Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433815 nr. 5

33 815 Goedkeuring van het op 29 november 2012 te Washington tot stand gekomen Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking betreffende nationale en civiele veiligheid (Trb. 2012, 227 en 2013, 149)

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 20 januari 2014

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

   

I. ALGEMEEN

1

1. Inleiding

1

2. Inhoud

2

   

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

4

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de goedkeuringswet voor het verdrag tussen de Verenigde Staten en Nederland inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking betreffende nationale en civiele veiligheid. Zij zijn over het algemeen voorstander van wetenschappelijke en technologische samenwerking, maar vinden het wel belangrijk dat wordt zeker gesteld dat de resultaten van die samenwerking niet tot ongewenste effecten kunnen leiden. Zeker in het licht van de onduidelijkheid en twijfel over de methodes die de Amerikaanse veiligheidsdiensten gebruiken bij de verzameling en verwerking van gegevens vinden deze leden het van groot belang dat de reikwijdte en waarborgen van het verdrag nader door de regering toegelicht worden. Waar samenwerking en onderzoek in veel gevallen op de warme steun van de leden van de PvdA-fractie mag rekenen, geldt dat niet zondermeer voor samenwerking met de Verenigde Staten op dit onderwerp. Daarom stellen deze leden graag een aantal vragen aan de regering over het wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende verdrag. Zij onderstrepen de meerwaarde van samenwerking, maar zijn wel van mening dat hier hele heldere afspraken over gemaakt dienen te worden. Deze leden hebben onder andere daarover enkele vragen die verderop aan de orde zullen komen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Zij hebben hierover slechts een enkele vraag.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij verwelkomen de verdergaande wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen Nederland en de Verenigde Staten op het gebied van onderzoek naar mogelijkheden tot verbeteringen op het gebied van nationale veiligheid, terrorismebestrijding, cyberveiligheid, crisisbeheersing en migratie. Zij hebben daarover wel enkele vragen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Verdrag inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende nationale en civiele veiligheid. Zij hebben hierover nog enkele vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en willen de regering daarover nog enkele vragen stellen.

2. Inhoud

De leden van de PvdA-fractie willen graag informatie van de regering over de wetenschappelijke en technologische samenwerking die op dit moment plaatsvindt tussen Nederland en de Verenigde Staten op het gebied van veiligheid. Als voordeel van het bilaterale verdrag dat nu voorligt wordt genoemd dat er op basis van het verdrag betere afspraken te maken zijn over de precieze inhoud en uitvoering van gezamenlijk onderzoek. Deze leden willen graag nadere uitleg waarom deze afspraken zonder verdrag niet gemaakt kunnen worden en wat daarmee de grote meerwaarde van het verdrag is.

Het verdrag benoemt een flink aantal onderwerpen waarop samenwerking gezocht kan worden op basis van het verdrag. De aan het woord zijnde leden vragen wie er verantwoordelijk is voor de keuze van de uiteindelijk uit te werken onderzoeken en de manier waarop hier democratisch controle op gehouden zal worden.

Voornoemde leden merken op dat onder de doelstelling van het verdrag staat dat bijzondere aandacht uitgaat naar de ontwikkeling van veiligheidsoplossingen die de vrijheid en andere fundamentele rechten niet beperken. Deze leden zijn uiteraard voorstander van dergelijke veiligheidsoplossingen, maar zien in het verdrag geen waarborgen die ervoor zorgen dat alle onderzoeksplannen aan deze doelstelling voldoen. Daarom willen zij graag weten op welke wijze deze doelstelling geborgd wordt. Ook kunnen zij zich voorstellen dat er onderzoek gedaan wordt naar veiligheidsoplossingen die een verbetering opleveren voor de bescherming van fundamentele rechten ten opzichte van de bestaande situatie. Deze leden vragen de regering of bijvoorbeeld een privacy impact assessment gebruikt kan worden om onderzoeksvoorstellen te toetsen.

In het kader van het voorliggende verdrag zal sprake zijn van gegevensuitwisseling, waaraan voorwaarden worden gesteld. De leden van de PvdA-fractie zijn echter van mening dat de overheid van de Verenigde Staten een dubieuze reputatie heeft gekregen in de verzameling van informatie, ook als het goede bondgenoten betreft. Daarom vragen deze leden of de regering vertrouwen heeft dat informatie die in het kader van dit samenwerkingsverdrag uitgewisseld wordt daadwerkelijk alleen voor de beoogde samenwerking gebruikt wordt en alleen beschikbaar is voor bevoegde partijen. Zo ja, waarop baseert de regering dit vertrouwen?

Ten slotte willen de aan het woord zijnde leden graag weten of de regering van mening is dat, gelet op de huidige spanning rond de inlichtingendiensten van de Verenigde Staten, dit het juiste moment is om gezamenlijk onderzoek op het gebied van veiligheid uit te breiden. Deze leden hebben daar zelf hun sterke twijfels over en vragen de regering wat zij als noodzakelijke ontwikkelingen ziet alvorens er nagedacht kan worden over nieuwe wetenschappelijke en technologische samenwerking met de Verenigde Staten op het gebied van veiligheid. Ook vragen deze leden of de regering van mening is dat het logisch is om de inwerkingtreding van het verdrag in de tussentijd op te schorten.

De leden van de SP-fractie vragen of zij het goed lezen dat dit verdrag slechts de basis vormt om tot samenwerking te komen, maar dat dit enkel plaatsvindt aan de hand van concrete voorstellen indien beide partijen daar mee instemmen.

Deze leden merken voorts op dat een belangrijk uitgangspunt voor de samenwerking op basis van het verdrag is dat de vrijheid en fundamentele rechten van de onderdanen van beide verdragspartijen niet worden beperkt. Zij kunnen zich van harte vinden in dit uitgangspunt. Tegelijk vragen zij hoe deze afspraak zich verhoudt tot de afluisterpraktijken van de National Security Agency (NSA) die onlangs naar buiten zijn gekomen en waaruit duidelijk wordt dat juist deze fundamentele rechten worden geschonden. Kan de regering aangeven hoe zij tegen deze praktijken aankijkt en wat de gevolgen hiervan zijn voor dit verdrag?

De leden van de PVV-fractie merken op dat in het verdrag is bepaald dat naast samenwerking op de terreinen genoemd in artikel 2, onderdeel a tot en met f, ook bij andere door de verdragspartijen vast te stellen activiteiten op het gebied van terrorismebestrijding en nationale veiligheid kan worden samengewerkt. Aan welke andere activiteiten wordt dan gedacht en kan de regering hier voorbeelden van geven?

De leden van de CDA-fractie constateren dat het verdrag tot stand is gekomen naast en als aanvulling op de al bestaande kaders voor samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie in EU-verband. Sinds november 2010 bestaat de Uitvoeringsovereenkomst tussen de Europese Commissie en de regering van de Verenigde Staten inzake samenwerkingsactiviteiten op het gebied van onderzoek naar de binnenlandse en de civiele veiligheid. Deze leden vragen tot welke resultaten deze uitvoeringsovereenkomst heeft geleid en wat de meerwaarde is van het onderhavige bilaterale verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten ten opzichte van deze uitvoeringsovereenkomst.

De leden van de D66-fractie vragen de regering op welke manier dit verdrag invloed kan hebben op een eventuele samenwerking tussen de Nederlandse en Amerikaanse veiligheidsdiensten.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een toelichting op de reikwijdte van het soort onderzoeken dat onder dit verdrag bilateraal uitgevoerd kan worden. Zij constateren dat er een link wordt gelegd met cybersecurity, terrorisme en forensisch onderzoek. De indruk is dat het verdrag puur draait om wetenschappelijk onderzoek en dat er dus geen verband is met strafrechtelijke onderzoeken en de Amerikaanse anti-terrorismewetgeving. Kan de regering dit bevestigen? Daarnaast vragen voornoemde leden om een toelichting op de voorbeelden zoals genoemd in voetnoot één van de memorie van toelichting om een beter beeld te krijgen van de reikwijdte van het verdrag. Wat zijn de concrete onderzoeksvragen die zijn opgenomen in de vier contracten die tot nu toe zijn gesloten?

De aan het woord zijnde leden vragen de regering nader in te gaan op dit wetsvoorstel in het licht van de recente nationale en internationale debatten over de werkwijze van de inlichtingendienst NSA. Deze leden vragen in dit kader of er voldoende waarborgen zijn dat informatie niet op een andere wijze dan het voor beoogde doel kan worden gebruikt of dat via de wetenschappelijke samenwerking ook (makkelijker) toegang kan worden verkregen tot andere informatie. Hoe is het toezicht geregeld bij de gezamenlijke onderzoeken die dit wetsvoorstel mogelijk maakt?

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

De leden van de SP-fractie merken op dat het verdrag ruimte biedt om ook bij andere door de verdragspartijen vast te stellen activiteiten op het gebied van terrorismebestrijding en binnenlandse veiligheid samen te werken. Welke invulling in de toekomst hieraan zal kunnen worden gegeven is vooralsnog onduidelijk, constateert de Afdeling advisering van de Raad van State volgens deze leden terecht. Kan de regering aangeven wat voor activiteiten dit zouden kunnen zijn en met welke reikwijdte? Zijn er al concrete voornemens bij de regering om gebruik te maken van artikel 2, onderdeel g en zo ja, hoe zien die voornemens er uit? Deelt de regering de mening van de leden van de SP-fractie dat indien gebruik gemaakt wordt van onderdeel g van artikel 2, de regering de Kamer hiervan op de hoogte moet stellen en het voorstel aan de Kamer voor moet leggen ter goedkeuring? Zo nee, waarom niet?

De leden van de D66-fractie lezen in het wetsvoorstel dat er nog onduidelijkheid is over welke invulling in de toekomst aan de doelstellingen van het verdrag zal worden gegeven. Kan de regering toelichten aan welke andere activiteiten op het gebied van terrorismebestrijding en nationale veiligheid kan worden gedacht?

Artikel 10

De leden van de SP-fractie merken op dat afspraken over financiering worden gemaakt voorafgaand aan de start van een samenwerkingsactiviteit. Er kan voor verschillende wijzen van financiering gekozen worden. De regering noemt als mogelijkheid dat beide landen een evenredig deel financieren, maar ook dat één land een samenwerkingsactiviteit volledig financiert en het andere land personeel of materieel ten behoeve van een samenwerkingsactiviteit beschikbaar stelt. Deze leden vragen of ook naar inwoneraantal of percentage van het overheidsbudget bekostigd kan worden, gelet op het feit dat de Verenigde Staten veel groter zijn dan Nederland en dus over een ruimere begroting beschikken. Daarnaast zouden deze leden graag van de regering horen om welke bedragen het in de praktijk jaarlijks zal gaan. Hoeveel geld denkt de regering jaarlijks te gaan besteden in het kader van dit verdrag en welke investering van de Verenigde Staten staat daar tegenover?

De leden van de CDA-fractie vragen of er bij voorbaat een bepaald budget beschikbaar is voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten op basis van het verdrag en zo ja, van welke omvang.

Artikel 11

De leden van de SP-fractie merken op dat er afspraken worden gemaakt om te voorkomen dat gerubriceerde en gecontroleerde ongerubriceerde informatie in handen komt van ongeautoriseerden of ongeoorloofd verder verspreid wordt. Het is echter niet duidelijk hoe Nederland gaat controleren dat de Verenigde Staten informatie niet uitwisselen met onbevoegde derden en andersom hoe de Verenigde Staten dit gaan controleren in Nederland. Hoe wordt toegezien dat de afspraken daadwerkelijk nagekomen worden en hoe wordt ingegrepen indien dit niet het geval is?

Deze leden lezen voorts in artikel 11, vijfde lid, dat persoonsgegevens uitsluitend worden uitgewisseld indien de verdragspartijen daartoe besluiten ter ondersteuning van een projectakkoord. De regering geeft aan dat niet is voorzien dat op basis van dit verdrag regelmatig persoonsgegevens worden uitgewisseld. Voornoemde leden vinden dit te mager. Zij zijn van mening dat dit verdrag nooit een basis mag vormen om tot uitwisseling te komen van persoonsgegevens aangezien het hier gaat om een wetenschappelijke en technologische samenwerking. Persoonsgegevens horen in dat verband geen onderdeel uit te maken van dit verdrag. Waarom heeft de regering er voor gekozen toch een basis te leggen in dit verdrag voor eventuele uitwisseling van deze gegevens? Hoe kunnen persoonsgegevens een wetenschappelijk of ander doel op basis van dit verdrag dienen? Kan de regering voorbeelden geven wanneer hier volgens haar sprake van zou kunnen zijn?

Deze leden zouden graag zien dat dit vijfde lid alsnog geschrapt wordt uit het verdrag. Heeft de regering die onderhandelingsruimte nog met de Verenigde Staten en zo ja, is zij bereid dit te doen?

