33 797 Wijziging van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek en de Huisvestingswet naar aanleiding van de evaluatie van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wet uitbreiding Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek)

AF BRIEF VAN DE MINISTER VOOR VOLKSHUISVESTIGING EN RUIMTELIJKE ORDENING

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 april 2022

Hierbij bied ik uw Kamer het rapport «Leefbaarheid in Nederland 2020» aan. Deze rapportage is gebaseerd op de uitkomsten van de Leefbaarometer 3.0.

Tevens bied ik u het rapport «Leefbaarometer 3.0; instrumentontwikkeling» aan, waarin de herijking van de Leefbaarometer uitgebreid is toegelicht.

Met het aanbieden van dit laatst genoemde rapport doe ik de toezegging aan uw Kamer gestand van de vorige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar aanleiding van de beantwoording van vervolgvragen van de leden van de fracties van GroenLinks en van de PvdA die zijn gesteld over onder andere de systematiek van de Leefbaarometer.1

Tevens ontvangt u hierbij een afschrift van de brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal naar aanleiding van beide rapporten.

De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, H.M. de Jonge

BRIEF VAN DE MINISTER VOOR VOLKSHUISVESTIGING EN RUIMTELIJKE ORDENING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 april 2022

Met deze brief informeer ik uw Kamer over het rapport «Leefbaarheid in Nederland 2020», gebaseerd op de uitkomsten van de Leefbaarometer 3.0. Deze rapportage en de achterliggende gegevens zal ik betrekken bij het verder uitwerken van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid.2 Het kabinet start dit programma om de leefsituatie en het perspectief van bewoners van de meest kwetsbare gebieden in Nederland te verbeteren en om te voorkomen dat deze gebieden verder achteropraken. In deze gebieden is er sprake van een uiteenlopende combinatie en cumulatie van (grootstedelijke) opgaven. In dit licht moet ook de eerdere oproep »Dicht de Kloof!» van 15 burgemeesters en verschillende maatschappelijke partners medio vorig jaar worden gezien.

Uit het analyserapport blijkt dat de leefbaarheid in het overgrote deel van Nederland opnieuw is toegenomen. Tegelijkertijd zijn er zorgen over buurten en wijken waar de leefbaarheid langjarig onder druk staat en de problematiek hardnekkig is. Onder de algemene positieve trend gaan grote verschillen schuil tussen en binnen steden. Er is een harde kern van (delen van) buurten en wijken waar bewoners ontevreden zijn over de eigen leefomgeving. Het analyserapport onderstreept de noodzaak om een Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid voor te bereiden.

De onderzoekers concluderen in het rapport dat er in 50 gemeenten 193 wijken zijn met daarin gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat en achterblijft bij de algemeen positieve ontwikkeling (zie bijlage 3 van het analyserapport). In deze gebieden wonen ongeveer 537 duizend huishoudens. Het merendeel van de eerder met uw Kamer gecommuniceerde «stedelijke vernieuwingsgebieden»3 komt ook nu weer terug in die lijst met aandachtwijken. Ik informeer uw Kamer voor de zomer over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Het is mijn inzet om de kennis en ervaring vanuit dat programma ook in te zetten voor de andere, in het rapport genoemde wijken.

Met de toezending van het analyserapport kom ik tegemoet aan de wens van uw Kamer om u tweejaarlijks over de stand van zaken met betrekking tot de leefbaarheid te informeren. Met de toezending van dit rapport doe ik ook de toezegging van de vorige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan het lid Bromet (GroenLinks) gestand.4

Tevens is bijgevoegd het rapport «Leefbaarometer 3.0; instrumentontwikkeling», dat ingaat op de herijking van het model.

De Leefbaarometer is een monitor- en signaleringsinstrument waarmee een inschatting wordt gegeven van de leefbaarheid in Nederland, zoals bewoners die ervaren in hun buurt of wijk. Dit gebeurt aan de hand van 94 indicatoren binnen de volgende vijf «dimensies»: fysieke omgeving, woningvoorraad, voorzieningen, sociale samenhang, overlast en onveiligheid. Het bijgaande analyserapport beschrijft de leefbaarheidssituatie en ontwikkelingen in met name de periode 2018–2020.

Landelijk beeld: langdurig positieve ontwikkeling van de leefbaarheid

In het overgrote deel van Nederland is sinds 2002 sprake van een voortdurende verbetering van de leefbaarheid. Het aandeel huishoudens dat in een woonomgeving woont waar de leefbaarheid als «goed» of «uitstekend» kan worden getypeerd neemt steeds verder toe. In 2014 ging het nog om 22% van alle huishoudens, in 2020 is dat gestegen naar 30%. In 2014 woonde nog 6% van alle huishoudens in een gebied met onvoldoende leefbaarheid; in 2020 is dit gedaald tot 4%. Deze langjarige trend zette zich ook in de periode 2018–2020 door. Verder nemen de verschillen in leefbaarheid ook af. Gebieden die in 2002 nog op een «(zeer) onvoldoende» uitkwamen, zijn in de afgelopen 18 jaar gemiddeld genomen verbeterd tot een score «zwak». In deze gebieden is de sterkste positieve ontwikkeling te zien. Naarmate de uitgangspositie in 2002 gunstiger was, is de ontwikkeling wat vlakker geweest. In 2020 woonden nog 280 duizend huishoudens (circa 600 duizend inwoners) in een gebied met onvoldoende leefbaarheid. Dat waren er 90 duizend huishoudens minder dan in 2018. In 2018 ging het volgens de Leefbaarometer 3.0 om 370 duizend huishoudens (circa 750 duizend inwoners).

Gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat

Als op basis van omvang, ernst en duur van de leefbaarheidsproblematiek een selectie wordt gemaakt, dan komen de onderzoekers uit op 426 buurten5 in 193 wijken in 50 gemeenten waar de leefbaarheid structureel onder druk staat (zie ook bijlage 3 van het analyserapport). In deze (delen van) buurten en wijken, die in 2020 een score «zwak» of lager hadden, wonen ongeveer 537.000 huishoudens (circa 1,1 miljoen inwoners). Daarvan wonen ongeveer 240.000 huishoudens (circa 507.000 inwoners) in gebieden die in 2020 een score «onvoldoende» of lager hadden. De meeste van deze «structureel onder druk»-gebieden bevinden zich in en rond de grote steden (Rotterdam-Rijnmond, Groot-Amsterdam, Haaglanden, Utrecht), maar ook in andere regio’s, zoals Drechtsteden, IJmond en Parkstad Limburg. Daarnaast zijn er andere gemeenten met (delen van) buurten en wijken waar de leefbaarheid structureel onder druk staat, zoals Lelystad, Delfzijl (sinds 1 januari 2021 onderdeel van de gemeente Eemsdelta), Leeuwarden, Emmen, Den Helder en Maastricht en de veelal grotere steden in Gelderland en Noord-Brabant. Deze gebieden vallen vaak op doordat in het bijzonder de scores op overlast en onveiligheid, sociale samenhang en woningvoorraad er (structureel) laag zijn.

Er is een duidelijk contrast tussen de wijken waar de leefbaarheid structureel onder druk staat en de gebieden die – vanuit een kwetsbare positie – conform de landelijke trend een gunstige ontwikkeling lieten zien tussen 2014 en 2020. De gebieden waar het beter ging, hebben zich vanuit een iets betere uitgangspositie gemiddeld sterker positief ontwikkeld (van «zwak» naar «voldoende») dan de gebieden structureel onder druk (van «onvoldoende» naar de grens «zwak»-«onvoldoende»). Verder zijn die «verbeterde» gebieden vaker te vinden in de kleinere en minder stedelijke gemeenten en liggen ze vaak in wijken die laag, maar niet bijzonder laag scoorden. Zij lieten die verbetering in het bijzonder zien op de dimensie overlast en onveiligheid, gevolgd door woningvoorraad. Opvallend is dat deze gebieden zich ook vaak kenmerken door een constante positieve ontwikkeling. Dit terwijl de grootste groep van de gebieden die structureel onder druk staan een variabele ontwikkeling heeft gekend tussen 2014 en 2020: de ene keer wat beter, maar vervolgens weer slechter. Dat geeft aan dat het vasthouden van een positieve ontwikkeling geen vanzelfsprekendheid is. Om in deze gebieden structurele verbeteringen te realiseren is volgens de onderzoekers dan ook meer focus en vermoedelijk ook een langere adem nodig.

Grote verschillen tussen en binnen steden, grote contrasten in G4

Onder de algemene trends en gemiddelde uitkomsten gaan er grote verschillen schuil. Het aandeel huishoudens dat in een gebied woont dat op een onvoldoende uitkomt, is in de G4 een stuk groter (11%) dan in de G40 (4%). In zowel de G4 als de G40 is het aandeel huishoudens dat in een gebied woont dat «zwak» scoort in de Leefbaarometer ruim twee keer zo groot als in overig Nederland, waar het slechts gaat om 5% van de huishoudens.

De G4 hebben door de bril van de Leefbaarometer 3.0 gezien gemiddeld genomen een wat gunstigere leefbaarheid dan de G40. Dat komt vooral door het hoge voorzieningenniveau, in het bijzonder in de centrumgebieden. Onder de gemiddeld gunstige score in de G4 gaan grote contrasten schuil. Aan de ene kant zijn er veel gebieden met een zeer gunstige score (37% «zeer goed» of «uitstekend»; G40: 25%), maar aan de andere kant zijn er ook vrij veel gebieden met lage scores (24% zwak of lager; G40: 16%). Het middengebied van «gewoon» (ruim) voldoende of «goed» wordt in de G4 steeds kleiner (niet meer dan 30%; G40: 50%). Dat is met name het geval in Amsterdam.

Ook in de G40 zijn de verschillen groot. Zo zijn er steden binnen de G40, zoals Apeldoorn, waar praktisch geen buurten zijn met lage scores (zwak of onvoldoende) op de Leefbaarometer. Er zijn binnen de G40 echter ook steden, zoals Schiedam, waar de score voor de stad als geheel ongunstiger is dan die in de G4. In de meeste G40-gemeenten en de rest van Nederland zijn de contrasten binnen de gemeenten echter wel minder groot dan in de G4.

In aanvulling op de bevindingen in het analyserapport werken de opstellers van het rapport nog een aantal specifieke thema’s verder uit, waarover ik Uw Kamer voor de zomer nader zal informeren.

Vernieuwd model Leefbaarometer 3.0

De Leefbaarometer is recent «herijkt». Dat heeft geleid tot een vernieuwd model: de Leefbaarometer 3.0. Bij deze herijking is rekening gehouden met de laatste inzichten uit de wetenschappelijke literatuur en is de modelontwikkeling onderworpen aan wetenschappelijke toetsing. Er zijn uitgebreide statistische toetsen en controles uitgevoerd en de methodes van modelschatting zijn aangepast waardoor er een robuuster model is ontstaan. Er zijn ook nieuwe kenmerken toegevoegd, zoals ervaren onveiligheid, verkeersongevallen, luchtkwaliteit en sociale cohesie. Kenmerken die mogelijk als stigmatiserend kunnen worden ervaren zijn in het nieuwe model niet meer gebruikt. Dat betreft indicatoren die refereren aan migratieachtergrond, huishoudsamenstelling, uitkeringsafhankelijkheid, inkomen, leeftijd en opleiding.

In bijlage 1 van het analyserapport treft u een korte toelichting op het model aan. Voor een uitgebreide beschrijving van de modelontwikkeling verwijs ik u naar het bijgevoegde rapport «Leefbaarometer 3.0; instrumentontwikkeling», dat ook via de website www.leefbaarometer.nl kan worden geraadpleegd.

Vernieuwde website Leefbaarometer

Ook de website is vernieuwd en bevat naast een verbeterde presentatie nu ook kaartbeelden van de leefbaarheidssituatie en -ontwikkeling op het niveau van de afzonderlijke dimensies. Daarmee kan de gebruiker een beter inzicht krijgen in hoe verschillende gebieden zich tot elkaar verhouden op de dimensies tot op laag schaalniveau (grids van 100 x 100 meter) en voor geheel Nederland.

De Leefbaarometer is nadrukkelijk geen causaal model. Om de leefbaarheid te verbeteren zijn de in het model opgenomen omgevingskenmerken niet automatisch de beste «knoppen om aan te draaien». Het instrument signaleert waar het goed lijkt te gaan en waar juist niet en geeft – met de dimensies die erin worden onderscheiden – handvatten voor de richting waarin maatregelen voor verbetering van de leefbaarheid gezocht kunnen worden. De Leefbaarometer geeft geen directe aanwijzingen voor hoe dat zou moeten, maar signaleert alleen dat er op een bepaald thema wat aan de hand lijkt te zijn.

Hoe de situatie ter plekke écht is, vraagt altijd nader onderzoek omdat er lokaal ook zaken kunnen spelen die de Leefbaarometer niet (goed) meet. Het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid kan daaraan ondersteuning bieden met data en verdiepend onderzoeksinstrumentarium.

De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, H.M. de Jonge


X Noot
1

Kamerstukken I, 2020/21, 33 797, AA; blz. 7. Verslag van een nader schriftelijk overleg d.d. 12 juli 2021.

X Noot
2

Kamerstukken II, 2021/22, 32 847, nr. 878; Nationale Woon- en Bouwagenda d.d.11 maart 2022; blz. 40–41.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2019/20, 30 995, nr. 98 d.d. 31 maart 2020; bijlage.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2021/22, 32 847, nr. 824; blz. 19. Commissiedebat Leefbaarheid en Veiligheid d.d. 7 oktober 2021.

X Noot
5

In 2020 woonden in 1.413 woonbuurten minimaal 100 huishoudens in een gebied met een zwakke of onvoldoende leefbaarheid. In totaal zijn er ruim 13.000 woonbuurten in Nederland.

Naar boven