

Vraag 1

Hebben Aruba, Curaçao en Sint Maarten toegang tot belastings- en handelsverdragen die door Koninkrijk zijn of worden afgesloten, mede in het licht van de kansen voor de concurrentiepositie en risico’s?

Antwoord

Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn net als Nederland fiscaal autonoom binnen het Koninkrijk met elk een eigen fiscaal systeem en belastingwetten. Omdat elk van de landen van het Koninkrijk vanwege deze autonomie zelf zijn eigen belastingverdragen onderhandelt, gelden Nederlandse belastingverdragen alleen voor Nederland. Het Nederlands verdragsbeleid biedt de mogelijkheid om een uitbreidingsbepaling op te nemen in verdragen, die het onder voorwaarden mogelijk maakt om – met goedvinden van de andere verdragspartij – het belastingverdrag uit te breiden tot een of meer van de Caribische landen van het Koninkrijk, indien die Caribische landen dat wensen. Hoewel deze bepaling in een groot deel van de Nederlandse belastingverdragen is opgenomen, is tot nu toe nog geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid.

Handelsverdragen worden voor Europees Nederland door de Europese Unie (EU) onderhandeld. Dergelijke verdragen komen tot stand tussen de EU en haar lidstaten enerzijds en derde landen anderzijds en gelden daarom alleen voor het Europese deel van Nederland. Aruba, Curaçao en Sint Maarten vallen buiten het toepassingsbereik van deze verdragen. Vanwege de hierboven reeds genoemde autonomie, kunnen de Caribische landen zelfstandig handelsverdragen onderhandelen. Verdragen inzake bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen, de zogenaamde IBO’s, die door het Koninkrijk der Nederlanden worden gesloten, gelden in beginsel ook voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten, behalve als deze landen aangeven geen medegelding te wensen.

Vraag 2

Wat zijn de mogelijkheden voor het CPB om ook de verkiezingsprogramma’s voor de Statenverkiezingen in de andere landen van het Koninkrijk door te rekenen, net als gebeurt voor de Tweede Kamerverkiezingen in Nederland?

Antwoord

Het CPB biedt, vanuit zijn rol als onafhankelijk economisch onderzoeksinstituut, Nederlandse politieke partijen de mogelijkheid om de economische gevolgen van verkiezingsprogramma’s door te laten rekenen. Voor deze doorrekening is vergaande kennis van de macro-economische, financiële en juridische context van het Land in kwestie benodigd. Als Nederlands onderzoeksinstituut beschikt het CPB niet over deze kennis met betrekking tot de Caribische Landen van het Koninkrijk. Indien Aruba, Curaçao of Sint Maarten een geschikt onafhankelijk instituut bereid vindt om de doorrekening van lokale verkiezingsprogramma’s uit te voeren, dan kan het CPB technische assistentie verlenen. Hoe die technische assistentie vormgegeven kan worden is afhankelijk van het daartoe strekkende verzoek.

Vraag 3

Welke beperkingen zijn er momenteel voor elektronische betaalsystemen en -methoden op de BES-eilanden en/of CAS-landen? Wat zijn de mogelijkheden voor het invoeren van iDEAL, Paypal en/of andere elektronische betaalsystemen op de BES-eilanden en/of CAS-landen?

Antwoord

Net zoals in Europees Nederland wordt het betalingsverkeer verzorgd door commerciële partijen. Het is in beginsel aan de markpartijen zelf om te bepalen waar en op welke manier elektronische betaaldiensten worden aangeboden; de regelgeving staat hier aan niet in de weg en er zijn in die zin geen beperkingen.

Vraag 4

Er zijn grote zorgen over de stijgende tarieven voor brandstof en elektriciteit, reserve capaciteit en de gevolgen voor de kosten van het levensonderhoud op Bonaire geuit. Wat kan er op korte termijn worden gedaan om te voorkomen dat de behoefte van het Water en Energiebedrijf Bonaire (WEB) tot snelle uitbreiding van hun productiecapaciteit negatieve consequenties heeft voor verduurzamingsmogelijkheden en tarieven?

Vraag 5

Welke oplossingsmogelijkheden zijn er om de investering in verduurzaming te plegen en is het mogelijk dat Bonaire Brandstof Terminals BV deze benodigde investeringen voor haar rekening neemt?

Vraag 6

Wat is de stand van zaken rond de uitvoering van de motie van het lid Kuiken over een structurele verlaging van de tarieven voor elektriciteit en drinkwater op Bonaire (Kamerstuk 35 420, nr. 332)?

Antwoord op de vragen 4, 5 en 6

De private elektriciteitsproducent van Bonaire, ContourGlobal Bonaire BV (CGB), is in overleg met WEB over de uitbreiding van de productiecapaciteit. Hiernaast is het ook mogelijk dat Bonaire Brandstof Terminals BV (BBT) investeert in (duurzame) productiecapaciteit. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat spreekt met alle partijen over de mogelijke inzet en rol bij financiering, uitrol en onderhoud. Het doel is een optimale mix van snelheid, kostendaling en verduurzaming te vinden, waar de motie Kuiken ook aandacht voor vroeg (Kamerstuk 35 420, nr. 332). In alle oplossingsmogelijkheden is het belangrijk dat de productie op verantwoorde wijze gecoördineerd wordt om de stabiliteit van het kleine eilandelijke net te borgen. Ook heeft het kabinet, conform motie Boucke c.s. over een routekaart naar klimaatneutrale energievoorziening in Caribisch Nederland (Kamerstuk 35 632, nr. 14), TNO opdracht gegeven in overleg met de openbare lichamen de hernieuwbare energieopties in kaart te brengen. Naar verwachting wordt het onderzoeksrapport met routekaarten rond het einde van het jaar aan uw Kamer gezonden.

Vraag 7

Kan een overzicht worden gegeven van de gemiddelde kosten voor boodschappen, gas/water/licht en internet op de BES-eilanden en in Europees Nederland?

Antwoord

In 2018 heeft Regioplan in opdracht van de Staatssecretaris van SZW in kaart gebracht wat de minimaal noodzakelijke kosten van levensonderhoud zijn. Deze uitgaven variëren sterk per type huishouden, vandaar dat de kosten voor verschillende huishoudsamenstellingen zijn vastgesteld. De bedragen van Regioplan worden jaarlijks geïndexeerd met de consumentenprijsindex per bestedingscategorie per eiland en met uw Kamer gedeeld.3

Een kostenvergelijking tussen Caribisch Nederland en Europees Nederland is niet voorhanden. Die vergelijking is ook niet relevant omdat de kostenpatronen verschillen. Dat laat onverlet dat we in Caribisch Nederland voor een belangrijke opgave staan, te weten, het verbeteren van het voorzieningenniveau en het verminderen van de kosten van levensonderhoud voor de inwoners van Caribisch Nederland. Met de aanpak ijkpunt sociaal minimum zet het kabinet zich dan ook in om het inkomen van inwoners van Caribisch Nederland meer in balans te brengen met de kosten van levensonderhoud. Daar moeten we aan werken, ongeacht hoe de kosten van levensonderhoud zich tot de kosten in Europees Nederland verhouden.

Vraag 8

Hoe is het gesteld met de handhaving op Bonaire als het gaat om bouwen waarbij een natuurvergunning nodig is?

Antwoord

In december 2020 is uw Kamer geïnformeerd over de handhaving van natuur- en milieuwetgeving naar aanleiding van het rapport van de Raad voor de rechtshandhaving (Kamerstuk 30 825 nr. 220). De Raad voor de rechtshandhaving heeft onderzoek gedaan naar de handhaving van natuur-en milieuwetgeving Caribisch Nederland. De conclusie van de Raad is dat er op deze terreinen nog weinig aan rechtshandhaving wordt gedaan. Op basis van het Natuur en milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030 worden door de Minister van LNV per eiland uitvoeringsagenda’s opgesteld, waar handhaving een prioriteit is en waar de aanbevelingen van de Raad voor de rechtshandhaving geadresseerd worden. Beoogd is de uitvoeringsagenda’s einde van dit jaar vast te stellen. Uw Kamer wordt hier nader over geïnformeerd.

Vraag 9

Wat gaat er gebeuren met de ruimte die de zoutwinning op Bonaire nu inneemt als de concessie met Cargill afloopt?

Antwoord

De onderhandelingen over een nieuwe concessie van het zoutbedrijf Cargill is het mandaat van het openbaar lichaam Bonaire. De huidige concessie loopt medio 2024 af. De eerste besprekingen hierover zullen binnenkort plaatsvinden. De Ministeries van EZK en LNV hebben hulp aangeboden van een externe deskundige bij de voorbereidingen en de onderhandelingen met het oog op verlenging van de concessie. Het bedrijf is belangrijk voor het beheer van het ca. 400 ha grote terrein met beschermde natuur.

Vraag 10

Er worden nieuwe woningen gebouwd op Bonaire, maar dit zijn vrije sector woningen. Klopt het dat dit geen oplossing is voor de woningnood onder lagere inkomens of bijzondere doelgroepen? Welke plannen zijn er om op korte termijn voldoende sociale huurwoningen te realiseren?

Antwoord

Nieuwe woningen in de vrije sector dragen bij aan de diversificatie van het woningaanbod; het bouwen van vrijesectorwoningen is echter geen oplossing voor de woningnood onder lagere inkomens of bijzondere doelgroepen. Om het tekort aan sociale huurwoningen aan te pakken, heeft dit kabinet met het openbaar lichaam Bonaire en de Fundashon Cas Bonairiano het Convenant Volkshuisvesting Bonaire getekend. In dat Convenant zijn afspraken vastgelegd over de financiering, planning en bouw van 500 sociale huurwoningen. Vastgelegd is dat de bouw in verschillende tranches zal plaatsvinden. De actuele planning is dat de 500 nieuwbouwwoningen eind 2027 zijn opgeleverd.

Het kabinet heeft geïnvesteerd in de sociale woningbouw in Caribisch Nederland. Dat neemt niet weg dat de behoefte aan meer sociale huurwoningen groot blijft in Caribisch Nederland; zo is er ook een toenemende Vraag naar woningen voor bijzondere doelgroepen zoals ouderen en jongeren. Voortbordurend op de resultaten die dit kabinet gerealiseerd heeft, ligt het in de rede om tot een aanvullend sociaal huisvestingprogramma te komen, met betrokkenheid van het Rijk, de Openbare Lichamen en lokale woningstichtingen. Het is aan het nieuwe kabinet om een besluit te nemen over de wenselijkheid en financiering van een dergelijk aanvullend sociaal huisvestingsprogramma.

Vraag 11

Welke korte termijn plannen liggen er om de infrastructuur en asfaltering op Bonaire te verbeteren?

Antwoord

Het Meerjarenprogramma Wegen Bonaire dat mede uit middelen van het Regeerakkoord Rutte III wordt gefinancierd, is in uitvoering. Op korte termijn betekent dit volgens de huidige planning dat er in de periode 2021–2023 twaalf wegenprojecten afgerond moeten worden. Daarnaast wordt gekeken of er aanvullend (vanuit lokale middelen) versterkt ingezet kan worden op achterstallig groot onderhoud en verharding van zandwegen.

Vraag 12

Bonaire International Airport streeft in haar Masterplan 2040 naar het verwerken van 9 miljoen passagiers in 2040. Als deze allen op Bonaire moeten verblijven, moet het aantal hotelbedden verdrievoudigen. Sluit dit aan bij de visie op de ontwikkeling van het eiland qua kwaliteitstoerisme?

