Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333618 nr. 5

33 618 Wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 14 juni 2013

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

Inhoud

 
     

I

ALGEMEEN

1

     

1.

Inleiding

2

2.

Achtergrond

3

3.

Decentralisatie vaststelling kerndoelen Fries

3

4.

Ontheffing

4

5.

Consultatie

5

6.

Advies Onderwijsraad

5

7.

Toezicht en uitvoering

5

I ALGEMEEN

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel in verband met het onderwijs in de Friese taal. Deze leden hebben een aantal vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Het Fries is de tweede Rijkstaal in Nederland en, zonder dat in Fryslân taaldwang moet wordt opgelegd, vinden de leden het wenselijk dat het onderwijs rekening houdt met de specifieke taalachtergrond van jonge mensen die in Fryslân opgroeien.

De leden van de SP-fractie zijn erg verheugd dat het Fries nog steeds een levendige taal is die voor veel Friezen een wezenlijk onderdeel van hun leven vormt. Sterker nog: voor iemand die de Friese taal beheerst heeft Friesland simpelweg nog veel meer te bieden. Het is dan ook goed dat het Fries, als officiële taal, op Friese scholen wordt aangeboden en dat in de Kamer regelmatig gesproken wordt over de kwaliteit van het onderwijs in de Friese taal. De minister van onderwijs is verantwoordelijk voor het onderwijs in Nederland. Daarbij horen ook de eindtermen voor alle vakken. De voornoemde leden staan niet per se negatief tegenover decentralisatie van het vaststellen van de eindtermen, maar vragen of deze maatregel wel echt gaat zorgen voor het bevorderen van het Fries en het verbeteren van het onderwijs in de taal. Daarom stellen zij enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het onderliggende wetsvoorstel. Gelet op de verplichtingen van de Nederlandse staat op grond van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden en het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden alsmede gezien het onderzoek van de Onderwijsinspectie onderschrijven deze leden het streven om het gebruik van de Friese taal in de provincie Fryslân te bevorderen en bij te dragen aan de kwaliteit van het vak Fries in het onderwijs. Wel hebben deze leden nog een aantal vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggende wet over onderwijs in de Friese taal. Genoemde leden zijn van mening dat het belangrijk is dat zowel schoolbesturen als de provinciale overheid aan zet zijn om de kwaliteit en het gebruik van het vak Fries te bevorderen. Het is bovendien belangrijk dat in het licht van artikel 23 van de Grondwet in het wetsvoorstel is geregeld dat parlementaire betrokkenheid een plaats houdt in de procedure.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderliggende wetsvoorstel. Zij steunen de inzet om het onderwijs in de Friese taal op een goede wijze te verankeren en de betrokkenheid bij dit onderwijs te vergroten. Zij wijzen er echter op dat de voorgestelde verticale decentralisatie onverenigbaar is met de kaders die ten aanzien van deze vorm van decentralisatie gelden, terwijl het beoogde doel bovendien op een andere wijze kan worden bereikt.

1. Inleiding

De leden van de SGP-fractie vragen welke belemmeringen er kennelijk in de huidige rol van de provincie kunnen zijn die de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs hinderen. Op welke wijze is aannemelijk te maken dat met name de organisatorische inbedding en niet andere factoren de kwaliteitsverbetering van het onderwijs in de Friese taal belemmeren? Kan de regering aangeven welke bezwaren van de zijde van de provincie de afgelopen jaren zijn geuit tegen de huidige regeling, zo vragen zij. Deze leden vragen tevens waarom de formele procedure voor vaststelling van de kerndoelen Friese taal kennelijk zo belangrijk is, terwijl voor de kwaliteit en de betrokkenheid toch vooral cruciaal is dat de inhoud van de kerndoelen voldoende degelijk is. Het is deze leden niet duidelijk waarom stevig draagvlak en degelijke inhoud afhankelijk zouden zijn van vaststelling door de provinciale staten. Heeft de minister de inbreng uit de provincie in het verleden kennelijk onvoldoende serieus genomen of laat de inbreng vanuit de provincie vooral te wensen over? Wat zijn de redenen dat niet volstaan kan worden met een zwaardere inhoudelijke rol van de provincie met steviger procedurele waarborgen, terwijl de vaststelling gewoon door de minister gebeurt, zo vragen deze leden.

2. Achtergrond

De leden van de CDA-fractie merken op dat in een eerder schriftelijk overleg1 naar aanleiding van de uitkomsten van de Commissie Hoekstra, bleek dat de kwaliteit van onderwijs in het Fries en het aantrekken van goede leraren een wisselend beeld te zien gaf. Kan worden aangegeven hoe het hier nu mee staat? Al eerder hebben deze leden aangegeven dat het belangrijk is dat deze kwaliteit op orde is voordat de bevoegdheden worden overgedragen van het rijk naar de provincie Friesland.

3. Decentralisatie vaststelling kerndoelen Fries

De leden van de VVD-fractie merken op dat het voorliggende wetsvoorstel het gebruik van de Friese taal beoogt te bevorderen en de kwaliteit te verbeteren, door de verantwoordelijkheid voor het vaststellen van de kerndoelen Friese taal bij de provincie neer te leggen. Zij vragen op welke manier de minister nu nog een vinger aan de pols houdt als het gaat om de kwaliteit van het Friese onderwijs.

Het is in de ogen van de leden van de PvdA-fractie prima dat de bevoegdheid om kerndoelen Fries vast te stellen wordt gedelegeerd aan de provincie Fryslân. Op dit niveau kan men beter inschatten welke kennis en vaardigheden scholieren moeten leren bij dit vak.

De leden van de SP-fractie merken op dat de laatste jaren het taalonderwijs steeds verder is geïntegreerd, waardoor de eindtermen voor onder andere Nederlands, Engels en Duits meer op een lijn kwamen. De leden vragen of decentralisatie die integratie niet in gevaar zou kunnen brengen, doordat de provincie Friesland mogelijk andere keuzes maakt. Betekent deze decentralisatie iets voor de vraag wanneer het Fries een verplicht vak is? De voornoemde leden vragen of de Friese staten bijvoorbeeld kunnen besluiten tot het verplicht stellen van het Fries in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs of in het speciaal onderwijs.

Kan de regering een concreet voorbeeld noemen van hoe de provincie Friesland het taalonderwijs kan verbeteren door zelf de eindtermen vast te stellen. Deze leden vragen waarom de Friese staten daarin beter zouden zijn dan de ambtenaren op het ministerie van onderwijs. Kan de regering zich voorstellen dat de provincie Friesland ook het draagvlak voor het Fries zou kunnen vergroten zonder zelf de eindtermen vast te stellen, zo vragen de genoemde leden. Welke winst denkt de regering op dit vlak te gaan behalen? De onderwijsinspectie doet een groot aantal suggesties tot verbetering van het onderwijs in de Friese taal, maar geen enkele daarvan betreft het decentraliseren van de kerndoelen. Wanneer de regering de kwaliteit van het vak Fries wil bevorderen, waarom neemt de regering in zijn voorstel dan niet (sommige van) de adviezen van de onderwijsinspectie over? De Raad van State geeft aan dat decentralisatie een doel op zich lijkt in deze plannen. De voornoemde leden vragen of dat het geval is, of dat decentralisatie op zich wellicht één van de doelen is en zo ja, of de regering dan nog steeds op dezelfde wijze aankijkt tegen het op afstand plaatsen van deze verantwoordelijkheid van de minister, in het licht van artikel 23 van de Grondwet.

De Raad van State adviseert ook om, wanneer het doel zou zijn de betrokkenheid bij het vak te vergroten, bijvoorbeeld voor een verzwaarde adviesprocedure te kiezen, waarin waarborgen worden geboden om de mogelijkheid tot afwijking door de regering van het advies van provinciale staten in te kaderen. De leden vragen hoe de regering daarover denkt.

De genoemde leden zijn groot voorstander van vergroting van betrokkenheid bij, en kwaliteitsverbetering van het vak Fries, maar zien vooralsnog niet hoe dit voorstel meer gaat doen dan decentraliseren op zich. Het uitgangspunt van deze leden is echter evenmin negatief en zij kijken dan ook uit naar de reactie van de regering.

De leden van de CDA-fractie merken op dat in de memorie van toelichting de regering stelt dat versterking van de positie van de provincie bij het vak Fries ook zal bijdragen aan verbetering van de kwaliteit. De voornoemde leden ontvangen gaarne een nadere toelichting hoe de regering dit ziet. Op welke wijze denkt zij dat de provincie hierin kan bijdragen op een wijze die niet door het rijk kan worden gedaan, zo vragen de leden.

De leden hebben met instemming gelezen in de memorie van toelichting dat de regering naar aanleiding van kritiek van de Raad van State over de parlementaire betrokkenheid, het wetsvoorstel op dit punt heeft aangepast. Zij ontvangen gaarne een nadere toelichting hoe deze betrokkenheid wordt vormgegeven en zij vragen of het hier alleen gaat om een soort van nahangprocedure.

Volgens de leden van de SGP-fractie is de door de regering gegeven beschrijving van de mogelijkheden tot verticale delegatie zowel te ruim als te ongedifferentieerd. Juist de door de regering genoemde voorbeelden van onderwijshuisvesting en onderwijsachterstanden illustreren dat probleem. Deze leden ontvangen graag een nadere toelichting op de uitgangspunten die in de wetsgeschiedenis ten aanzien van verticale decentralisatie zijn vastgelegd. De voornoemde leden vragen of de regering onderkent dat verticale decentralisatie zich niet tot onderwijsinhoudelijke normen kan uitstrekken, maar alleen tot aangelegenheden van technische aard, die niet de kernaspecten van het onderwijsproces raken, zoals onderwijshuisvesting. Zij vragen voorts waarom het onderwerp onderwijsachterstanden door de regering als een voorbeeld van verticale decentralisatie wordt opgevoerd. Het valt namelijk op dat het kader inzake verticale decentralisatie niet letterlijk en expliciet besproken is, terwijl bij dit onderwerp voor de eerste maal sprake zou zijn van een onderwijsinhoudelijke vorm van verticale decentralisatie. In ieder geval heeft de wetgever wel expliciet opgemerkt dat grondwettelijke vrijheden niet mogen worden beperkt en dat scholen in beroep kunnen gaan2. Bovendien heeft de regering benadrukt dat hier juist geen sprake is van onderwijsinhoudelijke normering door de gemeente, maar enkel van het formuleren van objectieve resultaten3. Op grond van deze gegevens kan het onderwijsachterstandenbeleid dus niet als precedent in de sfeer van een eigenlijke onderwijsinhoudelijke decentralisatie worden aangemerkt. Graag ontvangen zij een nadere onderbouwing.

4. Ontheffing

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de mogelijkheid voor een (gedeeltelijke) ontheffing belangrijk is, aangezien er grote regionale verschillen zijn in het taalgebruik in de provincie. Maatwerk is voor deze leden van groot belang. De voornoemde leden merken op dat in de memorie van toelichting enkel beschreven staat hoe een volledige ontheffing kan worden afgegeven, de leven vragen of er ook een systematiek voor een gedeeltelijke ontheffing komt.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat ook ontheffingen voor de gebieden in Fryslân waar men geen Fries spreekt (maar bijvoorbeeld Stellingwerfs of het Bildts) beter op provinciaal niveau kunnen worden vastgesteld. Daarom kunnen de leden dit wetsvoorstel steunen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de doelstelling van het bevorderen van het gebruik van de Friese taal te rijmen is met de introductie van de gedeeltelijke ontheffing voor gebieden waar minder Fries wordt gesproken. De voornoemde leden vragen of het nu niet juist al praktijk is dat gebieden waar de Friese taal al prominent wordt gebruikt ook prominent aanwezig is in het onderwijs.

5. Consultatie

De leden van de PvdA-fractie vragen of men ook vanuit de scholen voor voortgezet onderwijs en/of de sectie Fries van de Vereniging Leraren Levende Talen op het wetsvoorstel heeft gereageerd en zo ja, wat dan hun reactie was.

6. Advies Onderwijsraad

De leden van de VVD-fractie merken op dat de Onderwijsraad advies geeft als de minister niet voornemens is akkoord te gaan met het voorgenomen besluit van de provincie. De leden vragen wat de status van dit advies zal zijn, of de minister dat naast zich zal neerleggen en of de Kamer ook geïnformeerd wordt over een dergelijk advies.

7. Toezicht en uitvoering

Tenslotte kunnen de leden van de CDA-fractie instemmen met de wijziging van de instemmingsbevoegdheid naar een goedkeuringsbevoegdheid van het rijk op de uitvoering van de kerndoelen Fries. Dit betekent dat als de minister niet instemt met de provinciale kerndoelen Fries, deze niet in werking kunnen treden. De genoemde leden vragen wat het vervolgtraject is indien de kerndoelen niet worden goedgekeurd. Wel vragen deze leden hoe wordt geoordeeld dat er voldoende draagvlak is voor de provinciale kerndoelen.

De voorzitter van de commissie, Wolbert

Adjunct-griffier van de commissie, Arends


X Noot
1

Zie Kamerstuk 31 293, nr. 125

X Noot
2

Kamerstuk 31 989, nr. 3, p. 37

X Noot
3

Handelingen 2009–2010, TK 40–3922