Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433752 nr. 9

33 752 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014)

Nr. 9 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 7 oktober 2013

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

a. Vóór onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

0A

Artikel 3.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, tweede volzin, komt te luiden:

In afwijking van de eerste volzin wordt de onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, tot 1 januari 2016 op jaarbasis verlaagd met 21% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is en met 18% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot hoger is dan 0 gram per kilometer, maar niet hoger is dan 50 gram per kilometer.

2. Het derde lid, tweede volzin, komt te luiden:

In afwijking van de eerste volzin wordt de onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, tot 1 januari 2016 op jaarbasis verlaagd met 21% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is en met 18% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot hoger is dan 0 gram per kilometer, maar niet hoger is dan 50 gram per kilometer.

b. Onderdeel D wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel 2 vervalt.

2. Onderdeel 3 komt te luiden:

3. Het tweede lid komt te luiden:

2. Voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek behoren tot de bedrijfsmiddelen mede niet:

a. bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden en

b. bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450.

2

In artikel V wordt na onderdeel C een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ca

Artikel 13bis wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, tweede volzin, komt te luiden:

In afwijking van de eerste volzin wordt het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, tot 1 januari 2016 op kalenderjaarbasis verlaagd met 21% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is en met 18% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot hoger is dan 0 gram per kilometer, maar niet hoger is dan 50 gram per kilometer.

2. Het derde lid, tweede volzin, komt te luiden:

In afwijking van de eerste volzin wordt het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, tot 1 januari 2016 op kalenderjaarbasis verlaagd met 21% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is en met 18% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot hoger is dan 0 gram per kilometer, maar niet hoger is dan 50 gram per kilometer.

3

Na artikel XI wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel XIA

In de Wet financiering sociale verzekeringen wordt na artikel 122c een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 122ca. Gedeeltelijke teruggaaf basispremie Arbeidsongeschiktheidsfonds

1. In afwijking in zoverre van de hoofdstukken 3 en 4 verleent de inspecteur, al dan niet op verzoek, bij voor bezwaar vatbare beschikking aan een werkgever een gedeeltelijke teruggaaf van de ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds verschuldigde basispremie, bedoeld in artikel 34, eerste lid. Voor de toepassing van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de teruggaaf, bedoeld in de eerste volzin, aangemerkt als een naar aanleiding van een verzoek gedane teruggaaf.

2. De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 28,82% van de door de werkgever ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 aangegeven basispremie. De voor de toepassing van de eerste volzin in aanmerking te nemen premie wordt vastgesteld op grond van de aangiften die uiterlijk op 30 september 2013 zijn ingediend alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.

3. Ingeval het eerste aangiftetijdvak van de periode, genoemd in het tweede lid, niet aanvangt op 1 januari 2013 of ingeval het laatste aangiftetijdvak van de periode, genoemd in het tweede lid, niet eindigt op 30 juni 2013, wordt het bedrag van de voor de toepassing van het tweede lid in aanmerking te nemen premie door herleiding bepaald.

4. De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, komt ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.

5. Bij regeling van Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

6. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2015.

4

In artikel XXXI worden vóór onderdeel A twee onderdelen ingevoegd, luidende:

00A

In het in artikel V, onder 1, opgenomen artikel 3.20, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 komt de tweede volzin te luiden:

In afwijking van de eerste volzin wordt de onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, tot 1 januari 2016 op jaarbasis verlaagd met 21% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is en met 18% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot hoger is dan 0 gram per kilometer, maar niet hoger is dan 50 gram per kilometer.

0A

In het in artikel XI, onder 1, opgenomen artikel 13bis, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 komt de tweede volzin te luiden:

In afwijking van de eerste volzin wordt het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, tot 1 januari 2016 op kalenderjaarbasis verlaagd met 21% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is en met 18% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot hoger is dan 0 gram per kilometer, maar niet hoger is dan 50 gram per kilometer.

5

Artikel XXXIII, onderdeel B, komt te luiden:

B

Artikel III wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel A, onder 2, wordt «Onderdeel e» vervangen door «Onderdeel d». Voorts wordt «onderdeel d» vervangen door: onderdeel c.

2. In onderdeel K wordt «artikel 39e» vervangen door «artikel 39f». Voorts wordt «Artikel 39f» vervangen door: Artikel 39g.

6

In artikel XXXVII wordt na het derde lid, onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

4. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XIA in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

TOELICHTING

I. Algemeen

Inleiding

Deze nota van wijziging brengt wijzigingen aan in de stimulering van (semi-)elektrische auto’s in de directe belastingen. Daarnaast is onder meer een bepaling opgenomen die ziet op een gedeeltelijke teruggaaf van de premies Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Verder bevat deze nota van wijziging nog enkele technische aanpassingen.

Stimulering (semi-)elektrische auto’s in de directe belastingen

Op 17 september jl. is de Tweede Kamer per brief1 geïnformeerd over de ontwikkeling van de autoverkopen in de eerste maanden van 2013 met daarbij extra aandacht voor de verkoopontwikkeling van (semi-)elektrische voertuigen en (groen)gasvoertuigen (CNG). Het kabinet stelt op basis van de beschreven marktontwikkeling voor om met ingang van 1 januari 2014 te komen tot een meer evenwichtige vorm van stimulering van het terugdringen van de CO2-uitstoot op basis van innovatieve technologie. Daarbij wordt een eind gemaakt aan de huidige vergaande stapeling van stimuleringsmaatregelen. Uitgangspunt moet zijn dat louter voor de meerkosten verbonden aan de toepassing van de meest innovatieve technieken om de CO2-uitstoot terug te dringen, een tijdelijke tegemoetkoming geldt. In de praktijk betekent dit dat met ingang van 1 januari 2014 op basis van gebruiksbeperkingen en CO2-uitstoot een onderscheid wordt gemaakt in de stimulering van enerzijds voertuigen die de conventionele technieken combineren met aandrijftechnieken zonder CO2-uitstoot en anderzijds nulemissievoertuigen. Hierbij wordt tevens gevolg gegeven aan het in het Energieakkoord2 ingeslagen pad van een verdere uitrol van elektrisch vervoer. Hierbij staat het belang voorop om een transitie te bewerkstelligen naar zoveel mogelijk elektrische kilometers. Plug-in hybrides en range-extenders zijn van cruciaal belang om deze transitie naar (volledig) elektrisch vervoer aan te jagen. Binnen de categorie van elektrische en semi-elektrische voertuigen is het van belang om de stimulering te richten op de meest innovatieve technieken om de CO2-uitstoot terug te dringen.

Door de snelle technologische ontwikkelingen is het aantal modellen dat in aanmerking komt voor het totale pakket aan in 2013 geldende belastingvoordelen (vrijstelling belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en MRB, verlaagde bijtelling, toepassing van milieuinvesteringaftrek (MIA), willekeurige afschrijving op milieubedrijfsmiddelen (VAMIL) en kleinschaligheidsinvesteringaftrek (KIA)) wel erg groot. Ten dele komt dit doordat volstrekt gangbare (zeer) zuinige auto’s dit jaar nog kunnen profiteren van belastingvoordelen. Dit leidt tot een verwachte overschrijding van het jaarbudget voor MIA/VAMIL. Om de transitie naar volledig elektrisch mogelijk te maken is het bij de huidige stand van de technologie (waarbij de consumentenvoorkeur uitgaat naar semi-elektrisch) gerechtvaardigd om onderscheid te maken in de behandeling van enerzijds de volledig elektrische voertuigen en anderzijds de plug-in hybrides en de range extenders, die ook op conventionele brandstof kunnen rijden. Een evenwichtiger vorm van stimulering is derhalve gewenst om stapeling te voorkomen. In dit kader wordt in onderhavige nota van wijziging een tweetal maatregelen voorgesteld waarmee met name de stimulering wordt gericht op de meest innovatieve technieken om de CO2-uitstoot terug te dringen. De maatregelen zien op de bijtelling privégebruik auto van de zaak en de KIA. Voorgesteld wordt de bijtelling van een nulemissie-auto per 1 januari 2014 tijdelijk te verlagen van 7% naar 4%. Verder wordt voorgesteld de KIA voor personenauto’s af te schaffen.

Naast voornoemde twee maatregelen zal bij het opstellen van de Milieulijst 2014 nader invulling worden gegeven aan het stimuleren van de meest zuinige en innovatieve technologieën. Dit houdt in dat de MIA meer zal worden gericht op

(semi-)elektrische auto’s. Per investering in het kader van de MIA zal een plafond worden geïntroduceerd. Daarnaast zal de VAMIL niet meer worden toegepast op personenauto’s. De aanpassingen leiden niet tot een aanpassing van de budgettaire kaders van de MIA en Vamil. Met deze vier maatregelen zullen per 1 januari 2014 de meest zuinige en innovatieve technologieën worden gestimuleerd.

Gedeeltelijke teruggaaf basispremie Aof

In verband met een voorgenomen lastenverlichting voor werkgevers nog over het jaar 2013 wordt voorgesteld aan de werkgevers een gedeeltelijke teruggaaf te verstrekken van de basispremie Aof ter compensatie voor de inhaalpremie bij de sectorfondsen. Dit leidt tot een eenmalige teruggaaf van 28,82% van het premiebedrag dat is aangegeven over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. Deze maatregel levert voor werkgevers een eenmalige lastenverlichting op van € 1,3 miljard. In beginsel gelden voor deze teruggaaf dezelfde regels als voor de reguliere heffing en invordering van deze premie. Uit oogpunt van een efficiënte uitvoering is echter voorzien in een aantal uitzonderingen op die regels. Allereerst hoeven werkgevers geen actie te ondernemen en dus ook niets in hun loonaangifte te verwerken. De teruggaaf heeft de vorm van een separate eenmalige teruggaaf, die door de inspecteur bij beschikking wordt vastgesteld en door de ontvanger wordt uitbetaald. Voor het vaststellen van de teruggaaf maakt de inspecteur gebruik van de gegevens die uit de loonaangiften beschikbaar zijn, waarbij rekening gehouden wordt met aanvullingen met als peildatum 30 september 2013. Voor werkgevers die aangifte doen over tijdvakken die niet samenvallen met de genoemde periode wordt de teruggaaf herleid. Uit oogpunt van rechtsbescherming ontvangen werkgevers bericht bij voor bezwaar vastbare beschikking. De Belastingdienst zal, nadat dit artikel in werking is getreden, de beschikkingen eigener beweging vaststellen, verzenden en tot uitbetaling overgaan. Deze uitbetaling wordt zoals gebruikelijk verrekend met openstaande schulden van de betreffende werkgever bij de Belastingdienst. Werkgevers kunnen deze teruggaaf uiterlijk 31 januari 2014 tegemoet zien.

Budgettaire aspecten

De uitsluiting van personenauto’s voor de KIA leidt tot een jaarlijkse opbrengst van € 20 miljoen. De tijdelijke verlaging van het bijtellingspercentage voor een nulemissie-auto van 7% naar 4%, kost in totaal € 10 miljoen over de jaren 2014 tot en met 2019.

De lastenverlichting voor werkgevers nog over het jaar 2013 uit het aanvullend pakket wordt vormgegeven door aan de inhoudingsplichtige een teruggave te verstrekken in de basispremie Aof die is aangegeven over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. Dit leidt tot een eenmalige teruggave van 28,82% van de premie over deze periode. De maatregel leidt tot € 1,3 miljard lagere premieontvangsten in 2013.

EU-aspecten

Deze nota van wijziging bevat geen EU-aspecten.

Uitvoeringskosten

De aanpassing van de verlaagde bijtelling voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet hoger dan 50 gram per kilometer betekent de facto de invoering van een extra bijtellingscategorie voor nulemissie-auto’s. Dit zal leiden tot een zeer beperkte stijging van de uitvoeringskosten van de Belastingdienst. Het voorstel met betrekking tot de uitsluiting van personenauto’s voor de KIA leidt tot een zeer beperkte daling van de uitvoeringskosten die als niet noemenswaardig moet worden gekenschetst.

De uitvoeringskosten van de gedeeltelijke teruggaaf van de basispremie Aof bedragen € 2 miljoen. Dit bedrag is samengesteld uit de uitvoeringskosten in verband met de geautomatiseerde ondersteuning, de verzending van circa 400.000–500.000 brieven, de verdere nazorg (ambtshalve verzoeken, bezwaren en beroepen) en de controle en handhaving.

Gevolgen voor burgers en bedrijfsleven

Van de in deze nota van wijziging opgenomen maatregelen heeft alleen de afschaffing van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek voor personenauto’s structurele gevolgen voor de administratieve lasten. Door de afschaffing zullen de bij de introductie van deze aftrek bij Belastingplan 2010 vermelde gevolgen voor de regeldruk (die niet zijn gekwantificeerd maar aangeduid als leidend tot «enige administratieve lasten») worden teniet gedaan.

II. Onderdeelsgewijs

Onderdeel 1, onder a

Artikel I, onderdeel 0A (artikel 3.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

In artikel 3.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is de zogenoemde autokostenfictie voor een ondernemer of – via artikel 3.95 van de Wet IB 2001 – een resultaatgenieter geregeld. De hoogte van de onttrekking die in aanmerking wordt genomen bedraagt op grond van het eerste lid ten minste 25% (of 35%) van de waarde van de auto. Voor (zeer) zuinige auto’s wordt deze onttrekking op grond van het tweede en derde lid verlaagd. In de tweede volzin van het tweede en derde lid is een tijdelijke verlaging van de bijtelling in de winstsfeer geregeld voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet hoger dan 50 gram per kilometer.

Tot 1 januari 2014 geldt er voor deze auto’s een volledige vrijstelling van de bijtelling in de winstsfeer. Ingevolge de Wet uitwerking autobrief en de Fiscale verzamelwet 2012 zou dit voor de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2016 gewijzigd worden in een verlaging van de bijtelling met 18% van de waarde van de auto. Met de in deze nota van wijziging opgenomen wijziging van de tweede volzin van artikel 3.20, tweede en derde lid, van de Wet IB 2001 wordt echter, in afwijking van de Wet uitwerking autobrief en de Fiscale verzamelwet 2012, geregeld dat de bijtelling in de winstsfeer van 1 januari 2014 tot 1 januari 2016 op jaarbasis wordt verlaagd met 21% van de waarde van de auto indien de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is. Indien de CO2-uitstoot hoger is dan 0 gram per kilometer, maar niet hoger dan 50 gram per kilometer, wordt de bijtelling wel verlaagd met 18% van waarde van de auto.

Onderdeel 1, onder b

Artikel I, onderdeel D (artikel 3.45 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

In artikel 3.45 van de Wet IB 2001 zijn de bedrijfsmiddelen opgenomen die zijn uitgesloten voor investeringsaftrek. In het eerste lid, onderdeel e, is opgenomen dat dit bijvoorbeeld geldt voor bepaalde personenauto’s. In het tweede lid, onderdeel b, van voornoemd artikel wordt hierop voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) een uitzondering gemaakt. Personenauto’s met een lage CO2-uitstoot komen dus wel in aanmerking voor de KIA. Met onderhavige wijziging wordt voorgesteld dat de KIA niet langer toepassing vindt op personenauto’s.

Onderdeel 2

Artikel V, onderdeel Ca (artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 13bis, tweede en derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) komt overeen met de in onderdeel 1, onder a, opgenomen wijziging van artikel 3.20, tweede en derde lid, van de Wet IB 2001. Verwezen wordt naar de toelichting op laatstgenoemde wijziging.

Onderdelen 3 en 6

Artikelen XIA en XXXVII, vierde lid (artikel 122ca van de Wet financiering sociale verzekeringen en inwerkingtreding)

In artikel 122ca, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt geregeld dat de inspecteur aan een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking een gedeeltelijke teruggaaf verleent van de ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds verschuldigde basispremie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wfsv. Om reden van rechtsbescherming is voorzien in de mogelijkheid dat de werkgever – in de situatie dat een beschikking van de inspecteur achterwege blijft – een verzoek om teruggave bij de inspecteur doet.

Zoals in het algemeen deel is toegelicht is uit oogpunt van uitvoeringsefficiency gekozen voor een teruggaaf buiten de loonaangifte om. Door de inspecteur de teruggaaf te laten verlenen bij beschikking wordt bewerkstelligd dat de werkgever geen aanpassingen in zijn loonaangifte hoeft te doen – en ook niet mag doen – om het recht op een teruggaaf te verzilveren. Na vaststelling door de inspecteur volgt uitbetaling door de ontvanger, voor zover van toepassing onder verrekening met openstaande schulden. Door het gebruik van de term «in afwijking in zoverre» wordt onderstreept dat de heffing en invordering geschiedt door de Belastingdienst en de regels van de heffing en invordering van loonbelasting in beginsel van toepassing zijn, maar dat een afwijkende heffingssystematiek geldt op het punt van vaststelling en uitbetaling van deze teruggaaf.

