33 750 V Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2014

B VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 19 november 2013

De vaste commissie voor Europese Zaken1 heeft in haar vergadering van 10 september 2013 de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 30 augustus 2013 besproken, waarin hij, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, reageert op vragen van de commissie over het tijdpad van de ratificatie van het Verdrag van Istanbul inzake preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (CAHVIO).2 Naar aanleiding daarvan heeft de commissie op 24 september 2013 nog een aantal vragen gesteld aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

De Minister heeft op 15 november 2013 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken, Bergman

BRIEF AAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Den Haag, 24 september 2013

De vaste commissie voor Europese Zaken heeft in haar vergadering van 10 september 2013 uw brief van 30 augustus 2013 besproken, waarin u, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, reageert op vragen van de commissie over het tijdpad van de ratificatie van het Verdrag van Istanbul inzake preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (CAHVIO).3 De commissie heeft naar aanleiding hiervan nog de volgende opmerkingen en nadere vragen.

In uw brief van 30 augustus 2013 deelt u mee welke maatregelen worden genomen in de voorbereiding op de ratificatie van het CAHVIO, onder ander voor wat betreft het Caribische gedeelte van Nederland. De commissie is echter van mening dat uw brief onvoldoende onderbouwing biedt waarom parlementaire goedkeuring van het Verdrag pas in de loop van 2014 is te realiseren en niet in 2013, zoals eerder door de regering is toegezegd en door de commissie wordt gewenst. Met andere woorden, waarom kan het Verdrag niet eerder worden voorgelegd voor parlementaire goedkeuring? De commissie wijst in dit verband nogmaals op de toespraak van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in maart 2013 tijdens de «57th session of the Commission on the Status of Women» (Hoofdkwartier van de Verenigde Naties) waarin zij ten overstaan van de internationale gemeenschap verklaarde dat Nederland het Verdrag naar verwachting in 2013 zal ratificeren.

Ondertussen hebben meerdere landen het Verdrag reeds geratificeerd. Leden van de commissie hebben ervaren dat in internationale fora (onder andere door de Vice-Secretaris-Generaal van de Raad van Europa) vragen worden gesteld over de lange termijn die Nederland nu neemt om het Verdrag te ratificeren. De regering heeft, ook naar aanleiding van de ondertekening van het Verdrag, nog gewezen op de prioriteit die zij in het Nederlandse mensenrechtenbeleid in het buitenland en in Nederland hecht aan het bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.4 De commissie zou het dan ook ten zeerste betreuren wanneer onnodig oponthoud van de zijde van de regering de ratificatie zou vertragen en Nederland dit belangrijke Verdrag als een van de laatste landen zou ratificeren. De commissie wenst daarom graag te vernemen welke maatregelen de regering neemt opdat de ratificatie van het CAHVIO geen onnodige vertraging oploopt.

De commissie herhaalt daarom haar pleidooi voor voortvarendheid en verzoekt de regering de nodige stappen te nemen om het tijdpad voor de ratificatie van het CAHVIO te bespoedigen. Zij wordt daarover graag nader geïnformeerd.

Voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, M.H.A. Strik

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 november 2013

Graag bied ik u hierbij, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de reactie aan op het verzoek van de vaste commissie voor Europese Zaken van 24 september 2013 met kenmerk 153227.03u inzake het tijdpad van de ratificatie van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul).

Het kabinet deelt zonder meer het standpunt van de vaste commissie voor Europese Zaken dat het Verdrag van Istanbul een belangrijk verdrag is en dat een zo spoedig mogelijke ratificatie van het verdrag geboden is. Het proces dat gemoeid is met het opstellen van de betreffende goedkeuringsstukken blijkt langer te duren dan, ook door de betrokken bewindspersonen, gewenst en voorzien.

Het in kaart brengen van de gevolgen van het Verdrag van Istanbul neemt meer tijd dan verwacht. Op dit moment wordt voor Europees Nederland onderzoek gedaan naar de noodzaak van eventuele uitvoeringswetgeving. Tot nu is uit dat onderzoek niet gebleken dat verdere wetsaanpassing noodzakelijk is na wijziging van de strafwetgeving per 1 juli jl., maar uit te sluiten valt die noodzaak echter nog niet. Vast staat wel dat het Nederlandse beleid over de gehele linie voldoet aan de eisen van het verdrag.

Het kabinet hecht zeer aan medegelding van het verdrag voor Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), nu het om een mensenrechtenverdrag gaat. Bij de inventarisatie van de juridische en praktische maatregelen die nodig zijn om het verdrag in dat deel van Nederland in te voeren, is evenwel gebleken dat verkennend onderzoek ter plekke nodig is. Dat onderzoek wordt thans door een onafhankelijk bureau uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden eind van dit jaar opgeleverd. Wel staat vast dat duidelijk is dat ingrijpende maatregelen nodig zullen zijn.

Gelet hierop is – mede naar aanleiding van het pleidooi van de vaste commissie om voortvarendheid te betrachten – besloten de goedkeuring van de voor Caribisch Nederland benodigde uitvoeringswetgeving los te koppelen van de goedkeuring van het verdrag. Omdat naar alle waarschijnlijkheid uitgebreide uitvoeringswetgeving voor Caribisch Nederland nodig zal zijn, zal deze ontkoppeling de goedkeuringsprocedure bespoedigen. Toch is ook in geval van ontkoppeling verdere inventarisatie nodig; in de toelichting op het verdrag zal immers op hoofdlijnen ingegaan moeten worden op (de gevolgen van) de invoering van het verdrag in Caribisch Nederland.

Naar aanleiding van de aantekening van de vaste commissie dat inmiddels meerdere landen het verdrag hebben geratificeerd, volgt hierbij de stand van zaken met betrekking tot de ratificatie. Van de 47 landen die lid zijn van de Raad van Europa hebben er op dit moment vijf, waaronder twee EU-lidstaten, het Verdrag van Istanbul geratificeerd. Aangezien het verdrag in werking treedt na tien ratificaties, geldt het verdrag dus nog niet. Het streven is er nog steeds op gericht het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Verdrag van Istanbul in de loop van 2014 voor te leggen aan de Tweede Kamer.

De Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Van der Linden (CDA), G.J. de Graaf (VVD), Franken (CDA) (vice-voorzitter), Nagel (50Plus), Elzinga (SP), Van Kappen (VVD) (voorzitter), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Strik (GL), Vliegenthart (SP) (vice-voorzitter), K.G. de Vries (PvdA), Knip (VVD), Martens (CDA), Van Boxtel (D66), Th. de Graaf (D66), Ganzevoort (GL), De Lange (OSF), Koole (PvdA), Schrijver (PvdA), Vlietstra (PvdA), Popken (PVV), M. de Graaff (PVV), Sörensen (PVV), Bröcker (VVD)

X Noot
2

Eerste Kamer, 2012–2013, 33 400 V, K.

X Noot
3

Eerste Kamer, 2012–2013, 33 400 V, K.

X Noot
4

«Nederland gaat geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld actief bestrijden», nieuwsbericht 14 november 2012 van de Rijksoverheid, http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2012/11/14/nederland-gaat-geweld-tegen-vrouwen-en-huiselijk-geweld-actief-bestrijden.html .

Naar boven