Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201733612 nr. 66

33 612 Structuurvisie Windenergie op land

Nr. 66 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 juni 2017

Hierbij informeer ik uw Kamer, mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu, over de voortgang van de realisatie van de doelstelling uit het Energieakkoord om 6.000 MW aan opgesteld vermogen windenergie op land te realiseren in 2020. Hiertoe bied ik uw Kamer de Monitor Wind op Land 2016 aan (zie bijlage1). De monitor is opgesteld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en geeft inzicht in de stand van zaken nationaal, provinciaal en per project en schetst de verwachtingen voor realisatie van windenergie op land in 2020 op peildatum 31 december 2016. In deze brief geef ik kort de belangrijkste conclusies uit de monitor weer. Daarnaast ga ik in op de voortgang en de mogelijkheden om de realisatie van windvermogen op land te versnellen.

Beeld uit de monitor wind op land 2016

Naarmate de tijd vordert richting 2020, wordt steeds duidelijker of windparken op land tijdig gerealiseerd kunnen worden. Eind 2016 stond in Nederland 3.297 MW aan productief vermogen windenergie op land opgesteld. Dit betekent een toename van 347 MW (+11,8%) ten opzichte van 2015. Het geïnstalleerde vermogen en alle geplande windparken tellen op tot 6.639 MW. Daarmee is de extra geplande projectcapaciteit ten opzichte van de vorige monitor met 351 MW toegenomen tot 639 MW. Dit is bijna 11% meer dan de doelstelling van 6.000 MW. Ruim de helft van deze geplande MW’s komt voor rekening van de grote geplande projecten in Flevoland.

Ten opzichte van de situatie in 2015 is in 2016 een deel van het geplande vermogen in procesfase verder vooruit richting realisatie geschoven. De categorie projecten waarvan het (vrijwel) zeker is dat deze in 2020 zullen zijn gerealiseerd, bedraagt in totaal 4.576 MW. Dit is 76% van de doelstelling. Van nog eens 331 MW (bijna 6% van de doelstelling) is het aannemelijk dat dit productief kan zijn in 2020, maar dit deel van de projecten blijft kwetsbaar voor vertraging door knelpunten en/of de benodigde doorlooptijd van alle procedures. Samen maakt dit 4.907 MW, oftewel 82% van de doelstelling.

Voor de resterende 1.093 MW (18% van de doelstelling) geldt dat tijdige realisatie van alle betrokken partijen nog veel inspanning vergt om knelpunten op te lossen en procedures voorspoedig te laten verlopen. Van deze projecten is het volgens RVO (zeer) onzeker of onduidelijk of ze tijdig operationeel kunnen zijn. Of de resterende opgave tijdig gehaald wordt, hangt in grote mate af van de fase waarin de resterende projectopgave zich bevindt. Hierbij zijn er grote verschillen tussen de provincies. In een aantal provincies bevindt een groot deel van de opgave zich nog in het voortraject, waarmee de kans op tijdige realisatie de nodige versnelling vergt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de provincies Zuid-Holland, Noord-Brabant, Utrecht en Limburg.

In 2016 is de realisatie van windvermogen toegenomen en ook de totale projectcapaciteit is toegenomen. Het windvermogen dat waarschijnlijk in 2020 is gerealiseerd, is gedaald van 5.242 MW in 2015 naar 4.907 MW in 2016. Dit is het totaal van (vrijwel) zeker vermogen en vermogen waarvan het aannemelijk is dat het productief kan zijn in 2020.

Versnelling

Om tot versnelling over te gaan wordt in veel provincies de provinciale of gemeentelijke coördinatieregeling toegepast, waardoor de mogelijkheid bestaat om de procedures voor het bestemmingsplan en de Omgevingsvergunning gelijk op te laten lopen en daarmee de nodige tijdwinst te boeken. Provincies hanteren op basis van ervaring in een aantal gevallen dan ook kortere proceduretijden dan in de monitor is aangehouden. Ook zien de provincies positieve ontwikkelingen na de peildatum 31 december 2016, zoals weergegeven in de Monitor Wind op Land 2016. Zo wijzen zij erop dat er belangrijke stappen gezet zijn in de provincie Groningen bij de projecten Geefsweer (60 MW) en Oosterhorn (54 MW), waardoor realisatie van deze projecten in 2020 mogelijk lijkt. Ook bij het windpark A16 (Noord-Brabant), van minimaal 100 MW, zijn belangrijke stappen gezet waardoor realisatie in 2020 mogelijk is. Betrokken partijen menen dat het doel van 6.000 MW gerealiseerd windvermogen op land in 2020 binnen bereik is.

Het realiseren van wind-op-landprojecten blijkt een complexe opgave die vraagt om gezamenlijke inzet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de aanpak van beperkingen door radar, luchthavens en militaire laagvliegzones, risicozonering bij bedrijventerreinen en het verkrijgen van draagvlak c.q. acceptatie in de omgeving. Dit vergt grote zorgvuldigheid en de nodige investering in gebiedsprocessen. Rijk, provincies en gemeenten hebben afspraken gemaakt hoe hier invulling aan te geven.

Afspraken

De Monitor Wind op Land 2016 is op 16 mei 2017 besproken in een bestuurlijk overleg tussen het Rijk (ministeries van Economische Zaken (EZ) en van Infrastructuur en Milieu (IenM)), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen. Ik constateer dat er commitment bij alle partijen aanwezig is om de doelstelling te halen. De partijen hebben mij aangegeven dat zij de doelstelling voor wind op land in 2020 moeten en kunnen realiseren. Ik constateer ook dat de totale projectencapaciteit inmiddels aanzienlijk hoger is dan 6.000 MW, maar dat het geen eenvoudige opgave is om de doelstelling in 2020 te halen. Ik heb afgesproken dat ik met een aantal provincies nader in gesprek ga om te kijken hoe we realisatie kunnen versnellen en waar ik kan helpen specifieke knelpunten op te lossen.

Zo heb ik recentelijk met de gedeputeerde van Limburg afspraken gemaakt om het knelpunt radar, in relatie tot de realisatie van concrete projecten, samen aan te pakken.

De inspanningen vanuit het kernteam wind op land (dat bestaat uit de ministeries van EZ en van IenM, IPO, VNG, Netbeheer Nederland, NWEA en Stichting Natuur en Milieu namens de bij het Energieakkoord aangesloten natuur- en milieuorganisaties) zijn gericht op de hierboven aangegeven knelpunten. Het kernteam zal haar gezamenlijke inzet nog meer richten op specifieke projecten en zo bijdragen aan een daadwerkelijke versnelling in de realisatie. Zo zal op 21 juni a.s. door RVO een masterclass wind op bedrijventerreinen worden georganiseerd. Het bevoegd gezag wordt hiermee ondersteund in de beoordeling van het veilig plaatsen van een windturbine op een bedrijventerrein.

Eerder heb ik aangekondigd (Monitor 2015, Kamerstuk 33 612, nr. 62) dat ik, waar nodig en gewenst, gemeenten extra zal ondersteunen. Dat doe ik in eerste instantie in een vijf- tot tiental pilots, waarvoor inmiddels projecten zijn aangedragen. Deze projecten zullen voor het einde van dit jaar van start gaan.

Windprojecten zijn bedoeld om invulling te geven aan het afgesproken doel uit het Energieakkoord van 6.000 MW wind op land en nodig voor het behalen van het doel van 14% hernieuwbare energie in 2020. Gezien de doorlooptijd van windprojecten zullen nieuw te starten windinitiatieven niet voor 2020 tot realisatie leiden. Zowel de provincies als de Unie van Waterschappen gaan in overleg over welke andere hernieuwbare energieprojecten zij nog kunnen realiseren, welke bijdragen aan de doelstelling van 14% hernieuwbare energie in 2020. Randvoorwaarde is dat deze projecten nog niet zijn opgenomen in de huidige ramingen van de Nationale Energieverkenning.

Ik vertrouw erop dat de 6.000 MW opgesteld vermogen wind op land in 2020 gerealiseerd kan worden. Hiermee zal het opgestelde windvermogen ook een belangrijke bijdrage leveren aan de hernieuwbare energie doelstelling van 14% in 2020.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl