Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag dat de leden van de vaste
commissie voor Veiligheid en Justitie over dit wetsvoorstel hebben uitgebracht. Daaruit
blijkt dat de nadere memorie van antwoord de commissie aanleiding heeft gegeven tot
het stellen van een drietal vragen. Deze vragen zal ik hierna beantwoorden.
De leden van de commissie vragen zich af of zij het goed begrepen hebben dat zodra
een duidelijke relatie is vastgesteld tussen het geweldsmisdrijf en het gebruik van
alcohol en drugs op grond van de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen
de strafverhoging van 75% van de strafmaat dient te worden geëist, los van eventueel
ter terechtzitting gebleken feiten en omstandigheden. Indien de vraag van de commissie
bevestigend zou worden beantwoord, zou dit volgens deze leden betekenen dat de facto
een minimumstraf voor dit type delicten wordt geïntroduceerd.
Zoals in de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen is beschreven,
dienen richtlijnen ter ondersteuning bij de afdoening van strafzaken als tot strafvervolging
of tot een OM-afdoening is besloten. Daartoe zijn algemeen geldende uitgangspunten
benoemd. Middelengebruik leidt in het algemeen tot ontremming, maar dat betekent niet
dat een oorzakelijk verband tussen het middelengebruik en het geweld zonder meer kan
worden aangenomen. Of het gebruik in het concrete geval ook heeft geleid tot of heeft
bijgedragen aan het geweld zal telkens afzonderlijk moeten worden beoordeeld, onder
meer aan de hand van verklaringen van getuigen, de waarnemingen van verbalisanten
en de uitslag van het onderzoek naar het gebruik van middelen.
Als in een concrete zaak een duidelijke relatie is vastgesteld tussen het gebruik
van alcohol of drugs en het gepleegde delict, dient dit op grond van de Aanwijzing
als substantieel strafverzwarend (+75%) te worden beoordeeld bij het bepalen van het
uitgangspunt voor de straftoemeting. Het bepalen van dat uitgangspunt is de eerste
stap. Vervolgens wordt door de officier van justitie, binnen de maatschappelijke context
van het specifieke feit, een afweging gemaakt om te komen tot een op de zaak toegesneden
afdoening. Dan gaat het om maatwerk in het concrete geval, waarbij ook andere factoren
worden betrokken, zoals bijvoorbeeld de impact op de omgeving, de persoonlijke omstandigheden
van de verdachte en het advies van de reclassering. Het in de eerste stap vastgestelde
uitgangspunt geldt daarbij niet als minimum voor het bepalen van het door de officier
van justitie te eisen of op te leggen straf. Er is dan ook zeker geen sprake van het
de facto introduceren van een minimumstraf voor dit type delicten. Bij het bepalen
van de strafeis ter terechtzitting zal de officier van justitie uiteraard ook de dan
gebleken feiten en omstandigheden betrekken.
Verder vragen de leden van de commissie zich af hoe de duidelijke relatie tussen het
geweldsmisdrijf en het gebruik van alcohol en drugs als bedoeld in de Aanwijzing kader
voor strafvordering en OM-afdoeningen wordt vastgesteld.
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord dat ik op de vorige vraag
van de leden van de commissie heb gegeven.
Tot slot vragen de leden van de commissie zich af hoe de uitkomst zou zijn als de
zaak via de ZSM-route (buiten de rechter) wordt afgedaan. Dient de officier van justitie
dan ook standaard 75% verhoging toe te passen, zo vragen deze leden zich af.
Om misverstanden te voorkomen merk ik op dat de ZSM-route niet per definitie buiten
de rechter om is. Doel van het ZSM-traject is binnen de eerste zes uren respectievelijk
drie dagen na aanhouding tot een afdoeningsbeslissing te komen. Die beslissing kan
inhouden dat de officier van justitie een strafbeschikking oplegt, maar kan ook inhouden
dat een dagvaarding wordt uitgereikt. Voor de afweging van de officier van justitie
in het licht van de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen maakt het
niet uit of een geweldsmisdrijf onder invloed van middelen door de rechter wordt afgedaan
of door de officier van justitie met een strafbeschikking, met dien verstande dat
de keuze voor berechting meestal wordt ingegeven door de overweging dat een vrijheidsstraf
moet worden opgelegd.
Tot slot maak ik van deze gelegenheid graag gebruik om bij deze nota het rapport te
voegen van het onderzoek dat de Universiteit van Maastricht, het AMC Psychiatrie van
de Universiteit van Amsterdam en het Radboud UMC Nijmegen in opdracht van mijn ministerie
naar middelengebruik en geweldpleging hebben uitgevoerd en waaraan ik in de nadere
memorie van antwoord al heb gerefereerd. Het onderzoeksrapport, getiteld «Middelengebruik
en geweld. Een literatuurstudie naar de relatie tussen alcohol, drugs en geweld»,
biedt een overzicht van de aard en omvang van middelengerelateerd geweld in Nederland
en andere Europese landen. Ook gaat het rapport in op de meest recente wetenschappelijke
inzichten in de relatie tussen middelengebruik en geweldpleging en de onderliggende
mechanismen die hierbij een rol spelen.
De Minister van Veiligheid en Justitie,
G.A. van der Steur