Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 mei 2015
In deze brief geef ik, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
aan op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de motie Van Weyenberg, Heerma en
Mulder (Kamerstuk 33 818, nr. 66) over op welke wijze de rijksoverheid handelt in de geest van de Wet werk en zekerheid
(Wwz).
De Wwz is een belangrijke uitwerking van het Sociaal Akkoord en heeft als doel de
balans tussen de bescherming van flexibele en vaste contracten te herstellen. Deze
nieuwe balans voor de arbeidsmarkt wordt bereikt door een herziening van het flexrecht,
het ontslagrecht en de Werkloosheidswet.
De aanpassingen van de Wwz aangaande het flexrecht en het ontslagrecht zijn doorgevoerd
in het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze wijzigingen, die ingaan op 1 juli 2015, zijn
niet op ambtenaren van toepassing, omdat ambtenaren een eigen rechtspositie hebben,
zoals het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De initiatiefwet normalisering
rechtspositie ambtenaren, die thans voorligt in de Eerste Kamer en door het kabinet
wordt gesteund, beoogt hier verandering in te brengen. Het gehele reguliere arbeidsrecht,
inclusief de aanpassingen uit de Wwz, gaat in het geval dit initiatief tot wet wordt
verheven onverkort gelden voor ambtenaren waarop het ARAR van toepassing is, omdat
het ARAR dan komt te vervallen.
Het BW, inclusief de Wwz, is wel van toepassing op de uitzendkrachten en payrollwerknemers
bij de rijksoverheid. Primair op de arbeidsverhouding tussen uitlenende organisatie
en de uitzendkracht of payrollwerknemer. Uiteraard is voor de rijksoverheid vanuit
het oogpunt van goed werkgeverschap de geest van de Wwz leidend bij de inhuur van
uitzendkrachten en payrollwerknemers.
Het uitgangspunt van de Wwz is dat inzet van flexarbeid prima is wanneer het werk
dit vereist (bijvoorbeeld bij een tijdelijke of specialistische klus of als zeker
is dat functies vanwege krimp gaan verdwijnen). Ook worden flexcontracten gezien als
een geaccepteerd «screeningsinstrument» voor nieuwe medewerkers («tijdelijk met uitzicht
op vast»). Ook de rijksoverheid maakt om deze redenen gebruik van tijdelijke aanstellingen
of uitzendkrachten. Oneigenlijk gebruik van flexarbeid, zoals wanneer het langdurig
wordt ingezet voor in feite structurele werkzaamheden, past uiteraard niet bij de
bedrijfsvoering van de rijksoverheid. De rijksoverheid werkt ook niet mee aan het
omzeilen van de ketenbepaling uit de Wwz, dan wel het ARAR, zoals door het hanteren
van draaideurconstructies om het ontstaan van vaste contracten c.q. aanstellingen
te voorkomen.
Het Rijk is in 2014 gestart met de afbouw van payrolling. Deels heeft dit geleid tot
het in dienst nemen van de betreffende payrollwerknemers. Bij de verdere afbouw zal
het Rijk als lijn hanteren dat payrollwerknemers die structurele werkzaamheden verrichten
door het Rijk in dienst worden genomen. Dit geldt in ieder geval voor de payrollwerknemers
met een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Het Rijk zal niet meewerken aan constructies
waarbij payrollwerknemers worden vervangen door uitzendkrachten als in feite sprake
is van structurele werkzaamheden. Payrolling zal vanaf mei 2016 niet meer voorkomen
bij de sector Rijk.
Als het gaat om uitzendkrachten, is het bij het Rijk na beëindiging van de werkopdracht
aan de inlenende partij om te bepalen of een verlenging aan de orde is. Bij de overweging
al dan niet te verlengen speelt voor het Rijk, als inlenende partij, het ontstaan
van een vast contract en/of het in de toekomst verschuldigd zullen zijn van een transitievergoeding
geen rol. Indien sprake is van een mogelijke overgang van de uitzendkracht van fase
B naar fase C (een vast arbeidscontract bij het uitzendbureau), vindt er thans door
het uitzendbureau veelal een employability check plaats. Afhankelijk van deze uitkomst
biedt het uitzendbureau de uitzendkracht een vast contract aan. Het Rijk gaat in overleg
met de uitzendbureaus over de werkwijze bij uitzendkrachten die langdurig bij de rijksdienst
worden ingezet. Voor de goede orde wordt hierbij opgemerkt, dat het hier niet gaat
om structurele werkzaamheden maar om uitzendkrachten die gedurende langere tijd bij
verschillende organisatieonderdelen tijdelijke werkzaamheden verrichten. Als het gaat
om structurele werkzaamheden geldt immers dat de werkzaamheden zullen worden verricht
op basis van een aanstelling als ambtenaar.
Relevant voor de omvang en inzet van flexarbeid zijn ook andere doelstellingen die
het Rijk moet realiseren, zoals een efficiëntere en effectievere bedrijfsvoering.
Het Rijk hanteert als het gaat om externe inhuur een «comply or explain» norm van
10%. Het Rijk als totaliteit blijft onder de norm van 10%. Organisatieonderdelen die
boven deze norm zitten, lichten dit toe in hun jaarverslag en nemen waar mogelijk
actie om de inhuur terug te brengen. Het terugdringen van externe inhuur kan er ook
toe leiden dat het aantal uitzendkrachten wordt beperkt.
De Minister voor Wonen en Rijksdienst,
S.A. Blok