De leden van de CDA-fractie vragen of de beveiligingsambtenaar van het Ministerie van Veiligheid en Justitie de enige beveiligingsautoriteit is voor de begeleiding van de implementatie van en toezicht op de naleving van de overeengekomen beveiligingsregelingen betreffende de uitwisseling van informatie, apparatuur en materialen. Ook vragen zij hoe de functie van deze beveiligingsambtenaar zich verhoudt tot die van de in artikel 4 respectievelijk artikel 5 genoemde «uitvoerende agent» respectievelijk «beheerder». Voorts vragen deze leden of er bij het toezicht op de juiste naleving van de verdragsbepalingen inzake het uitwisselen van persoonsgegevens een rol is weggelegd voor het College bescherming persoonsgegevens.

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat, indien vragen bestaan over de wijze waarop van Nederlandse zijde verstrekte persoonsgegevens worden verwerkt, ervoor wordt gekozen om geen persoonsgegevens uit te wisselen. Deze leden vragen of het klopt dat onder vragen ook de situatie wordt verstaan waarin (bijna) vaststaat dat uitgewisselde gegevens onrechtmatig verwerkt worden. Zo nee, wat wordt hier dan onder verstaan?

Artikel 13

De leden van de SP-fractie merken op dat publicatie van onderzoeksresultaten in beginsel wordt nagestreefd om verder onderzoek in de publieke of private sector te stimuleren. Indien de andere partij te kennen geeft niet akkoord te gaan met enige vorm van openbaarmaking zal hiertoe niet worden overgegaan dan nadat overeenstemming is bereikt over de voorwaarden waaronder tot openbaarmaking overgegaan kan worden. Deze leden vragen wat er gebeurt als die overeenstemming niet wordt bereikt. Klopt de conclusie dat er dan dus geen sprake zal zijn van openbaarmaking van de informatie?

Artikel 20

De leden van de SP-fractie constateren dat ingevolge artikel 20, tweede lid, het verdrag vanaf 29 november 2012 al voorlopig wordt toegepast. De Afdeling advisering van de Raad van State was kritisch op dit besluit. Voorlopige toepassing houdt in dat een verdrag al wordt toegepast voordat het in werking treedt. Hiervoor wordt onder meer gekozen wanneer parlementaire goedkeuring niet kan worden afgewacht. Die uitzondering, die hier aan de orde is, vraagt om een bijzondere rechtvaardiging. Deze leden hebben kennisgenomen van de aangevulde motivering van de regering om het verdrag al in werking te stellen voordat de Kamer hierover heeft kunnen besluiten. Zij vragen of deze redenen wel zwaarwegend genoeg zijn om de rechten van het parlement te passeren. Hoe was onze nationale veiligheid in gevaar gekomen als eerst behandeling in de Kamer was afgewacht? Welke kritische en noodzakelijke verbeteringen zijn nu doorgevoerd die niet mogelijk waren geweest als dit verdrag niet vroegtijdig in werking was getreden? Welke concrete projecten en samenwerkingsactiviteiten zijn sinds 29 november 2012 in gang gezet en welke belangen waren daarbij groter dan de grondwettelijke bevoegdheid van de Staten-Generaal om verdragen goed te keuren voordat het Koninkrijk daaraan wordt gebonden?

De leden van de CDA-fractie merken op dat het verdrag al vanaf 29 oktober 2012 wordt toegepast, zonder voorafgaande parlementaire goedkeuring. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft aangegeven dat zulk een voorlopige toepassing om een bijzondere rechtvaardigingsgrond vraagt. De regering geeft aan dat voor een voorlopige toepassing is gekozen om in te kunnen haken op bestaande of op handen zijnde onderzoeksvoorstellen, met name op het gebied van cybersecurity, cyberforensics en forensische samenwerking, hetgeen positief uitwerkt op de positie van Nederland op de onderzoeksmarkt. Ook wordt gesteld dat er voordelen voortvloeien betreffende verbetering van de kennispositie van Nederland, de veiligheid van Nederland en kostenbesparingen. De aan het woord zijnde leden vragen of concrete voorbeelden kunnen worden gegeven van behaalde voordelen.

De voorzitter van de commissie, Jadnanansing

De griffier van de commissie, Van Doorn