De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
I
In artikel I wordt na onderdeel Ca een onderdeel ingevoegd, luidende:
Cb
Het opschrift van hoofdstuk 10, paragraaf 2, komt te luiden:
Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten en bindende aanwijzing
II
In artikel I, onderdeel D, wordt artikel 66 als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-
3. Het College kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de
geldboete van de zesde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht
in geval van niet-nakoming van een bindende aanwijzing. Artikel 23, zevende lid, van
het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
2. Het vierde lid vervalt.
III
In artikel I wordt na onderdeel Da een onderdeel ingevoegd, luidende:
Db
Na artikel 67 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 68
Het College kan in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens een van
de artikelen, genoemd in artikel 66, tweede lid, aan de overtreder een bindende aanwijzing
geven. Het College kan de overtreder een termijn stellen waarbinnen de aanwijzing
moet worden opgevolgd.
Toelichting
De boetebevoegdheid dient de slagvaardigheid van de toezichthouder bij de handhaving
expliciet en robuust te versterken. Daarvoor is het noodzakelijk dat de toezichthouder
daadkrachtig kan optreden en van de toepassingsmogelijkheden van de boetebevoegdheid
een afschrikwekkende, preventieve werking uitgaat.
Dit amendement regelt dat indien sprake is van overtredingen van de Wet bescherming
persoonsgegevens, een directe oplegging van een boete tot de mogelijkheden van de
toezichthouder behoort, zonder dat eerst een bindende aanwijzing moet zijn opgelegd.
Het direct opleggen van een bestuurlijke boete dient niet uitsluitend mogelijk te
zijn wanneer de wet bescherming persoonsgegevens opzettelijk is overtreden of wanneer
sprake is van ernstig verwijtbaar nalaten. Ook in geval van ernstig verwijtbaar handelen
doordat bijvoorbeeld sprake is van herhaalde overtreding van de wet, sprake is van
gegevensverwerking van bijzonder kwetsbare groepen of sprake is van ernstige onzorgvuldigheid,
onachtzaamheid of onoordeelkundig optreden, dient een directe boeteoplegging als «lik
op stuk» sanctie tot de mogelijkheden van de toezichthouder te behoren.
Nadere duidelijkheid over de concrete toepassing van de boetebevoegdheid en bindende
aanwijzing dient in richtsnoeren en beleidsregels te worden beschreven zodat deze
voldoende voorzienbaar en kenbaar zijn. De betreffende richtsnoeren kunnen door de
toezichthouder na overleg met het Ministerie van Veiligheid en Justitie, VNO/NCW,
de Consumentenbond en eventuele andere betrokkenen worden vastgesteld en in de Staatscourant,
op de website van de toezichthouder en ter expliciete kennisname van gegevensverwerkers
worden gepubliceerd.
De bindende aanwijzing wordt zodoende geen verplichte tussenstap, maar een bevoegdheid
waarbij de toezichthouder op basis van de vastgestelde richtsnoeren en beleidsregels
kan bepalen wanneer het een passende tussenstap is in de procedure tot oplegging van
een bestuurlijke boete (artikel 68).
Hiermee wordt de bindende aanwijzing een bevoegdheid gelijk aan de toepassing van
bestuursdwang en last onder dwangsom zoals thans geregeld in artikel 65 van de Wet
bescherming persoonsgegevens. In verband daarmee wordt het opschrift van paragraaf
2 gewijzigd in: Bestuurlijke boeten en bindende aanwijzing. Ter verduidelijking van
het voorgestelde systeem is het niet-nakomen van een bindende aanwijzing afzonderlijk
bestuurlijk beboetbaar gesteld (artikel 66, derde lid). Hiermee wordt aangesloten
bij vergelijkbare constructies in andere wetten en de Algemene wet bestuursrecht.
De voorgestelde wijzigingen zorgen er tevens voor dat de Nederlandse boetebevoegdheid
aansluit bij de (in voorbereiding zijnde) Europese regels over gegevensbescherming,
waarin de bindende aanwijzing geen verplichte tussenstap is en bewust wordt gekozen
voor tijd-en-technologie-onafhankelijke bepalingen zodat deze langere tijd houdbaar
zijn.
Schouw Segers