Over het risico dat een werkgever de teruggaaf dubbel ontvangt wordt het volgende opgemerkt. In het geval een werkgever de teruggaaf ook verwerkt in zijn aangifte is in zoverre een onjuiste aangifte gedaan en kan de inspecteur het ten onrechte in mindering gebrachte bedrag naheffen. Anders ligt het in het geval de inspecteur de teruggaaf tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Daarom is aanvullend een bepaling opgenomen dat voor de toepassing van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de teruggaaf aangemerkt wordt als een naar aanleiding van een verzoek gedane teruggaaf. Deze bepaling maakt het mogelijk het meerdere terug te vorderen.

In artikel 122ca, tweede lid, van de Wfsv wordt de hoogte van de gedeeltelijke teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld op 28,82% van de ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds over de periode van 1 januari tot en met 30 juni 2013 aangegeven basispremie. Daarbij wordt rekening gehouden met aangiften die uiterlijk op 30 september 2013 zijn ingediend alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. Concreet betekent dit dat loonaangiften of correctieberichten die na 30 september 2013 binnenkomen niet meer zullen worden meegenomen in de grondslag voor de teruggaaf. Zo wordt onder meer voorkomen dat latere aanvullingen of aangiftes in een later stadium handmatig verwerkt moeten worden. De keuze van de peildatum van 30 september 2013 is voorts bedoeld om anticipatiegedrag te voorkomen.

Ter bepaling van de hoogte van de teruggaaf voor werkgevers die niet de maand als aangiftetijdvak kennen, wordt in 122ca, derde lid, van de Wfsv een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt om te herleiden. De herleiding vindt plaats door met toepassing van het vijfde lid bij regeling van de Minister van Financiën in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regels te stellen. Daartoe zal bij die regeling een bepaling worden opgenomen waarbij tijdsevenredige herleiding plaatsvindt. Tevens zal in die regeling een bepaling worden opgenomen voor jaaraangevers.

Onderdeel 4

Artikel XXXI, onderdelen 00A en 0A (artikelen V en XI van de Wet uitwerking autobrief)

In verband met de in de onderhavige nota van wijziging opgenomen wijzigingen van artikel 3.20, tweede en derde lid, van de Wet IB 2001 en artikel 13bis, tweede en derde lid, van de Wet LB 1964, dienen de in de artikelen V, onder 1, en XI, onder 1, van de Wet uitwerking autobrief opgenomen wijzigingen van eerstgenoemde artikelen eveneens te worden aangepast. Deze aanpassingen zijn slechts van technische aard.

Onderdeel 5

Artikel XXXIII, onderdeel B (artikel III, onderdelen A en K, van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen)

Vanwege de voorgestelde afschaffing van de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 vervalt ook artikel 10, vijfde lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964, onder verlettering van de onderdelen d en e tot onderdelen c en d. Omdat deze verlettering ook gevolgen heeft voor de in artikel III, onderdeel A, onder 2, van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen3 opgenomen wijzigingsopdracht, wordt die wijzigingsopdracht door middel van de onderhavige nota van wijziging op dit punt aangepast. De aanpassing van artikel III, onderdeel K, van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen was reeds in het voorstel van wet opgenomen en ondergaat verder geen wijziging.

De Staatssecretaris van Financiën, F.H.H. Weekers


X Noot
1

Kamerstuk 33 400-IX, nr. 4.

X Noot
2

Bijlage bij Kamerstuk 30 196, nr. 202.

X Noot
3

Bij de formulering van de wijzigingsopdracht is uitgegaan van de veronderstelling dat het bij koninklijke boodschap van 15 april 2013 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de loonbelasting 1964, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet in verband met de aanpassing van het fiscale kader voor oudedagsvoorzieningen (Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen) (Kamerstuk 33 610) vóór 1 januari 2014 tot wet is verheven.