Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433750-IX nr. 22

33 750 IX Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Financiën (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2014

Nr. 22 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN FINANCIËN EN VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 maart 2014

In de brief van 20 februari jongsleden heeft Uw Kamer een reactie ontvangen op vragen over een artikel in de Volkskrant over de nieuwe berekeningswijze van het bruto binnenlands product (bbp) (Kamerstuk 33 750 IX, nr. 16). Voorts is toegezegd Uw Kamer kort na 6 maart nader schriftelijk te informeren over de gevolgen van de revisies om de economieën van de lidstaten te beschrijven.

Het CBS heeft op 6 maart de gevolgen van de revisies voor de macro-economische cijfers over het kalenderjaar 2010 gepubliceerd1. De cijfers wijzigen, zoals al eerder gemeld is, door een drietal oorzaken: (1) de overstap naar de ESA2010 methodologie, (2) de bronnenrevisie van het CBS en – specifiek voor de overheidsfinanciën (3) de wijziging van de definitie van het EMU-saldo. De ontwikkelingen in de wereldeconomie, zoals globalisering en de grotere rol van R&D vereisen een modernisering van de nationale rekeningen ten einde een adequate en relevante beschrijving van de economie te kunnen geven. Daarnaast wordt deze revisie door het CBS benut om verbeterde gegevensbronnen in te zetten.

De revisie betreft een verbetering van de wijze waarop de omvang van het bbp wordt vastgesteld en het inzetten van verbeterde bronnen. De nieuwe bbp-cijfers geven daarom beter inzicht in de daadwerkelijke grootte van de Nederlandse economie. Dit betekent echter niet dat van de ene op de andere dag de Nederlandse economie van omvang is veranderd en Nederlanders bijvoorbeeld ineens rijker zijn geworden.

De CBS publicatie laat zien dat het niveau van het bbp 2010 7,6% hoger uitkomt. Dat is voor 3,0%-punt het gevolg van de overstap naar de ESA2010 methode en voor 4,6%-punt het gevolg van de bronnenrevisie van het CBS. Bij de verandering van methode zijn de effecten voor het bbp het grootst waar het gaat om een andere registratie van uitgaven aan R&D en een andere waardering van investeringen in software. Zo werden uitgaven aan R&D voorheen gezien als intermediaire kosten, voortaan als investeringen. Hierdoor vallen de investeringen fors hoger uit. Door het gebruik van allerlei nieuwe bronnen door het CBS wordt onder meer de consumptie van huishoudens (positief) beïnvloed. Het handelssaldo wordt beïnvloed door het gebruik van nieuwe bronnen, waardoor per saldo de handelsbalans met € 5,5 miljard verbetert.

Een andere belangrijke wijziging betreft het aantal banen van zelfstandigen. Er blijken bijna 600 duizend meer banen van zelfstandigen te zijn (+45%), waar voorheen geen zicht op was. Omdat het relatief veel kleine banen betreft, neemt het aantal gewerkte uren percentueel gezien minder hard toe (+25%).

Voor de overheidsfinanciën zijn de gevolgen als volgt. Het hogere bbp werkt direct door in de EMU-schuldquote: de EMU-schuld in 2010 daalt met ruim 4%-punten van 63,4% bbp naar 59,0% bbp. Dit effect is structureel van aard. De navolgende tabel laat zien dat door de revisie het EMU-saldo in procenten van het bbp in 2010 per saldo net iets beter uitkomt. Deze kleine verbetering is de resultante van de drie eerder genoemde factoren. De overstap naar ESA2010 heeft door de stijging van het bbp een positief (noemer)effect van 0,1% punt. Daar staat een per saldo negatief effect tegenover als gevolg van de CBS-bronnenrevisie. De structurele doorwerking hiervan is nog onbekend. Tot slot geldt voor de definitiewijziging van het EMU-saldo – de andere behandeling van renteswaps – dat dit in 2010 een positief effect heeft, maar dat dit in andere jaren een negatief effect kan hebben.

Tabel effect revisie op het EMU-saldo 2010 (in % bbp)

1. EMU-saldo 2010 voor revisie

– 5,1%

2. Effect overstap ESA2010 (noemereffect)

+0,1%

3. Effect bronnenrevisie (teller- en noemereffect)

– 0,1%

4. Aanpassing EMU-definitie (renteswaps)

+0,1%

5. EMU-saldo 2010 na revisie (5=1+2+3+4)

– 5,0%

Het CBS zal in juni 2014 de cijfers van onder andere het bbp en het EMU-saldo na revisie publiceren voor de jaren 2011–2013 en voor de periode 1995–2010. Het CPB zal in de MEV 2015 de gevolgen van de revisie volledig verwerkt hebben in de macro-economische ramingen. Inzicht in de gevolgen voor de ramingsjaren 2014 en verder worden uiterlijk bij de Miljoenennota 2015 gegeven.

In Europees verband is afgesproken dat met ingang van september 2014 de lidstaten gelijktijdig gaan rapporteren over onder meer het bbp, het EMU-saldo en de EMU-schuld op basis van de gereviseerde cijfers. Dan zal er ook meer duidelijkheid komen over de positie van Nederland op verschillende internationale ranglijsten zoals die van R&D-uitgaven en van de agrarische export. Verder zullen de voorjaarsramingen van de Europese Commissie nog gebaseerd zijn op de cijfers vóór de revisie.

Een aantal overheidsuitgaven is gerelateerd aan de omvang van het bbp of het bruto nationaal inkomen (bni). Dit betreft de uitgaven aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking en de EU-afdrachten. Met betrekking tot de EU-afdrachten geldt dat we dit najaar zicht hebben op de integrale doorwerking van de revisie op de afdrachten. Dit heeft te maken met het feit dat de omvang van de EU-afdrachten afhangt van de relatieve verhouding van de ontwikkeling van het BNI ten opzichte van de andere lidstaten. Deze zal dan op de geëigende budgettaire momenten gedeeld worden met de Kamer. Over de mogelijke gevolgen van de aanpassing van het bbp voor HGIS zal de Kamer uiterlijk bij Miljoenennota 2015 nader worden geïnformeerd.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Het persbericht van het CBS van 6 maart 2014 is als annex 1 bijgevoegd bij deze brief, ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer