Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333630 nr. 2

33 630 Evaluatie Wet voorzieningenplanning

Nr. 2 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juli 2013

Hierbij bied ik u de beleidsreactie aan op het rapport «De voorzieningenplanning in het voortgezet onderwijs, Onderzoek ten behoeve van de evaluatie van de wet voorzieningenplanning». Het rapport, opgesteld door Regioplan, heb ik u reeds toegestuurd met mijn brief van 1 mei 2013, Kamerstuk 33 630, nr. 1. Hiermee voldoe ik aan de toezegging zoals gedaan door mijn ambtsvoorganger bij de behandeling van het wetsvoorstel(Kamerstuk 31 310) in uw Kamer op 13 maart 2008 (Handelingen II, 2007/08, nr. 63, blz. 4479–4498).

Inleiding.

Voorzieningenplanning gaat over alle wet- en regelgeving die van toepassing is op de vraag wie, waar, onder welke omstandigheden, welke soort onderwijs mag aanbieden. Hieronder vallen onder meer de regels voor stichting, opheffing, omzetting, splitsing, verplaatsing, nevenvestigingen, etc. De in de volksmond veelgebruikte term die hiermee samenhangt is «licentie». Licentie wil in dit verband zeggen: «komt voor rijksbekostiging in aanmerking».

Bij veel zaken in het onderwijs die de aandacht van de politiek of media trekken speelt voorzieningenplanning een rol. Voorbeelden zijn de sluiting van het Islamitisch College Amsterdam als gevolg van het niet halen van de opheffingsnorm, pogingen van een burgerinitiatief een nieuwe school te stichten in Kerkrade en herschikking van het aanbod in Maastricht.

Ook vormt de voorzieningenplanning het fundament van het onderwijsbestel waardoor er vaak een relatie is met andere dossiers. De relatie met artikel 23 van de Grondwet en de door de Onderwijsraad geadviseerde richtingvrije planning is weliswaar evident, maar kan hier niet onvermeld blijven.1 Voor dit specifieke dossier verwijs ik naar de komende beleidsreactie op het onderwijsraadadvies. Daarnaast speelt de voorzieningenplanning een grote rol in het dossier leerlingdaling vanwege de aansluiting tussen vraag en aanbod. Tot slot behoren technisch gesproken, ook fusies tot voorzieningenplanning. Dit onderdeel laat ik echter in deze brief buiten beschouwing omdat op dit specifieke punt de wet nog recenter is gewijzigd (fusietoets) en apart geëvalueerd zal worden.

In augustus 2008 zijn de regels omtrent voorzieningenplanning ingrijpend gewijzigd. Van een systeem waarbij de centrale overheid over alle aspecten beslissingsbevoegdheid had, is overgegaan naar een systeem waarbij de verantwoordelijkheid voor een goede afstemming tussen vraag en aanbod grotendeels kwam te liggen bij de samenwerkende schoolbesturen in de regio. De gedachte hierachter is dat men in de regio de lokale situatie veel beter kent en daardoor betere keuzes kan maken. Meer autonomie voor scholen en daarmee minder administratieve lasten op voorwaarde van goede samenwerking en afstemming onderling en met lokale stakeholders. Daarnaast werden met de wetswijziging de regels gemoderniseerd en vereenvoudigd.

Deze wetswijziging is nu na vijf jaar, zoals gebruikelijk bij nieuwe wetgeving, geëvalueerd. Uit de evaluatie kan in algemene zin de conclusie getrokken worden dat het nieuwe systeem naar behoren werkt. Gebruikers zijn grotendeels tevreden en vinden dat de beoogde doelen van de wetswijziging (modernisering, vereenvoudiging, meer autonomie en minder administratieve lasten) zijn gerealiseerd. Er is op basis van dit onderzoek geen reden het systeem opnieuw te wijzigen, de contouren staan. Wel is dit een goed moment de huidige wet op enkele technische en licht beleidsmatige punten te verbeteren.

In deze brief zal ik eerst globaal de achtergronden schetsen van de wetswijziging in 2008. Wat de hoofdlijnen van deze wetswijziging waren en hoe de beoogde doelstellingen vorm hebben gekregen. Aansluitend geef ik een kort overzicht van wat de nieuwe wetgeving ons tot nu toe heeft gebracht. Daarna volgt een beknopte samenvatting van de onderzoeksresultaten. Tot slot ga ik in mijn beleidsreactie in op enkele opvallende uitkomsten uit het onderzoek en geef ik in de bijlage een overzicht van mijn voornemens om de huidige wet- en regelgeving te stroomlijnen.

Wetswijzing 2008 over de voorzieningenplanning VO.

De bedoeling van de wetswijziging was te komen tot modernisering en vereenvoudiging van de regels. Tevens werd gestreefd naar vergroting van de autonomie van de scholen en naar vermindering van de administratieve lasten. Ook werd beoogd het onderwijsaanbod beter aan te laten sluiten bij de wensen van leerlingen/ouders, vervolgonderwijs en arbeidsmarkt.

Voor 2008 moest een individuele school voor elke verandering (verplaatsing, omzetting, nevenvestiging, etc.) een aanvraag indienen bij de minister. Vervolgens werden de aanvragen besproken in het zogenaamde Overleg Plan van Scholen waarin provincies en besturenorganisaties waren vertegenwoordigd. Ook was er jaarlijks overleg met de Tweede Kamer over het Plan van Scholen.

In de nieuwe wetgeving is de autonomie van de schoolbesturen vergroot en zijn overbodige regels geschrapt waardoor de administratieve lasten zijn gedaald. De hoofdlijnen van de wetswijziging waren:

  • Alleen het stichten van de eerste vestiging (hoofdvestiging) van een schoolsoort (vwo, havo, mavo, vbo en pro) en het omzetten van een openbare naar een bijzondere school is, in verband met de grondwet, geheel aan centrale regelgeving onderhevig gebleven;

  • De vorming van een volgende vestiging (nevenvestiging) van een school, het verplaatsen van een vestiging over een afstand van 3 km of meer en onder meer uitbreiding met een of meer vbo-afdelingen werd grotendeels een zaak van de samenwerkende scholen in een regio (door middel van een Regionaal Plan Onderwijsvoorzieningen, RPO) onder een beperkt aantal wettelijke randvoorwaarden. Belangrijk punt was dat de «hindermacht» van omliggende scholen werd beperkt;

  • De vrijheid van de individuele school werd vergroot:

    • Bij het aanbieden van vernieuwde vbo-programma’s (inter- en intrasectorale programma’s);

    • Een vwo-school kan nu zelf bepalen of de atheneumstroom of de gymnasiumstroom of beide worden aangeboden;

    • De aanvraagprocedure bij omzetting van richting (met uitzondering van openbaar naar bijzonder) is komen te vervallen.

De modernisering en vereenvoudiging kwamen verder grofweg tot uitdrukking in:

  • Het afschaffen van de adviesstructuur (o.a. het Overleg Plan van Scholen);

  • Het uitgangspunt van de wetgeving was niet langer één vestiging per school of scholengemeenschap, maar meer vestigingen werden mogelijk;

  • De hoofdelementen van zaken als omzetting, verplaatsing en nieuwe nevenvestigingen werden opgenomen in de wet in plaats van in een beleidsregel;

  • De stichtings- en opheffingsnormen werden sterk vereenvoudigd en de discretionaire bevoegdheid van de minister bij stichting werd geschrapt.

Wat heeft de nieuwe wet- en regelgeving opgeleverd?

Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe regels op 1 augustus 2008 zijn er 56 nieuwe RPO’s overeengekomen. In verreweg het grootste deel van deze RPO’s nemen alle schoolbesturen die actief zijn in de betreffende regio deel aan het plan, hoewel dat niet wettelijk vereist is. Als minstens 65% van de besturen samenwerken, en deze bovendien met elkaar 60% van de leerlingen onderwijs bieden, is het al mogelijk om een rechtsgeldig RPO af te sluiten. Ruim driekwart van de besturen is in één of meer regio’s betrokken geweest bij het opstellen van een RPO.

Vrijwel alle RPO’s die worden overeengekomen leiden tot aanvragen voor het in aanmerking brengen van bekostiging voor nieuwe voorzieningen (nevenvestigingen, extra vbo-afdelingen en verplaatsingen). Met de RPO’s zijn in totaal 78 nieuwe nevenvestigingen en 310 nieuwe vbo-afdelingen voor bekostiging in aanmerking gebracht en 88 verplaatsingen gerealiseerd. Verder is het mogelijk om via een RPO de bovenbouw te realiseren op een nevenvestiging (124), een schoolsoort af te splitsen in een nieuwe school (4) en de gemengde leerweg toe te voegen aan een school voor mavo of een school voor vbo (8).

Het stichten van nieuwe scholen kan niet plaatsvinden binnen een RPO maar is, als gevolg van de grondwettelijke vrijheid van stichting (artikel 23 GW), aan centrale wet- en regelgeving onderhevig gebleven. Een aanvraag voor het stichten van een nieuwe school moet worden ingediend bij de minister en goedkeuring is uitsluitend afhankelijk van het getalscriterium (stichtingsnorm). In de afgelopen vijf jaar zijn er 23 aanvragen ingediend voor stichting van een nieuwe school, waarvan er drie zijn goedgekeurd. Daarnaast zijn er zeven nieuwe scholen ontstaan door splitsing van bestaande scholen. Van de gestichte scholen onder de nieuwe wet- en regelgeving is er nog geen één daadwerkelijk gestart. Tot slot zijn er twee scholen van kleur verschoten (omzetting van richting).

Evaluatie van de wetswijziging: samenvatting van de conclusies.

Onderzoeksbureau Regioplan heeft een onderzoek uitgevoerd naar de werking van de nieuwe regels in de praktijk en de tevredenheid hierover onder de gebruikers en andere belanghebbenden. Het doel van het onderzoek was vast te stellen of de beoogde doelstellingen van de wetswijziging zijn gerealiseerd. Ook is gepoogd te achterhalen of er belangrijke knelpunten in de huidige wet- en regelgeving worden ervaren en/of waar men verbetering wenst.

Het onderzoek is uitgevoerd door het houden van enquêtes onder alle schoolbesturen in het VO en alle gemeenten. De respons was representatief. Daarnaast zijn besturen van ROC’s en AOC’s bevraagd in verband met hun betrokkenheid bij de RPO’s. Er zijn voorafgaand aan de enquêtes interviews gehouden met belangenorganisaties en betrokkenen uit het veld en na afloop verdiepende interviews met besturen en gemeenten. Tot slot heeft Regioplan een zestal casestudies uitgevoerd (documentanalyse en interviews). De cases die nader zijn onderzocht betreffen enerzijds zaken waarover in de afgelopen jaren signalen zijn binnengekomen van problemen (RPO’s van Amsterdam en Rotterdam) en anderzijds zaken waar speciale aandacht voor is of is gevraagd (krimpgebieden, uitsluiting, stichting).

RPO’s in de praktijk

Een RPO kan worden overeengekomen in een regio die bestaat uit een of meer aaneengesloten gemeenten. Over het concept RPO moet overleg worden gevoerd met de betrokken gemeenten in de vorm van een «Op Overeenstemming Gericht Overleg» (OOGO). Ook moet over het concept overleg zijn gevoerd met de desbetreffende provincie(s) en (indien er vbo bij betrokken is) met het bedrijfsleven (i.v.m. stageplaatsen) en vervolgonderwijs in de regio. Een RPO wordt in principe afgesloten voor een periode van vijf jaar.

Uit het onderzoek blijkt dat ongeveer driekwart van de vo-besturen in een of meer regio’s betrokken is geweest bij het opstellen van een RPO. Als besturen niet hebben deelgenomen, is dat meestal omdat er nog geen RPO is opgestart. Een klein aantal besturen wilde zelf niet deelnemen of is niet uitgenodigd. Van de besturen die wel betrokken zijn geweest bij het opstellen van een RPO is de overgrote meerderheid ook tot overeenstemming gekomen of verwacht dat binnenkort te bereiken. Gemiddeld komen de besturen drie á vier keer bijeen voordat men tot overeenstemming komt. Bijna altijd wordt het overleg ondersteund door een externe partij.

Volgens bijna twee derde van de besturen spelen gemeenten geen belangrijke rol in het RPO, volgens iets meer dan tien procent wel. Dit komt overeen met de resultaten uit de enquête onder gemeenten. Hieruit blijkt dat de afstand van de gemeenten tot het RPO-overleg soms groot is: meer dan de helft van de gemeenten waar vo wordt geboden weet niet of er een concept-RPO is opgesteld.

Over het overleg met provincies en bedrijfsleven komt uit het onderzoek naar voren dat het overleg met de provincie vaak schriftelijk plaatsvindt. Concept-RPO’s worden ter kennisgeving aan de provincie gestuurd en meestal nemen zij deze als zodanig aan. Sommige provincies, met name de provincies waar demografische krimp een rol speelt, stellen zich actiever op. Hoewel uit het onderzoek blijkt dat ook het mbo en bedrijfsleven zelden of nooit aan tafel zitten bij het overleg over het concept-RPO, is er wel vaak in eerder stadium en op lager niveau overleg over geweest, indien dat op inhoudelijke gronden gewenst is.

De meeste besturen zijn positief over de inhoud van het RPO (75%) en ongeveer 10% geeft aan ontevreden te zijn. Naarmate besturen hun eigen wensen beter hebben kunnen realiseren zijn zij tevredener over de inhoud van het RPO. Naarmate er meer partijen aan tafel zitten, zijn besturen minder positief over zowel het overleg als over de inhoud van het uiteindelijke RPO. Meestal zijn dat besturen uit grotere gemeenten. Van de gemeenten die bekend zijn met het concept-RPO is hierover het merendeel positief of neutraal. De gemeenten die zich negatief hebben uitgelaten, zijn vaak grotere gemeenten met meer dan één vo-bestuur.

Realisering van de doelstellingen van de wetswijziging

De nieuwe wet- en regelgeving beoogde een vergroting van de autonomie van de besturen, het terugdringen van de administratieve lasten en een modernisering en vereenvoudiging van de bestaande wetgeving. De kern van de nieuwe wetgeving is bovendien dat vo-besturen door middel van samenwerking komen tot een goed voorzieningenaanbod dat aansluit bij de vraag naar onderwijs. Het onderzoek wijst uit dat de doelstellingen ten dele gerealiseerd zijn.

Van de bestuurders met ervaring met zowel de oude als de nieuwe wet- en regelgeving vindt ruim 60% dat er een vereenvoudiging en modernisering heeft plaatsgevonden. Toch blijft het ingewikkelde materie waardoor samenwerkende besturen zich vaak laten ondersteunen door een extern adviseur. Ook op het punt van autonomie vindt het grootste deel – ruim twee derde – van de bestuurders die zowel de oude als de nieuwe regels kennen dat deze is toegenomen ten opzichte van de oude wetgeving. Door verschillende respondenten wordt de kanttekening geplaatst dat de toename van autonomie niet per se geldt voor individuele besturen maar wel voor de samenwerkende besturen. Op het gebied van de administratieve lasten zijn de meningen niet eenduidig. Ongeveer net zoveel besturen zien in de nieuwe wetgeving een verlaging (36%) als juist een verhoging (25%), als geen verschil (31%).

De meerwaarde van het werken met RPO’s is de verbeterde samenwerking van vo-besturen en een groter besef van de regionale ontwikkelingen. Deze meerwaarde wordt zowel door besturen, gemeenten en provincies als belangenorganisaties genoemd. Ook de besturen die kritisch zijn over de wet- en regelgeving zijn hier positief over. Over de verbeterde aansluiting tussen vraag en aanbod zijn veel besturen van mening dat de RPO’s hier een positieve bijdrage aan hebben geleverd.

Ervaren knelpunten en verbetermogelijkheden

Het onderzoek biedt weinig aanknopingspunten voor verbetering van de wet- en regelgeving. Hoewel een derde van de besturen aangeeft één of meer verbetermogelijkheden te zien, levert dat geen eenduidige punten op. Waar sommige besturen ten aanzien van verbetering van een element een suggestie doen, suggereren andere besturen ten aanzien van hetzelfde element precies het tegenovergestelde. Grote knelpunten worden niet ervaren.

Beleidsreactie: hoe nu verder?

In het algemeen geeft de uitkomst van het onderzoek geen reden om aan te nemen dat er grote, ingrijpende wijzigingen van de huidige wet- en regelgeving nodig zijn. Grotendeels zijn de doelstellingen gehaald en de gebruikers zijn in het algemeen tevreden. Met andere woorden het bouwwerk staat. Ook op het punt waarvoor specifiek de aandacht was gevraagd bij behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede en Eerste Kamer, namelijk de vraag of er besturen worden uitgesloten van deelname van een RPO, blijkt geen reden tot bezorgdheid. Er zijn in het onderzoek geen gevallen naar voren gekomen waarin een bestuur tegen zijn wil is uitgesloten van deelname.

Desalniettemin komen er uit het onderzoek enkele zaken naar voren die bijzondere aandacht vragen omdat deze sterk gerelateerd zijn aan andere actuele dossiers (artikel 23, leerlingdaling) of omdat daarvoor specifieke aandacht is gevraagd. Ook vind ik dat de manier waarop de rol van gemeenten en provincies bij het RPO wordt ingevuld aanleiding geeft tot actie. Tot slot vind ik dit een mooi moment om de huidige wet- en regelgeving op een aantal technische en licht beleidsmatige punten te verbeteren (bijlage 1 geeft hiervan een overzicht).

Stichting van nieuwe scholen: richtingvrije planning

Uit het onderzoek komt naar voren dat de systematiek van stichten van nieuwe scholen wordt bekritiseerd door potentiële nieuwe toetreders. Overeenkomstig de conclusie van de Onderwijsraad (2012) vindt men dat het niet meer van deze tijd is dat het stichten van nieuwe scholen nog altijd zo gerelateerd is aan de (levensbeschouwelijke) richting van de gewenste school. De Onderwijsraad adviseert over te gaan op een nieuw systeem van richtingvrije planning. In mijn beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad kom ik hierop terug.

Werking van het RPO in krimpgebieden

In de brief «versterking bestuurskracht» van 19 april 2013 hebben de minister en ik uiteengezet wat onze agenda is om de bestuurskracht in het onderwijs te verbeteren. Onderdeel hiervan vormt het onderdeel concurrentie en samenwerking. In de toekomst is het, zeker in gebieden waar scholen te kampen krijgen met daling van de leerlingaantallen, van belang dat scholen meer gaan samenwerken in plaats van elkaar te beconcurreren. De systematiek van deze wetgeving, het RPO, sluit hier naadloos op aan. Eén van de doelstellingen van het RPO is juist gezamenlijk te komen tot een goed afgewogen en duurzaam onderwijsaanbod dat aansluit bij de wensen van ouders en leerlingen en is afgestemd op de toekomstige hoeveelheid leerlingen. Het RPO biedt een geschikt gremium om hierover onderling het gesprek te voeren en daarbij ook de omgeving te betrekken (gemeente, vervolgonderwijs etc.).

In het onderzoek is speciale aandacht gevraagd voor de werking van de RPO’s in krimpgebieden. De verwachting was dat er in gebieden waar sprake is van ernstige leerlingdaling moeilijker tot afspraken kan worden gekomen omdat daar vaak impopulaire beslissingen moeten worden genomen, zoals het sluiten van vestigingen of vermindering van het aanbod. Het onderzoek geeft te weinig houvast om deze veronderstelling te onderbouwen. Desalniettemin kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat het in deze gebieden altijd vlekkeloos verloopt. Het onderzoek kijkt immers terug over de afgelopen vijf jaar en de grootste krimp zal voor het voortgezet onderwijs in de komende decennia toeslaan. Ik zal daarom met name op dit punt de komende jaren de vinger aan de pols houden. Zoals ik in mijn brief over demografische krimp heb aangekondigd neem ik huidige belemmeringen voor samenwerking tussen scholen zoveel mogelijk weg. Mocht blijken dat ook aanpassing van de wetgeving over RPO’s nodig is om schoolbesturen meer te prikkelen tot samenwerking, zal ik maatregelen nemen. Ik denk bijvoorbeeld aan inperking van de vrijblijvendheid van deelname.

Werking van het RPO in grote steden

Aan de andere kant van het spectrum zijn er signalen dat schoolbesturen de samenwerking soms misschien te ver doorvoeren. Stichting Vrije Schoolkeuze Amsterdam (VSA) heeft dit bij de Tweede Kamer vorig jaar onder de aandacht gebracht.2 Als reactie hierop heb ik toegezegd de situatie in Amsterdam in het onderzoek specifieke aandacht te geven.3 Uit de casestudie Amsterdam, maar ook de casestudie Rotterdam blijkt dat het moeilijker wordt tot besluiten te komen als er erg veel besturen aan tafel zitten, er sprake is van machtsverschillen en er een sfeer heerst van concurrentie en wantrouwen tussen de bestuurders. Het verwijt van VSA dat de Amsterdamse schoolbesturen onderling kartelachtige afspraken maken wordt echter niet ondersteund door de uitkomsten van het onderzoek. De systematiek brengt met zich mee dat schoolbesturen met elkaar tot afspraken komen over het aanbod. Het is niet verboden om in een RPO meer afspraken te maken. In Amsterdam wordt de schoolbesturen verweten afspraken te maken over de capaciteit van scholen, waardoor het fenomeen dat elk jaar veel leerlingen worden uitgeloot voor de school van hun eerste keuze bewust in stand wordt gehouden.

Scholen gaan zelf over hun toelatingsbeleid en over hun capaciteit. Ik roep de schoolbesturen wel op goed in het oog te houden waar een RPO voor bedoeld is, namelijk te komen tot een aanbod dat aansluit bij de vraag. Hiervoor is het soms nodig over de eigen schaduw heen te springen.

Wel kom ik tegemoet aan de kritiek die de gemeente Amsterdam en de VSA hebben gemaakt over de gevolgen die de huidige procedure voor stichting van nieuwe scholen heeft voor een grote stad als Amsterdam. Zoals de VSA correct heeft opgemerkt leidt de huidige stichtingsprocedure ertoe dat daar geen nieuwe scholen kunnen worden gesticht, ook niet als daarvoor wél voldoende leerlingpotentieel is. Indien er al een school van gewenste soort en richting bestaat, moeten nu alle potentiële leerlingen die binnen 10 km van deze bestaande school wonen worden afgetrokken om van bruto tot netto-potentieel te komen, ook als dit veel meer is dan de capaciteit van de bestaande school. Dat maakt het feitelijk onmogelijk om in een grote stad, waar iedere schoolsoort en richting al vertegenwoordigd is, nog een nieuwe school te stichten, terwijl daar wel voldoende potentieel voor zou kunnen zijn. Met een kleine aanpassing van de regeling Voorzieningenplanning VO kan dit worden opgelost.

Rol van de gemeente en provincie bij het RPO

Uit het onderzoek komt naar voren dat de rol die gemeenten en de provincies hebben bij de totstandkoming van een RPO in het algemeen minimaal wordt ingevuld. Gemeenten zijn volgens het onderzoek vaak niet goed op de hoogte van de wet- en regelgeving en er vindt, hoewel de wet dit voorschrijft, niet altijd een OOGO plaats over het concept RPO. Provincies vervullen hun rol over het algemeen alleen schriftelijk.

Voor wat betreft de gemeenten vind ik dat dit beter moet. Gemeenten gaan in de eerste plaats over de huisvesting en moeten als zodanig in goed overleg worden betrokken bij de plannen voor verplaatsingen en nieuwe nevenvestigingen. Daarnaast kan de gemeente in het overleg een belangrijke rol spelen in verband met haar onafhankelijke helicopterview en haar belang bij een goed gespreid en duurzaam voorzieningenaanbod voor de inwoners. Ik ga hierover in gesprek met zowel de VNG als de VO-raad om te onderzoeken of er op dit punt aanpassingen nodig zijn in wet- en regelgeving of dat er volstaan kan worden met afspraken over de uitvoering.

Voor wat betreft de rol van de provincie zie ik geen aanleiding om kritisch te zijn over de huidige manier van uitvoering. Wel dienen we ons de vraag te stellen of deze rolopvatting nog van toegevoegde waarde is of dat, zoals enkele provincies ook in het onderzoek hebben aangegeven, hun rol uit de wet- en regelgeving geschrapt kan worden. Hierover ga ik in gesprek met de VO-raad, het IPO en de VNG.

Technische verbeteringen van de wetgeving mogelijk

Hoewel de evaluatie, afgezien van de stichtingssystematiek, geen aanleiding geeft tot opnieuw ingrijpende wetswijzigingen is dit wel een goed moment om de huidige wet- en regelgeving op enkele technische en licht beleidsmatige punten te stroomlijnen. Dit zijn punten die in de afgelopen jaren van uitvoering zijn verzameld door DUO en/of ingebracht door het veld. Het betreffen meestal zaken die bij (te) strikte interpretatie zorgen voor belemmeringen of onnodige administratieve- en uitvoeringslasten, maar waar geen duidelijke beleidsmatige onderbouwing voor geldt. Een voorbeeld is dat nu alleen gehele vestigingen kunnen worden verplaatst en niet een deel van het onderwijsaanbod. In bijlage 1 bij deze brief is een overzicht van deze punten opgenomen. Voor deze aanpassingen dien ik separaat een voorstel in.

Hoofdconclusie: Geen grote knelpunten.

Concluderend stel ik vast dat de in de 2008 ingevoerde wetswijziging van de voorzieningenplanning VO naar behoren werkt. Er is op basis van deze evaluatie geen reden het systeem van voorzieningenplanning te wijzigen. Het merendeel van de gebruikers vindt dat er een vereenvoudiging en modernisering heeft plaatsgevonden en dat de autonomie is toegenomen.

Voor de werking van het RPO in krimpgebieden houd ik de komende jaren de vinger aan de pols en ik ga in gesprek met de gebruikers over de rol van de gemeente en de provincie. Op enkele technische en licht beleidsmatige punten ga ik de wet- en regelgeving verder verbeteren.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker

Bijlage 1: Voorstellen voor technische en licht-beleidsmatige wijzigingen Voorzieningenplanning voortgezet onderwijs

Wat

Beschrijving

Wet- en regelgeving

Berekening leerling verlies en verantwoordelijkheid van aantonen

Alleen uit de memorie van toelichting blijkt wie verantwoordelijk is voor het aantonen van >10% leerlingverlies.

De in bijlage 7 opgenomen voorgeschreven methode van berekening kan worden verhelderd.

WVO Artikel 72, zesde lid

Regeling voorzieningenplanning VO, bijlage 7

Tijdelijke nevenvestiging publiceren in Staatscourant

Een tijdelijke nevenvestiging voorziet in tijdelijke huisvestingnood en moet binnen 3 km van de vestiging staan waar deze aan verbonden is. Analoog aan verplaatsingen over minder dan 3 km is het niet nodig deze te publiceren in de Staatscourant (grote uitvoeringslast voor DUO).

WVO Artikel 71, zesde lid

Locatie van vestigingen van een school, niet op hetzelfde adres

Een vestiging wil zeggen: een andere locatie waar onderwijs wordt verzorgd. Nu wordt dit soms oneigenlijk gebruikt. Van een school kunnen geen twee vestigingen op hetzelfde adres bestaan. Het verdient de aanbeveling de wet hierop te verduidelijken.

WVO, artikel 16, tweede lid

Verplaatsing van vestigingen vs. onderwijsaanbod

Volgens de strikte interpretatie van de wetstekst kunnen alleen volledige vestigingen worden verplaatst. Scholen hebben soms de behoefte om een deel van het aanbod (licenties) te verplaatsen i.p.v. de gehele vestiging.

WVO, artikel 71, eerste lid

WVO, artikel 72, derde lid, onderdeel a

Hoofdvestiging – nevenvestiging omdraaien

De wet gaat ervan uit dat er eerst een hoofdvestiging is en daarna nevenvestigingen ontstaan. Na fusie wordt er een keuze gemaakt welke de hoofd- en nevenvestiging wordt. Dat moet later kunnen omgedraaid als dat gewenst is.

WVO, artikel 65, derde lid

Gemengde leerweg ook aan mavo binnen scholengemeenschap

De vbo-gl kan in een RPO worden toegevoegd aan een categoriale mavo en niet aan een scholengemeenschap waarin mavo is vertegenwoordigd. De beleidsmatige onderbouwing hiervoor ontbreekt.

WVO, artikel 72, derde lid, onderdeel e

Slapende licenties: gevolgen bekostiging en vrijheid van stichting

Scholen die licenties hebben verworven behouden die voor onbepaalde tijd, ook als er geen leerlingen op worden ingeschreven. Dit heeft gevolgen voor de bekostiging en kan de vrijheid van stichting voor nieuwe toetreders belemmeren.

Momenteel niet geregeld:

Kan worden toegevoegd aan artikel 65

Lwoo-licentie verhuist niet automatisch mee als onderwijsaanbod wordt verplaatst

Als het onderwijs waaraan een lwoo-licentie is verbonden wordt verplaatst, dan verhuist de lwoo-licentie niet automatisch mee. Dit is administratief lastig.

Regeling voorzieningenplanning VO

Grensoverschrijdende nevenvestiging

Soms bestaat de wens om een nevenvestiging te openen buiten het RPO-gebied. Dat is nu niet mogelijk tenzij het RPO-gebied wordt uitgebreid. Indien het eigen RPO en het andere RPO of in geval er daar geen RPO is, de afzonderlijke besturen en gemeente, geen bezwaar heeft/hebben en bovendien is voldaan aan de overige wettelijke bepalingen t.a.v. een nieuwe nevenvestiging zou dat geen belemmering moeten zijn.

Momenteel niet geregeld: kan worden opgenomen in WVO artikel 72, derde lid, onderdeel b

Rol van de gemeente bij omzetting van bijzondere naar openbare school

Voor de omzetting van een bijzondere school naar een openbare school is nu niet vereist dat hierover vooraf overleg heeft plaatsgevonden met de gemeente. Gezien de rol die de gemeente heeft t.a.v. het openbaar onderwijs is dat wel nodig.

Regeling voorzieningenplanning VO

Eis van overlap voedingsgebied bij nieuwe nevenvestiging en fusie vereenvoudigen

De eis van 20% overlap in voedingsgebieden blijkt onduidelijk en lastig te berekenen. Ook kan het nadelig uitwerken in landelijke gebieden. Deze eis beoogt te voorkomen dat een school in Groningen niet een nevenvestiging opent of fuseert met een school in Maastricht. Dat kan eenvoudiger worden geregeld.

WVO, artikel 71, tweede lid onderdelen a en b

WVO, artikel 72, derde lid onderdeel b

Regeling voorzieningenplanning VO

Wetstekst over update-mogelijkheid RPO verhelderen

Tijdens de looptijd van een RPO is het ook mogelijk om voorzieningen aan te vragen door middel van een update. De wetstekst hierover kan worden verhelderd.

WVO, artikel 74, vierde lid


X Noot
1

Onderwijsraad 2012: Grondwet in een maatschappelijk perspectief

X Noot
2

Tweede Kamerbrief 13 februari 2012, kenmerk 2012D05534

X Noot
3

Tweede Kamerbrief 28 maart 2012, kenmerk 2012D13680