Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533625 nr. 172

33 625 Hulp, handel en investeringen

Nr. 172 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juli 2015

Onder verwijzing naar het verslag van het Algemeen Overleg van de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 12 juni 2014 (Kamerstuk 33 625, nr. 118) en die van 22 april 2015 (Kamerstuk 33 625, nr. 166) wil ik U graag informeren over de invulling van Voice, de invulling van het Accountability Fonds en over de wijze waarop belemmeringen voor maatschappelijke organisaties binnen tenders zullen worden weggenomen.

Voice: Nothing about us without us

Op uw verzoek is het Innovatiefonds onder het beleidskader «Samenspraak en Tegenspraak» omgezet in een fonds gericht op inclusie, genaamd Voice. Om de inrichting voor dit fonds uit te kunnen werken heb ik overleg gevoerd met de branchevereniging Partos, de werkgroep Leave no one behind en met de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD).

Dit fonds zal gericht zijn op het versterken van de capaciteit van de meest gemarginaliseerde en gediscrimineerde groepen op het terrein van pleiten en beïnvloeden. Omdat deze groepen via reguliere programma’s vaak moeilijk bereikt worden, heb ik er voor gekozen om het fonds laagdrempelig in te richten en vooral innovatieve aanpakken en instrumenten van organisaties te financieren, die het mogelijk maken deze groepen een stem te geven.

De focus van het fonds zal liggen op organisaties uit lage en lage-middeninkomenslanden. Zowel grotere, reeds gevestigde organisaties, die de belangen van de doelgroep behartigen, als kleinere, nieuwe basisorganisaties of de doelgroep zelf komen in aanmerking voor ondersteuning. Deze organisaties kunnen zowel in het Zuiden als in Nederland gevestigd zijn. Tot deze groep behoren ook diasporaorganisaties en (vertegenwoordigers van) mensen met een beperking in lage en lage-middeninkomenslanden.

Een lerend platform waarbij ervaringen, kennis en geleerde lessen kunnen worden uitgewisseld, zal onderdeel zijn van Voice. De nadruk ligt hier op Zuid-Zuid uitwisseling.

Voice zal worden uitgevoerd door een organisatie die toegankelijk is voor de doelgroep en in de juiste netwerken zit, en benodigde expertise en ervaring heeft op het gebied van capaciteitsversterking van gemarginaliseerde groepen. Het ministerie is hiervoor niet de meest geschikte partij. Daarom zal het beheer en de uitvoering via een tender worden uitbesteed aan een partij die de capaciteit heeft om deze moeilijk te bereiken groepen op een innovatieve wijze te bereiken en te versterken. Deze partij kan een (alliantie van) Nederlandse, internationale of zuidelijke maatschappelijke organisatie(s) zijn.

Een steering committee bestaande uit vertegenwoordigers van de beheersorganisatie, de brancheorganisatie, organisaties uit het Zuiden en van mijn departement zal nauw betrokken zijn bij de uitvoering van het fonds en daar richting aan geven.

Voice zal per 31 januari 2016 van start gaan. Het omvat EUR 50 miljoen en heeft een looptijd tot 31 december 2020.

Accountabilityfonds

In het beleidskader «Samenspraak en Tegenspraak» gaf ik aan dat ik ook via directe financiering door ambassades lokale zuidelijke partners wil ondersteunen op het gebied van pleiten en beïnvloeden. In eerder met uw Kamer gevoerd overleg bleek dat daarbij een flexibele inzet van dit instrument van groot belang werd gevonden. Ik onderschrijf deze constatering en sluit daarbij tevens aan bij de op dit punt geformuleerde aanbeveling van de IOB evaluatie van maart 2014 voor directe financiering van lokale maatschappelijke organisaties door Nederlandse ambassades in de periode 2006–2012.

