Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433750-A nr. 95

33 750 A Vaststelling van de begrotingsstaat van het Infrastructuurfonds voor het jaar 2014

Nr. 95 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 augustus 2014

In het Algemeen Overleg over het MIRT van 18 juni 2014 (Kamerstuk 33 750 A, nr. 94) heeft het lid Ouwehand (Partij voor de Dieren) vragen gesteld over de luchtkwaliteit bij het project Zuidelijke Ringweg Groningen en daarbij mogelijk optredende gezondheidsrisico’s. Vervolgens heeft het lid Ouwehand in het Verslag Algemeen Overleg van 3 juli 2014 ((Handelingen II 2013/14, nr. 102, VAO MIRT) over dit onderwerp een motie ingediend (Kamerstuk 33 750 A, nr. 79). Die motie is aangehouden nadat ik had toegezegd u hierover vóór het einde van het zomerreces een brief te schrijven. Daaraan wil ik bij deze voldoen.

Vooraf merk ik op dat de achtergrondconcentraties aan luchtverontreinigende stoffen in Noord-Nederland structureel laag zijn, dit in tegenstelling tot grote delen van het land elders. Voor die delen is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van toepassing. Dit programma houdt in dat de Europese Commissie ons land, in ruil voor een overeengekomen maatregelenpakket, tijdelijk uitstel heeft verleend voor het voldoen aan de normen van luchtkwaliteit.

De regio Noord-Nederland maakt geen deel uit van het NSL, omdat de achtergrondconcentraties structureel beneden de wettelijke normen liggen.

Het beeld dat de achtergrondconcentraties in Noord-Nederland laag zijn, wordt voor de Zuidelijke Ringweg Groningen bevestigd. Uit het onderzoek naar luchtkwaliteit in het kader van het OTB-MER voor de Zuidelijke Ringweg komt nadrukkelijk naar voren dat overal ruim onder de wettelijke normen wordt gebleven voor zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2). In de bijlage1 bij deze brief vindt u de berekende waarden terug en de geldende normstelling.

Ook is nader gekeken naar de invloed van PM2,5, waarvoor vanaf 2015 een wettelijke norm gaat gelden. Volgens de meest recente inzichten van het RIVM2 zijn de PM10- en PM2,5-concentraties sterk gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis stelt het RIVM dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan. In Groningen wordt ruimschoots aan de grenswaarden voor PM10 voldaan.

Verder blijkt uit onderzoek dat, ondanks de verkeerstoename, de kwaliteit van de lucht in de toekomst geleidelijk beter wordt dan nu al het geval is. Dat is een landelijke ontwikkeling die te maken heeft met aanscherping van het bronbeleid, dat leidt tot een verminderde uitstoot door onder andere het wegverkeer. Vooralsnog worden er geen strengere Europese normen verwacht. Dit zal pas aan de orde komen als ook het bronbeleid hieraan voldoende kan bijdragen.

Voor luchtkwaliteitgevoelige bestemmingen (zoals scholen, kinderdagverblijven en zorginstellingen) regelt het «Besluit gevoelige bestemmingen» de toelaatbaarheid van deze bestemmingen voor zones langs rijks- en provinciale wegen. Met betrekking tot rijkswegen mogen deze bestemmingen niet worden gerealiseerd binnen een zone van 300 meter als daar de grenswaarden worden overschreden. Als grenswaarden niet worden overschreden maakt de gemeente een eigen afweging of een school of andere gevoelige bestemming binnen die zone kan worden gebouwd. Daarbij kan de gemeente advies vragen aan de GGD.

Ook bij aanleg en uitbreiding van wegen geldt dat voldaan moet worden aan grenswaarden. Daarmee wordt zeker gesteld dat, zoals bij de Zuidelijke Ringweg Groningen, er geen nieuwe situaties ontstaan waarbij gevoelige bestemmingen worden blootgesteld aan overschrijding van grenswaarden. Wel zal er in een stedelijke omgeving onvermijdelijk sprake zijn van een bepaalde mate van blootstelling. Met name gevoelige groepen kunnen hiervan hinder ondervinden. Dat betekent echter niet dat er hier sprake is van een onaanvaardbare situatie, gezien ook het gegeven dat in het noorden van Nederland de situatie gunstiger is dan elders in het land en waarbij ruimschoots aan de wettelijk vastgelegde norm wordt voldaan.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

RIVM Rapport 680363002/2014, Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland – Rapportage 2014, p. 55.