Antwoord

In het rapport «Prognoses BIA 2040» (prof. Em. Jaap de Wit i.s.m. SEO) zijn twee scenario’s gebruikt om de groei van de passagiersbewegingen in de toekomst te berekenen. In het «Business as Usual scenario» (BAU) zouden in 2040 op BIA 676.000 passagiersbewegingen per jaar plaats kunnen vinden, en in het zogenaamde «Toerisme Stimulering» (TS) scenario 900.000 passagiers-bewegingen in 2040. Bovendien zijn dit passagiersbewegingen: aankomende èn vertrekkende passagiers opgeteld. Met andere woorden: het bruto aantal arriverende passagiers zou in 2040 in het hoogste scenario ongeveer 450.000 kunnen zijn en dus geen 9 miljoen. Ondanks dat niet alle toeristen in hotels overnachten (CBS 2012 slaapplaatsen Bonaire: 48% hotels en resorts) zou een dergelijke stijging van het toerisme in 2040 een flinke toename van de hotelcapaciteit vergen. In hoeverre die toename op een kwalitatief goede en duurzame wijze gerealiseerd kan worden is aan het eilandbestuur zelf. Ik heb hierover veelvuldig met het Bestuurscollege gesproken en er zijn intensieve contacten tussen mijn ministerie en het openbaar lichaam Bonaire. Het is aan de eilandsraad om hier keuzes in te maken en besluiten over te nemen, uiteraard binnen de geldende wettelijke normen en regels zoals de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES, de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES, de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES (Wgro) en lokale regelgeving en beleid op het terrein van land en water. Een nieuw te vormen kader is het ontwikkelingsprogramma op basis van de Wgro.

Vraag 13

Wat is de stand van zaken rond de beantwoording van de schriftelijke vragen van de leden Kuiken en Wuite over de openbare bibliotheek op Bonaire?

Antwoord

De vragen zijn reeds beantwoord door de Minister van OCW op 20 september 2021 (Aanhangsel Handelingen II, 2020/21, nr. 4092).

Vraag 14

Heeft de Wereldbank ten aanzien van de vuilnisbelt op Sint Maarten de eis neergelegd dat ongedocumenteerden verplicht door de Staat gehuisvest moeten worden? Klopt het dat Nederland ongedocumenteerden niet huisvest? Hoe beoordeelt Nederland deze eis aan Sint Maarten? Welke rol kan Nederland speken in de kwestie van de vuilnisbelt?

Antwoord

Nederland heeft gekozen om de bijdrage aan de wederopbouw van Sint Maarten te laten lopen via de Wereldbank, onder meer om de zorgvuldige en integere procedures. Wereldbank-beleid is van toepassing op het trustfonds. Een belangrijk onderdeel van dit beleid, dat wordt gesteund door Nederland, is dat investeringsprojecten geen negatieve impact mogen hebben op mens en milieu. In dat kader zijn in het beleid van de Wereldbank de rechten vastgelegd van alle personen die binnen een project getroffen zijn door onvrijwillige herhuisvesting. Daarbij speelt hun status geen rol. Om tot een duurzame oplossing van de dump te komen, vormen de werkzaamheden die moeten worden verricht een risico voor de direct omwonenden, waaronder ongedocumenteerden. Zij zullen om die reden hun huidige woning moeten verlaten. De oplossing kan inderdaad nieuwe huisvesting zijn, maar een andere compensatie is ook mogelijk. Na zorgvuldige voorbereiding is een plan voor herhuisvesting in de afrondende fase.

Het klopt dat in Nederland personen die niet rechtmatig verblijven niet in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning en huurtoeslag, dat geldt ook voor herhuisvesting. Dat is overeenkomstig de Koppelingswet geregeld in de Huisvestingswet en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

De vuilnisbelt en het ontwikkelen van duurzaam afvalmanagement is en blijft prioritair. Om dit project te ondersteunen zijn de gesprekken vergevorderd over het leveren van technische bijstand aan het Ministerie van VROMI van Sint Maarten om tot duurzaam afvalmanagement te komen. Het is en blijft aan Sint Maarten om beleid te implementeren en de noodzakelijke veranderingen door te voeren.

Vraag 15

Waarom is er geen jeugdwet op de BES-eilanden?

Antwoord

De jeugdzorg in Caribisch Nederland heeft op dit moment een juridische basis in de Invoeringswet BES en daarbij horend Besluit Pleegzorg BES, waarin de kwaliteit van de jeugdzorg, het toezicht daarop door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en nadere regels rondom de pleegzorg zijn vastgelegd.

Vanwege de lokale omstandigheden heeft het Ministerie van VWS – ook gelet op de legislatieve terughoudendheid4 – er niet voor gekozen om bij de stelselherziening van de Jeugdwet in 2015, de Jeugdwet één op één over te nemen voor Caribisch Nederland. De uitkomsten van de pilots op de Bovenwinden, gericht op de overdacht van de uitvoering van jeugdpreventie en opvoedondersteuning aan de openbare lichamen, zijn positief. Deze taken worden nu structureel bij het openbaar lichaam belegd, waarover het Ministerie van VWS met Saba en St. Eustatius afspraken maakt. Daarnaast geeft het programma BES(t)4Kids verder vorm aan de manier waarop zorg en ondersteuning voor kinderen in Caribisch Nederland is georganiseerd door de ontwikkeling van de zorgstructuur. Op deze manier wordt stapsgewijs onderzocht wat passend is in de context van Caribisch Nederland met als stip op de horizon om dat in een wettelijke regeling vast te leggen.

Vraag 16

Waarom zijn er geen Ouder- en Kindteams op de BES-eilanden, waardoor bij jeugd gerelateerde problematiek ook de bronoorzaken binnen het gezin in samenhang bekeken kunnen worden?

Antwoord

Laagdrempelige ondersteuning van ouders en kinderen is ook in Caribisch Nederland een prioriteit. Dit wordt op verschillende manieren vormgegeven. Op Saba is Youth & Family Support ondergebracht bij de dienst Community Development, die ook taken uitvoert op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling en arbeidsparticipatie. De dienst Community Development werkt nauw samen met de dienst Public Health en het daaronder vallende consultatiebureau. Op St. Eustatius is de opvoedkundige actief in het Social Support team waarbinnen ook het maatschappelijk werk en het jongerenwerk is georganiseerd. Deze onderhoudt een korte lijn met de Baby Clinic die ook onder het openbaar lichaam valt. Tenslotte loopt er op Bonaire een project gericht op de versterking van de dienstverlening op het gebied van eerstelijns jeugd- en gezinswerk, maatschappelijke ondersteuning, armoedebestrijding (inclusief schuldhulpverlening) en sociale activering/participatie. Om dit te bereiken wordt er één uitvoeringsorganisatie opgericht die deze taken uitvoert en zo een integrale aanpak van de hulpverlening aan een gezin kan bewerkstelligen.

Vraag 17

De landen in het koninkrijk geven aan met een hoge rente te moeten lenen, terwijl Nederland relatief goedkoop kan lenen. Is het mogelijk om de landen toe te staan om tegen dezelfde voorwaarden te lenen voor economische investeringen?

Antwoord

Curaçao en Sint Maarten kunnen, in tegenstelling tot Aruba, op basis van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten voor de kapitaaldienst via Nederland tegen zeer gunstige rentetarieven lenen. In uitzonderlijke gevallen zoals Covid-19 en orkaan Irma mogen de landen ook lenen voor de lopende dienst. Curaçao en Sint Maarten lenen hiervoor ook bij Nederland. Ook Aruba leent in verband met de huidige Covid-crisis, in tegenstelling tot de normale situatie, bij Nederland voor de gewone dienst. Op het moment dat de leningaanvraag wordt gehonoreerd, al dan niet via tussenkomst van het C(A)ft, wordt het door Nederland gevraagde rentetarief bepaald door de rente die Nederland zelf betaalt op de kapitaalmarkt met een beperkte risico-opslag voor het default risico dat Nederland loopt. Zo betalen de landen op dit moment 0% rente op de liquiditeitsleningen.

Vraag 18

Heeft toenmalig Minister Hirsch-Ballin verklaard aan de landen van het Koninkrijk voorafgaand aan 2010 dat de geschillenregeling bindend zou moeten zijn?

Antwoord

De toenmalige Minister heeft in 2010, in de nota naar aanleiding van de Verslagen van de Staten van de Nederlandse Antillen en Aruba, de intentie uitgesproken tot het instellen van een onafhankelijke instantie die juridische geschillen over de interpretatie van het Statuut kan beslechten.


X Noot
1

I.v.m. toevoegen Eerste Kamer aanduiding.

X Noot
2

Hierover bent u reeds geïnformeerd in de brief van 11 juni 2021 (Kamerstuk 34 773, nr. 23) waarin de oorzaken hiervan worden toegelicht.

X Noot
3

Voor de bedragen van 2021, zie Kamerstuk 35 570 IV, nr. 45, bijlage.

X Noot
4

Kamerstuk 35 000 VI, nr. 11.

Naar boven