Inmiddels heb ik de ambassades geïnformeerd over de doelstelling en opzet van het fonds en aangegeven dat maximale flexibiliteit wordt toegekend in het kader van door hen te selecteren partners en activiteiten, mits deze laatste voldoen aan de beleidsdoelstelling van het kader. Ik ga er daarbij van uit dat ambassades op basis van hun kennis van de lokale context en hun relaties met maatschappelijke organisaties weloverwogen kunnen beslissen of zinvolle inzet van het fonds mogelijk is. Het verdient daarbij de voorkeur om zoveel mogelijk meerjarig in te zetten: resultaten op pleiten en beïnvloeden zijn veelal een zaak van lange adem. Voorts zet ik in op zo groot mogelijke aansluiting bij speerpunt programma’s en initiatieven van andere donoren om zoveel mogelijk effect te bereiken. Ook op dit punt sluit ik aan bij de aanbevelingen van IOB.

Het fonds is expliciet bedoeld voor ondersteuning van de capaciteit van lokale organisaties. Echter, indien zij een Nederlandse maatschappelijke organisatie willen inschakelen vanuit een bepaalde meerwaarde (bijvoorbeeld bescherming), is dat aan hen. De ambassade beoordeelt vervolgens de relevantie van de Nederlandse inbreng.

Zoals eerder met u besproken in het Algemeen Overleg van resp. 12 juni 2014 en 22 april jl. kunnen ambassades ook buiten de partnerlanden gebruik maken van het fonds, mits deze wel vallen binnen de lijst van lage- en lage middeninkomens landen zoals die geldt voor het gehele beleidskader.

Immers, inzet van het accountability fonds buiten de partnerlanden kan zeker ook effectief zijn, aangezien de operationele ruimte van het maatschappelijk middenveld in een groot aantal landen onder druk staat en versterking van de «watchdog» functie van maatschappelijke organisaties wenselijk is.

Het Accountabilityfonds gaat per 1 januari 2016 van start, kent een looptijd van 5 jaar en een jaarlijks budget van EUR 15 miljoen.

Deelname maatschappelijke organisaties aan thematische tenders

Zoals aangegeven in «Wat de Wereld verdient», wil ik ontwikkelingsactoren verbinden en betrekken bij de uitvoering van mijn beleid. Sommige thematische programma’s zijn exclusief toegankelijk voor maatschappelijke organisaties, zoals Samenspraak en Tegenspraak, SRGR Fonds, FLOW en «Strategische Partnerschappen in chronische crises». Daarnaast zijn er binnen verschillende speerpunten Publiek-Private Partnerschappen die mogelijkheden bieden voor samenwerking tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Een aantal maatschappelijke organisaties uit zorgen over de toegankelijkheid van deze fondsen voor maatschappelijke organisaties. Het gaat hier met name om het Faciliteit Duurzame Ontwikkeling en Voedselzekerheid (FDOV) en het Fonds Duurzaam Water (FDW).

Feiten en cijfers over FDOV en FDW

In de eerste call van het FDOV waren er 27 goedgekeurde voorstellen, waarvan 5 met een maatschappelijk organisatie als penvoerder en 14 deelnemende Nederlandse maatschappelijke organisaties. In de tweede call van de FDOV waren er 20 goedgekeurde voorstellen, waarvan 10 met een maatschappelijk organisatie als penvoerder en 12 deelnemende maatschappelijke organisaties. In dit laatste geval loopt 27% van de toegekende subsidies via maatschappelijke organisaties in hun rol als penvoerder van het partnerschap.

Voor de eerste call van het FDW geldt dat er 13 goedgekeurde voorstellen waren, waarvan 4 met een maatschappelijk organisatie als penvoerder. Zij beheren in totaal 30% van het FDW budget. In call 2 waren maatschappelijke organisaties penvoerder van 4 van de 10 allianties en waren 9 maatschappelijke organisaties betrokken binnen de verschillende partnerschappen. Ook binnen de tweede call beheren maatschappelijk organisaties 30% van het totale budget.

Geleerde lessen in het verleden

De ruimte voor maatschappelijke organisaties, maar ook van andere partijen, binnen deze programma’s, is permanent onderwerp van reflectie. Voor beide faciliteiten is vanaf het begin een sterke leeragenda ontwikkeld. Via enquêtes, evaluaties van de externe adviescommissies en sectorbijeenkomsten is na elke call for proposals teruggeblikt en zijn ervaringen van sector partijen geïnventariseerd. Daarnaast voert de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) klanttevredenheidsonderzoeken uit. Bij deze reflectie om het instrumentarium wordt de mening van zowel gegunde als niet gegunde partnerschappen meegenomen.

Op basis van uitkomsten van deze leermomenten en geleerde lessen zijn de beleidskaders aangepast:

  • de eisen ten aanzien van de eigen bijdrage zijn versoepeld,

  • de aanvraagprocedure is aangepast waardoor de doorlooptijd aanzienlijk is verkort.

  • deelname van een maatschappelijke organisatie is verplicht gesteld. Naar aanleiding van een studie waaruit bleek dat in FDOV en FDW projecten waarin maatschappelijke organisaties deelnemen inclusiviteit en aandacht voor kwetsbare groepen beter is geborgd is deze aanpassing doorgevoerd.

Huidige zorgen en mogelijke oplossingen

De huidige zorgen die enkele maatschappelijke organisaties hebben geuit concentreren zich op een aantal punten. Indieners (zowel maatschappelijke organisaties als MKB’ers) hebben problemen om de kosten voor de ontwikkeling van een projectvoorstel voor te financieren. De oplossingsrichting wordt gezocht in een generieke voorziening die alle partijen hierin tegemoet kan komen. Opties waaraan gedacht wordt zijn het toepassen van een voucher systeem voor steun bij projectformulering of het verstrekken een vergoeding bij succesvol indienen van voorstellen.

Knelpunten in het aanvraagproces (te hoge administratieve lasten, voorbereidingstraject te kort, onduidelijkheden in eisen rond business modellen) zijn herkenbaar maar zijn niet specifiek voor maatschappelijke organisaties. In de nieuwe opzet van de twee fondsen die naar verwachting in 2016 opgesteld worden, krijgen deze aspecten aandacht. Het mid-term review van FDW en FDOV van 2015 zal oplossingen aanbevelen voor deze zorg.

De Publiek-Private Partnerschappen zijn subsidieregelingen met een eigen bijdrage component en bieden daardoor zeer beperkt ruimte voor andere financiële regelingen zoals een revolving fund of bankleningen als eigen bijdrage. Ik onderken dit probleem. Voor de nieuwe opzet wordt gekeken of meer ruimte geboden kan worden aan alternatieve financieringsvormen. Deze problematiek staat in principe los van de specifieke toegang van maatschappelijke organisaties tot de instrumenten maar alternatieve financieringsvormen kunnen de toegang mogelijk wel vergroten.

Gezien het belang van het thema partnerschappen in het huidige beleid van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking zal voor FDW en FDOV leren en bijsturen centraal blijven staan. De bevindingen van de toekomstige onafhankelijke impactevaluaties van FDW en FDOV zullen hier ook aan bijdragen.

Dutch Good Growth Fund (DGGF)

Ook is kritiek ontvangen op de toegankelijkheid van het DGGF dat zich richt op Nederlandse MKB’ers of (via veelal lokaal opererende investeringsfondsen) lokale ondernemers. Maatschappelijke organisaties zijn geen doelgroep van het DGGF, maar kunnen wel in de vorm van een investeringsfonds aanspraak maken op DGGF financiering.

Tot nu toe heeft geen maatschappelijke organisatie-gerelateerd investeringsfonds de selectie gehaald. Dit komt doordat maatschappelijke organisaties minder ervaring of minder lange ervaring hebben met investeren. Daarnaast heeft DGGF vooral een commerciële benadering gebaseerd op leningen, garanties en participaties in plaats van subsidies.

Op 27 mei heb ik een nieuw initiatief aangekondigd waarbij EUR 25 miljoen wordt ingezet ter financiering van initiatieven van maatschappelijke organisaties en sociale ondernemers die jong ondernemerschap ondersteunen en daarmee de grondoorzaken voor migratie naar Europa aanpakken. Dit biedt nieuwe toegangskansen voor maatschappelijke organisaties tot het financiële instrumentarium.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen