Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433773 nr. 3

33 773 Aanpassing van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken in verband met de naamswijziging van het Ministerie en het herstellen van enige wetstechnische gebreken en leemten

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING1

I. ALGEMEEN

Deze wet strekt tot aanpassing van diverse wetten op het terrein van het Ministerie van Economische zaken. Een groot deel van de wijzigingen is ingegeven door de naamswijziging van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en innovatie in het Ministerie van Economische zaken bij besluit van 5 november 2012, houdende naamswijziging van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (Stcrt. 2012, 23040).

In deze wet worden verder andere wetstechnische gebreken en leemten in een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken hersteld. Het gaat hierbij om verschrijvingen, onjuiste verwijzingen en wetstechnische leemten.

Dit wetsvoorstel omvat als zodanig louter technische en redactionele wijzigingen van bestaande wetgeving. De voorgestelde wijzigingen hebben dan ook geen invloed op de administratieve lasten en inhoudelijke nalevingskosten.

II. ARTIKELEN

Artikel I

Onderdeel B

Op grond van de Aanbestedingswet 2012 moeten alle aankondigingen op Tenderned worden gedaan. Dat geldt uiteraard ook voor de in dit artikel bedoelde aankondiging. De voorgestelde tekst stelt dat buiten twijfel.

Onderdeel D

In artikel 2.71, vijfde lid, is abusievelijk naar een verkeerde bijlage uit richtlijn 2004/18/EG verwezen. De voorgestelde wijziging verbetert die verwijzing.2

Onderdeel E

Tijdstip en aanvangsuur, waar de huidige tekst van spreekt, zijn hetzelfde. Bedoeld is uiteraard datum en aanvangsuur (zie ook de Franse en Engelse tekst van artikel 54, vierde lid, van richtlijn nr. 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU L 134).

Onderdeel F

De voorgestelde wijziging brengt de terminologie in artikel 2.130 in overeenstemming met die in de overige bepalingen van paragraaf 2.3.8.6.

Onderdeel I

Artikel 3.65, vierde en vijfde lid, is een implementatie van artikel 54, vierde lid, van richtlijn 2004/17/EG, die weer verwijst naar artikel 45, eerste lid, van richtlijn 2004/18/EG. In laatstgenoemd artikellid wordt onder meer aangegeven dat lidstaten overeenkomstig hun nationaal recht en onder eerbiediging van het communautair recht de voorwaarden voor de toepassing van de dwingende uitsluitingsgronden als bedoeld in dat lid bepalen. Voor aanbestedende diensten is hieraan invulling gegeven in artikel 2.88 dat bepaalt wanneer van toepassing van die uitsluitingsgronden kan worden afgezien. Voor speciale-sectorbedrijven was diezelfde uitzondering nog niet uitdrukkelijk in de wet opgenomen, zodat de voorgestelde wijziging daarin alsnog voorziet.

Onderdeel S

Bij Gewijzigd amendement van het lid Verhoeven ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 43 (Kamerstuk 32 440, nr. 68) is de opschortende termijn gewijzigd in artikel 2.127 derde lid (toen artikel 2.26) van 15 naar 20 dagen. De termijn in artikel 4.16 wordt overeenkomstig aangepast.

Onderdeel T

Artikel 4.32 treft een voorziening voor bouwbedrijven die indertijd hebben meegewerkt aan vertrouwenwekkende maatregelen die zijn afgesproken in het vervolgtraject op de Parlementaire Enquête Bouwnijverheid. Bepaald is dat daaronder vallende overtredingen van de Mededingingswet niet worden meegewogen bij een beslissing op een aanvraag omtrent een gedragsverklaring aanbesteden. Ten onrechte werden in artikel 4.32 de desbetreffende onherroepelijke beschikkingen van de Europese Commissie niet genoemd. Die omissie wordt thans hersteld. Artikel I, onderdeel T, werkt terug tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 4.32. Bij beslissingen op aanvragen omtrent een gedragsverklaring aanbesteden voor de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel is artikel 4.32 reeds analoog toegepast op beschikkingen van de Europese Commissie.

Artikel II

Onderdelen A tot en met F

De wijzigingen in de onderdelen A tot en met F zijn inhoudelijk hetzelfde als de wijzigingen in de onderdelen A tot en met F van artikel I van de Aanbestedingswet 2012. Voor een toelichting op deze onderdelen wordt naar die toelichting verwezen.

Artikel III

Als gevolg van de Wet dieren zijn de Diergeneesmiddelenwet en de Kaderwet diervoeders vervallen. De in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene douanewet bedoelde controles zijn opgenomen in de Wet dieren. Met deze wijziging worden de verouderde verwijzingen geactualiseerd.

Artikel IV

Artikel 3.52a, elfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 geeft de Minister van Economische Zaken een bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen in het geval een belanghebbende in het kader van de aftrek van kosten en uitgaven die direct toerekenbaar zijn aan verricht speur- en ontwikkelingswerk (zogenoemde RDA-beschikking) bepaalde verplichtingen niet heeft nageleefd. Gelet op artikel 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten dient tegen een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete beroep in twee instanties open te staan. Met het oog hierop worden de hier bedoelde boetebesluiten uitgezonderd van de opsomming in bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht van besluiten waartegen beroep in eerste en enige aanleg openstaat bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (artikel 4). Door invoeging van artikel 3.52a, elfde lid, in de alfabetische rangschikkingen in de artikelen 7 en 11 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt bereikt dat tegen deze besluiten beroep in eerste aanleg bij de rechtbank Rotterdam en hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven komt open te staan. Dit sluit aan bij de rechtsgang die ook elders in de wetgeving gebruikelijk is bij boetebesluiten op het terrein van het economisch bestuursrecht.

In reactie op een overtreding zal veelal niet alleen een boete worden opgelegd, maar ook het bedrag dat fiscaal aftrekbaar is, worden gecorrigeerd; dit gebeurt door middel van een correctie-RDA-beschikking (artikel 3.52a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001). Gelet op de samenhang tussen een correctie- en een boetebesluit in dat geval is geregeld dat alsdan ook tegen de correctiebeschikking beroep in twee instanties openstaat. Het is ook mogelijk dat een correctiebeschikking niet gepaard gaat met een boetebesluit; in dat geval blijft het beroep in eerste en enige aanleg bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven tegen de correctiebeschikking gehandhaafd.

Artikel X

Onderdeel B

In het vierde lid van artikel 11a van de Elektriciteitswet 1998 is geregeld dat de Minister goedkeuring kan geven of onthouden aan de benoeming van een lid van de raad van commissarissen van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. De betreffende bepaling komt te vervallen nu in het kader van de certificering van de landelijke netbeheerders twijfel is gerezen over de verenigbaarheid van de betreffende bepaling met de Europese ontvlechtingseisen. In de Gaswet is de vergelijkbare bepaling inmiddels al vervallen.

Artikelen X, onderdeel C, XIII, onderdeel C en XXIII, onderdeel C

Op 1 juni 2013 is Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PbEU 2013, L 115) van kracht geworden. De verordening ziet op de tijdige ontwikkeling en interoperabiliteit van trans-Europese energie-infrastructuur. Als onderdeel van de verordening zijn regels opgenomen met betrekking tot de vergunningverlening voor projecten die op grond van de verordening zijn aangemerkt als projecten van gemeenschappelijk belang. Deze regels vereisen onder meer dat de meest efficiënte nationale procedure wordt gevolgd bij projecten van gemeenschappelijk belang. In Nederland is dat de rijkscoördinatieregeling. In beginsel zullen projecten van gemeenschappelijk belang in de zin van de verordening voldoen aan de criteria voor de toepassing van de rijkscoördinatieregeling die zijn opgenomen in de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet en de Mijnbouwwet. Om zeker te zijn dat de rijkscoördinatieregeling toegepast kan worden op alle projecten van gemeenschappelijk belang wordt aan deze wetten een bepaling toegevoegd die de rijkscoördinatieregeling expliciet van toepassing verklaart op projecten van gemeenschappelijk belang in de zin van de verordening. Hiermee worden geen inhoudelijke wijziging in de rijkscoördinatieregeling voor energie-infrastructuurprojecten aangebracht.

Artikel XIII

Onderdeel B

In artikel 12, derde lid, van de Gaswet is een zogenaamde nahangprocedure bij beide kamers van de Staten-Generaal opgenomen ten aanzien van de Regeling tariefstructuren en voorwaarden gas. De procedure schrijft voor dat de ministeriële regeling bij koninklijk besluit in werking treedt. Het is echter niet gebruikelijk dat een ministeriële regeling bij koninklijk besluit in werking treedt. Bovendien leidt dit tot onnodige extra formaliteiten. Om die reden wordt voorgesteld de datum van inwerkingtreding van de ministeriële regeling voortaan bij besluit van de Minister van Economische Zaken vast te stellen. Aan de inhoud van de nahangprocedure wordt niets gewijzigd.

Artikel XVI

Onderdeel B

In dit artikel is abusievelijk de term Europese Commanditaire Vennootschap opgenomen. Deze wijziging herstelt deze verschrijving.

Onderdelen D en F

Waar in de Handelsregisterwet 2007 gesproken wordt van een bestuursorgaan houdt men in de praktijk een smallere definitie aan dan in de Algemene wet bestuursrecht is opgenomen. Door de koppeling met artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht is alle onduidelijkheid weggenomen over welke bestuursorganen het gaat in de Handelsregisterwet 2007.

Artikel XIX

Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen is vervangen door verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU 2012, L 343). Dientengevolge worden de desbetreffende verwijzingen in de Landbouwkwaliteitswet aangepast.

Artikelen XXIX en LXII

De terminologie is aangepast naar aanleiding van de samenvoeging van de Algemene Inspectiedienst, de Plantenziektenkundige Dienst en de Voedsel en Waren Autoriteit tot de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit per 1 januari 2012.

Artikel XLII

De verwijzing naar het begrip «koeling» in artikel 1, onderdeel d, van de Warmtewet kan vervallen. De Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie bevat al een integraal kader voor de levering van koeling.

Artikel XLVII

Onderdeel A

Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300) bevat een definitie van het begrip dierlijke bijproducten. In artikel 1.1 van de wet was een definitie van het begrip dierlijke bijproducten opgenomen die afwijkt van de definitie uit de verordening. Met onderhavige wijziging wordt de definitie van dierlijke bijproducten in de Wet dieren aangepast aan de definitie in de verordening.

Onderdeel B

Artikel 1.2 van de wet betreft de reikwijdte van de wet. Uit het eerste lid blijkt dat de wet in beginsel van toepassing is op gehouden dieren. Dit geldt evenwel slechts voor zover in de wet niet anders is bepaald. Het tweede lid voorziet in een specifieke afbakening van de Wet dieren met betrekking tot dierlijke producten. De Europese regels over dierlijke producten zijn, behalve op producten van gehouden dieren, ook van toepassing op producten van niet-gehouden dieren. De hoofdstukken 3 en 6 van de wet voorzien in een grondslag voor deze regels. Uit het tweede lid van artikel 1.2 van de wet blijkt thans onvoldoende dat de wet ook van toepassing is op dierlijke producten van andere dan gehouden dieren, zoals producten van in het wild gevangen dieren. Ter verduidelijking wordt thans in het tweede lid opgenomen dat de wet ook van toepassing is op producten van andere dan gehouden dieren.

Eenzelfde toevoeging wordt gedaan met betrekking tot diergeneesmiddelen en diervoeders. De Europese regels over diergeneesmiddelen en diervoeders zijn ook van toepassing op het toepassen van diergeneesmiddelen bij en het vervoerden van diervoeders aan andere dan gehouden dieren. Aan deze regels wordt uitvoering gegeven bij en krachtens de hoofdstukken 2 en 6 van de wet. Om te verduidelijken dat de Wet dieren ook van toepassing is op het toepassen van diergeneesmiddelen en het gebruik van diervoeders bij andere dan gehouden dieren wordt dit thans expliciet op genomen in een nieuw derde lid in artikel 1.2.

Onderdeel D

Artikel 2.8 van de wet ziet op het verrichten van diergeneeskundige handelingen, waaronder het toepassen van diergeneesmiddelen. Krachtens het vijfde lid wordt het toepassen van diergeneesmiddelen op materiaal van dierlijke herkomst gelijk gesteld aan het toepassen van een diergeneesmiddel bij een dier. Hierbij valt te denken aan de toepassing van diagnostica op bloedmonsters of antibiotica op broedeieren ten behoeve van onderzoek en preventie van dierziekten. De gelijkstelling geldt thans slechts voor de toepassing van het derde lid en de daarop berustende bepalingen. De reikwijdte van deze gelijkstelling is hiermee niet breed genoeg aangezien het verbod om diergeneesmiddelen in strijd zonder vergunning of in strijd met vergunningvoorschriften toe te passen in het eerste lid is opgenomen. De gelijkstelling had derhalve moeten gelden voor de toepassing van het eerste lid en het vierde lid (en daarmee ook het derde lid) en de daarop berustende bepalingen. Onderdeel D voorziet hierin.

Onderdelen E, eerste wijziging en G

Artikel 2.19, eerste lid van de wet is van toepassing op diergeneesmiddelen en diervoeders met medicinale werking. Gelet op de inhoud en strekking van dit artikel betreft het hier voormengsels voor diervoeders met medicinale werking in plaats van diervoeders met medicinale werking. Omdat voormengsels voor diervoeders met medicinale werking blijkens de definitiebepaling in artikel 1.1 van de wet al onder het begrip diergeneesmiddel vallen, behoeft de categorie (voormengsels voor) diervoeders met medicinale werking niet afzonderlijk in artikel 2.19, eerste lid, genoemd te worden. Onderdeel E, eerste wijziging voorziet hierin.

Een vergelijkbare wijziging wordt middels onderdeel G aangebracht in artikel 2.21 van de wet. Dit artikel is van toepassing op de kanalisatie van diergeneesmiddelen. Ook hier geldt dat voormengsels van diervoeders met medicinale werking en ook halffabricaten daarvan blijkens de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de wet reeds zijn aan te merken als diergeneesmiddelen. Het is derhalve niet nodig deze beide categorieën afzonderlijk in artikel 2.21 op te nemen. Met onderdeel G worden voormengsels voor diervoeders met medicinale werking en halffabricaten daarvan uit artikel 2.21 verwijderd. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een diervoeder met medicinale werking blijkens de definitiebepaling niet als diergeneesmiddel wordt aangemerkt. Een diervoeder met medicinale werking wordt samengesteld uit een diergeneesmiddel en een diervoeder. Het is derhalve noodzakelijk dat diervoeders met medicinale werking, naast diergeneesmiddelen opgenomen blijven in artikel 2.21.

Onderdeel E, derde wijziging

Voor het verrichten van de in artikel 2.19 van de wet genoemde handelingen betreffende diergeneesmiddelen is krachtens Richtlijn nr. 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG 2001, L 311) in samenhang met artikel 2.19 van de wet vereist dat voor het betreffende middel een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven. Dit geldt ook voor homeopathische diergeneesmiddelen. Voor homeopathische middelen die aan bepaalde Europeesrechtelijke eisen voldoen, kan ingevolge voornoemde richtlijn evenwel een vereenvoudigde procedure worden gevolgd. Dit omdat homeopathische diergeneesmiddelen dusdanig verdund zijn dat zij geen werkzaamheid bezitten. Voor homeopathische middelen die niet aan deze eisen voldoen, dient overeenkomstig artikel 19, eerste lid van richtlijn nr. 2001/82/EG de reguliere procedure gevolgd te worden. In artikel 2.19, zesde lid van de wet is opgenomen dat voor een vergunning voor het in de handel brengen van homeopathische diergeneesmiddelen niet is vereist dat op grond van onderzoek met redelijke zekerheid moet kunnen worden aangenomen dat het middel de gestelde werking bezit (artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, onder 1°). Abusievelijk is niet opgenomen dat dit alleen geldt in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (namelijk indien voldaan wordt aan voornoemde Europeesrechtelijke eisen). Dit wordt thans hersteld.

Onderdeel E, vierde wijziging

Met de voorgestelde wijziging in onderdeel E, vierde wijziging, worden door vervanging van het huidige achtste lid door een nieuw achtste lid materieel twee wijzigingen aangebracht.

Ten eerste vervalt met dit onderdeel het bestaande achtste lid. Dit lid is overbodig vanwege de in artikel 7.1 aangebrachte wijziging.

Ten tweede wordt met het voorgestelde nieuwe achtste lid, in overeenstemming met de artikelen 5 en 12, derde lid, van richtlijn 2001/82/EG, geregeld dat voorschriften als bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, van de Wet dieren die zijn verbonden aan een vergunning voor het in de handel brengen van een diergeneesmiddel voor iedereen gelden die met het diergeneesmiddel een handeling als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de Wet dieren verricht. Uit artikel 2.8, eerste lid, onderdeel c, van de wet vloeit al voort dat de vergunningvoorschriften gelden voor een ieder die het desbetreffende diergeneesmiddel toepast. Artikel 2.19, eerste lid, somt echter een variëteit aan handelingen op. De voorgestelde wijziging stelt zeker dat de voorschriften en beperkingen die aan een vergunning voor het in de handel brengen van een diergeneesmiddel zijn verbonden gelden voor een ieder die een van de in artikel 2.19, eerste lid, genoemde handelingen verricht.

Onderdelen E, vierde wijziging, H, eerste wijziging, O, P, eerste wijziging, Q, eerste wijziging, R, S en T

Deze onderdelen voorzien in een aantal wijzigingen met betrekking tot hoofdstuk 7 van de Wet dieren. Dit hoofdstuk bevat algemene bepalingen over vergunningen, erkenningen, toestemmingen, toelatingen, registraties, meldingen en registers.

In artikel 7.1 was opgenomen dat de regels, gesteld krachtens de Wet dieren, in kunnen houden dat voor een handeling waarop die regels betrekking hebben een melding of een besluit tot verlening van een vergunning, erkenning, toestemming, toelating, registratie, bewijs van vakbekwaamheid, goedkeuring of certificering vereist is. Met onderdeel O wordt artikel 7.1 en daarmee de strekking van hoofdstuk 7 verduidelijkt. Hiertoe wordt in de eerste plaats opgenomen dat hoofdstuk 7 van toepassing is op besluiten die op grond van de wet worden genomen. In de tweede plaats kan bij de regels die krachtens de wet worden gesteld, worden bepaald dat voor een handeling waarop die regels betrekking hebben een melding of een besluit tot verlening van een vergunning, erkenning, toestemming, toelating, registratie, bewijs van vakbekwaamheid, goedkeuring, vrijstelling, ontheffing, algemeen verbindend verklaring of certificering is vereist, kan worden verleend of kan worden verstrekt. Hiermee wordt verduidelijkt dat hoofdstuk 7 zowel van toepassing is voor de gevallen dat voor deze besluiten regels bij de wet zijn gesteld als voor de gevallen dat regels krachtens de wet zijn gesteld.

Doordat uit voornoemde wijziging van artikel 7.1 van de wet volgt dat hoofdstuk 7 van toepassing is op besluiten die op grond van de wet worden genomen, is het niet langer noodzakelijk om in diverse artikelen van de wet artikel 7.1 van toepassing te verklaren. Met de onderdelen E, vierde wijziging en H, eerste wijziging, worden hiertoe de artikelen 2.19 en 2.23 aangepast.

Met onderdeel P wordt een wijziging aangebracht in het eerste lid van artikel 7.3 van de wet. Dit artikel ziet op de verlening en wijziging van een besluit als bedoeld in het voornoemde artikel 7.1. In het eerste lid was opgenomen dat een besluit als bedoeld in artikel 7.1 op aanvraag door de Minister van Economische Zaken kan worden verleend of gewijzigd. Het komt evenwel ook voor dat de besluiten als bedoeld in artikel 7.1 ambthalve worden verleend of gewijzigd. Hiertoe wordt met onderdeel P, eerste wijziging, de zinsnede «op aanvraag» uit artikel 7.3, eerste lid, verwijderd.

Met onderdeel Q wordt ter verduidelijking een tekstuele aanpassing in artikel 7.5, tweede lid aangebracht.

Eerder werd toegelicht dat hoofdstuk 7 van toepassing is op alle besluiten die genomen worden krachtens de Wet dieren. Regels over deze besluiten kunnen zowel op het niveau van een algemene maatregel van bestuur als op het niveau van een ministeriële regeling zijn neergelegd. De ingevolge de artikelen 7.6, 7.7 en 7.9 te stellen regels over dergelijke besluiten konden evenwel slechts bij ministeriële regeling gesteld worden. Om eenduidigheid en transparantie in de uitvoeringsregelgeving te kunnen bewerkstelligen wordt er met de onderdelen R, S en T in voorzien dat voornoemde regels zowel bij algemene maatregel van bestuur als bij ministeriële regeling gesteld kunnen worden.

Onderdeel F

Artikel 2.20 van de wet biedt een basis om voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen regels te stellen over diergeneesmiddelen en diervoeders met medicinale werking. Uit het derde lid van dit artikel blijkt dat deze regels van overeenkomstige toepassing zijn op bij ministeriële regeling aanwezen substanties die geen diergeneesmiddel zijn maar wel als zodanig kunnen worden gebruikt. Dit betreft bijvoorbeeld diervoeders met medicinale werking. Dergelijke diervoeders zijn blijkens de definitiebepaling in artikel 1.1 van de wet geen diergeneesmiddel maar kunnen wel als zodanig gebruikt worden. Ter verduidelijking wordt daarom met dit onderdeel in het derde lid van artikel 2.20 opgenomen dat het derde lid mede van toepassing is op diervoeders met medicinale werking.

Onderdeel H, tweede wijziging en P, tweede en derde wijziging

Beide onderdelen zien op de toepasselijkheid van de lex silencio positivo (verder: lsp).

Onderdeel H, tweede wijziging betreft het volgende. Artikel 2.23 van de Wet dieren stelt regels omtrent een vergunning voor biotechnologie. Deze vergunning is tot dusverre geregeld in artikel 66 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. De vergunning voor biotechnologie is een vergunning die onder de reikwijdte van de Dienstenwet valt. In artikel 111a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren was deze vergunning uitgezonderd van de toepasselijkheid van de lsp van artikel 28 van de Dienstenwet. Deze uitzondering wordt voor de Wet dieren gecontinueerd. De toelichting hierna op deze uitzondering is ontleend aan de toelichting op artikel 111a (zie Kamerstuk 32 614, nr. 3, blz. 10).

De vergunning voor biotechnologie wordt slechts verleend als er geen ethische bezwaren bestaan tegen de genetische modificatie. Bovendien mag die modificatie geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de gezondheid of het welzijn van dieren. Bij de beoordeling of een vergunning kan worden verleend dient onderzocht te worden of het belang van het welzijn van het dier zich hier niet tegen verzet. Er dient een gedegen beoordeling plaats te vinden. Tegen deze achtergrond is het onwenselijk dat de lsp op een aanvraag tot deze vergunning van toepassing is.

Met onderdeel P, tweede en derde wijziging, wordt een aanpassing in artikel 7.3 van de Wet dieren aangebracht. Het derde lid van dit artikel voorziet erin dat in beginsel bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling wordt voorzien in toepassing van de lsp op krachtens de Wet dieren genomen besluiten, behoudens indien in het artikel genoemde belangen zich daartegen verzetten. Inmiddels bevat de Dienstenwet een regeling voor de toepassing van de lsp op vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenwet vallen. Uitzonderingen daarop dienen binnen het toetsingskader van de dienstenrichtlijn te vallen. Dit toetsingskader verschilt van dat van artikel 7.3, derde lid. Daarom dienen vergunningen die onder de Dienstenwet vallen en waarop paragraaf 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is, uitgezonderd te worden van het derde lid. Het voorgestelde vierde lid voorziet daarin. Voor vergunningen die wel een dienst betreffen in de zin van de Dienstenwet doch op grond van artikel 28, tweede lid, Dienstenwet niet onder de lsp-bepaling van het eerste lid van dat artikel vallen, geldt overigens het toetsingskader van het derde lid.

In onderdeel P, tweede wijziging wordt de formulering van het derde lid aangepast aan de thans gebruikelijke terminologie inzake toepassing van de lsp.

Het in onderdeel P, derde wijziging voorgestelde vijfde lid van artikel 7.3 voorziet in de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet van toepassing te verklaren, dat wil zeggen de lsp in die gevallen niet van toepassing te doen zijn. Het ligt in de rede een dergelijk voorschrift op te nemen in het besluit of de regeling waarin ook de overige bepalingen rond het vergunningstelsel in kwestie worden geregeld.

Onderdeel I

Ingevolge artikel 2.8, vijfde lid, van de Wet dieren is het toepassen van diergeneesmiddelen op cel- of weefselcultures uitgezonderd van het begrip toepassen van diergeneesmiddelen bij materiaal van dierlijke herkomst. Volgens de memorie van toelichting bij het voorstel voor een Wet dieren (Kamerstuk 31 389, nr. 3, bladzijde 106) voorziet artikel 2.25 van de Wet dieren, toenmalig artikel 2.24 genummerd, in regels met betrekking tot de toepassing van diergeneesmiddelen bij «in vitro» onderzoek. Met dit artikel wordt erin voorzien dat dit expliciet uit artikel 2.25 van de wet blijkt.

Onderdeel M

Met dit artikel wordt de verhouding tussen het eerste en het tweede lid van artikel 6.3 verduidelijkt. De formulering van het tweede lid duidt erop dat de Minister van Economische Zaken altijd en uitsluitend bevoegd is om de besluiten te nemen waartoe EU-verordeningen een overheidsorgaan of een door de overheid aangesteld persoon opdragen of de keuze laten. Dat is niet beoogd. Daarom wordt voorgesteld artikel 6.3, tweede lid, van de Wet dieren zodanig aan te passen dat de Minister bevoegd is deze besluiten te nemen, tenzij daartoe een ander orgaan of persoon is aangewezen.

Onderdeel N

De bevoegdheden die krachtens de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet dieren zijn verleend kunnen verder worden gedelegeerd aan de Minister van Economische Zaken. In artikel 6.4 is geregeld in welke gevallen de Minister van Economische Zaken deze bevoegdheden krachtens de wet kan uitoefenen. Met de voorgestelde wijziging wordt de verhouding tussen enerzijds de delegatiebepalingen in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet dieren en anderzijds artikel 6.4 van de Wet dieren verduidelijkt. Hiertoe wordt opgenomen dat de bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken om regels te stellen op grond van artikel 6.4, geldt in afwijking van het bepaalde in de hoofdstukken 2 en 3. Concreet betekent dit dat voor de uitvoering van een bindend onderdeel van een EU-verordening of een EU-besluit bij ministeriële regeling in plaats van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld. Deze bevoegdheidsverdeling vormt een uitvloeisel van de algemene systematiek van de Wet dieren en de delegatiesystematiek van deze wet in het bijzonder. Voor een nadere toelichting op deze systematiek wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel houdende een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren) (Kamerstuk 31 389, nr. 3, blz. 23 en 24) en de toelichting bij de derde Nota van wijziging (Kamerstuk 31 389, nr. 12, blz. 18, 19 en 20).

Onderdeel W

De woorden «ten hoogste» in het eerste lid van artikel 8.8 vervallen. De hoogte van de op te leggen bestuurlijke boetes is al in het tweede lid van artikel 8.8 begrensd.

Onderdeel Y

Omdat er op dit moment nog geen concrete voornemens bestaan over te gaan tot het stellen van de hier bedoelde regels wordt voorgesteld om de verplichting om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen, te vervangen door de mogelijkheid dit te doen.

Onderdeel Z

Uit de van overeenkomstige toepassing verklaring van een aantal bepalingen uit hoofdstuk 7 van de wet op besluiten omtrent een beoordeling door de Minister van Economische Zaken blijkt al dat een beoordeling door die Minister van gidsen van goede praktijken niet aangemerkt wordt als een beschikking. Gelet op de specifieke betekenis van het woord «aanvraag» past hier derhalve het woord «verzoek» beter.

Onderdeel AB

Met onderdeel AB wordt artikel 10.1 van de wet gewijzigd. Op grond van dit artikel kunnen vrijstellingen of ontheffingen worden verleend van het gestelde bij en krachtens de wet. Ten eerste komt de oude tekst van het derde lid te vervallen. Opgenomen was dat aan vrijstellingen en ontheffingen voorschriften of voorwaarden verbonden kunnen worden en dat zij onder beperkingen kunnen worden verleend. Opname van deze bepaling is overbodig. Ten tweede volgt uit de tekst van het nieuwe derde lid dat, in afwijking van artikel 7.1 van de wet, een aantal bepalingen uit hoofdstuk 7 niet van toepassing zijn op vrijstellingen en ontheffingen. Opname van deze bepaling is nodig in verband met de aanpassing die met onderdeel O in artikel 7.1 is aangebracht.

Onderdeel AC

Ingevolge de Wet dieren kunnen regels worden gesteld over onderzoeksverplichtingen die aan bedrijven zelf worden opgelegd. Ingevolge artikel 10.2 van de wet kunnen nadere regels worden gesteld aan dergelijk onderzoek, maar ook aan andere controles, toezicht op de naleving en handhaving. In het tweede lid van dit artikel is voorzien in een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur de artikelen 8 tot en met 13a van de Landbouwkwaliteitswet van overeenkomstige toepassing te verklaren. Hierdoor wordt het mogelijk dat regels worden gesteld over onderzoek en toezicht door privaatrechtelijke controle-instanties. Abusievelijk is in het tweede lid van artikel 10.2 alleen opgenomen dat voornoemde artikelen van de Landbouwkwaltiteitswet van overeenkomstige toepassing kunnen worden verklaard voor de toepassing van hoofdstuk 3 van de Wet dieren. Dit hoofdstuk is van toepassing op dierlijke producten. Dierlijke producten kunnen evenwel ook worden gemengd met plantaardige producten en worden verwerkt als diervoeder. Regels over diervoeders worden echter gesteld krachtens hoofdstuk 2, paragraaf 2, van de Wet dieren. Gevolg hiervan is dat de artikelen 8 tot en met 13a van de Landbouwkwaliteitswet niet van overeenkomstige toepassing kunnen worden verklaard op deze diervoeders. Daarom wordt met dit onderdeel buiten twijfel gesteld dat de regels die bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13a van de Landbouwkwaliteitswet kunnen worden gesteld ook van overeenkomstige toepassing kunnen worden verkaard voor de toepassing van hoofdstuk 2, paragraaf 2 van de wet. Hiermee kan het huidige regime van toezicht op diervoeders worden gecontinueerd.

Artikel LX

De artikelen 13.1, tweede lid, en 22.1, tweede en negende lid, van de Wet milieubeheer bevatten enkele verwijzingen naar de artikelen 3.1, 3.3, 3.4, 3.5 en 3.6 van de Wet dieren. Deze verwijzingen blijken echter niet volledig te zijn.

Met het onderhavige voorstel wordt de verwijzing in de artikelen 13.1, tweede lid, en 22.1, tweede en negende lid, van de Wet milieubeheer gecompleteerd. Naast de verwijzing naar algemene regels voor dierlijke bijproducten die worden gesteld krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren, wordt verwezen naar de artikelen 3.3 tot en met 3.6 van de Wet dieren die de mogelijkheid bevatten om werkgebieden in te delen, artikel 6.4 van de Wet dieren inzake de uitvoering van Europese verordeningen met betrekking tot dierlijke bijproducten en artikel 7.1 van de Wet dieren inzake het instellen van een vergunningplicht of erkenningsregeling met betrekking tot dierlijke bijproducten.

Artikel LXIV

De bepalingen over destructie van dierlijke bijproducten stonden voorheen in artikel 1a, onder 3° van de Wet op de economische delicten. Per abuis zijn deze artikelen met de inwerkingtreding van de Wet dieren in artikel 1, onder 3°, van de Wet op de economische delicten ingedeeld, in plaats van 1a, onder 3°. Dit wordt thans hersteld.

Artikel LXIX

In verband met de staatkundige hervorming is een groot deel van de wetgeving van de Nederlandse Antillen omgezet in Nederlandse wetgeving voor Caribisch Nederland. De Postlandsverordening 1998 is omgezet in de Wet post BES. Bij die omzetting zijn twee verwijzingen naar de relevante rechterlijke instantie over het hoofd gezien. Het betreft ten eerste artikel 8 dat een regeling bevat voor het gebruik van (vertrekkende) schepen en vliegtuigen voor postvervoer, tegen een in onderling overleg te bepalen vergoeding. Bij gebreke van overeenstemming wordt de vergoeding door de rechter bepaald. In artikel 10 is bepaald dat onbestelbare gesloten postzendingen die niet aan de afzender kunnen worden teruggegeven, slechts op last van de rechter kunnen worden geopend. In beide gevallen wordt gesproken van de rechter in eerste aanleg met zittingsplaats Curacao, overeenkomstig de oude staatkundige situatie. Bij de staatkundige hervorming is voor Caribisch Nederland een stelsel van administratrieve rechtspraak ingevoerd waarbij het Gerecht in eerste aanleg verantwoordelijk is voor de rechtspraak in eerste aanleg, terwijl hoger beroepszaken worden behandeld door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Bijgevolg wordt in de artikelen 8 en 10 het Gerecht in eerste aanleg aangewezen als de bevoegde rechter.

Artikel LXXXIII

Onderdeel A

De artikelen 11, vierde lid, en 14, eerste lid, onder d, van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012, bepalen dat het overdragen van de wettelijke voorraad in Nederland voorafgaande melding behoeft bij de Minister van Economische Zaken. Om praktische redenen is het wenselijk om nadere regels te kunnen stellen aan dergelijke meldingen, bijvoorbeeld ten aanzien van de termijnen en de daarbij te verstrekken informatie.

Onderdeel B

Evenals onder de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001 het geval was, zullen de ambtenaren van de Douane worden belast met het toezicht op de naleving van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012. Aangezien er al in de bijlage van de Algemene douanewet een specifieke regeling is opgenomen voor het belasten van de Douane met toezichthoudende taken, kunnen de daarop betrekking hebbende bepalingen in deze wet vervallen.

Artikel LXXXVI

In deze wet worden gebreken en leemten in wetgeving hersteld. Het betreft hier reparatiewetgeving waarvoor afwijking van de Vaste Verandermomenten mogelijk is.

Zie voor de toelichting van het tweede lid de toelichting van artikel I, onderdeel T.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (van het Koninkrijk)

wordt niet openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele

aard bevat (artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State).