Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433716 nr. 15

33 716 Wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op het kindgebonden budget, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet studiefinanciering 2000 en enige andere wetten in verband met hervorming en versobering van de kindregelingen (Wet hervorming kindregelingen)

Nr. 15 AMENDEMENT VAN HET LID VOORTMAN

Ontvangen 5 maart 2014

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel I wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

Na artikel 7a (nieuw) wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7ab

De verzekerde heeft geen recht op kinderbijslag overeenkomstig de bepalingen van deze wet indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de verzekerde in de kwartalen van het kalenderjaar waarin de kinderbijslag wordt betaald meer bedraagt dan € 81.360 dan wel, ingeval de belanghebbende dat gehele jaar dezelfde partner heeft, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de verzekerde en zijn partner in dat jaar meer bedraagt dan € 81.360. Bij de bepaling van de grondslag, bedoeld in de vorige volzin, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Toelichting

Dit amendement regelt dat er voor het recht op kinderbijslag een vermogenstoets wordt gedaan. Hierbij wordt aangesloten bij de vermogenstoets die op dit moment al geldt voor het kindgebonden budget. De opbrengsten van de maatregel uit dit amendement dienen ingezet te worden voor compensatie van gezinnen met kinderen met lagere inkomens.

Voortman