Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt,
omdat het zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard
bevat (artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State).
Deze voorgestelde wetswijziging hangt samen met het wetsvoorstel tot wijziging van
de Wet op het financieel toezicht, het Burgerlijk Wetboek, de Wet op de economische
delicten en enige fiscale wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2011/61/EU van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders
van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG
en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) Nr. 1060/2009 en (EU) Nr. 1095/2010 (PbEU 2011,
L 174), (Kamerstukken II, 2011/12, 33 235, nr. 2). Dit wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn voor alternatieve beheerders
van beleggingsinstellingen voorziet in een geharmoniseerd kader voor de vergunningverlening
aan en het toezicht op beheerders van beleggingsinstellingen en beoogt de desbetreffende
risico's en de gevolgen ervan voor de beleggers en markten in de Europese Unie op
samenhangende wijze aan te pakken. De uiterste implementatiedatum van deze richtlijn
is 22 juli 2013.
Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is er gesproken over de interpretatie van
artikel 2, derde lid, onderdelen b en e, van de richtlijn, waarbij de vraag rees of
beheerders die beleggingsinstellingen beheren waarvan de rechten van deelneming uitsluitend
kunnen worden verworven door een of meer pensioenfondsen (dus beheerders van beleggingsinstellingen
waarin uitsluitend vermogen van pensioenfondsen wordt beheerd) zijn uitgezonderd onder
de richtlijn. Met de kennis van toen is er een amendement aangenomen om vanuit interpretatie
van de richtlijn genoemde beheerders uit te zonderen (Kamerstukken II, 2012–2013,
33 235, nr. 13).
Deze interpretatie heeft aanleiding gegeven tot nadere gedachtewisseling met de Tweede
en Eerste Kamer waarbij inhoudelijke zorgen zijn geuit wat betreft het uitsluiten
van genoemde beheerders van toezicht onder de richtlijn (Kamerstukken I, 2012–2013,
33 235, nr. D). Onderdeel van dit Kamerstuk is een gezamenlijke brief van toezichthouders DNB en
AFM, waarin deze beargumenteerd aangeven dat het uitzonderen van genoemde beheerders
een onwenselijke ontwikkeling zou zijn. De Europese Commissie heeft daarnaast inmiddels
op werkniveau inhoudelijk uitsluitsel op dit punt gegeven: een beheerder van een beleggingsinstelling
die aan pensioenfondsen aanbiedt, is niet uitgesloten van de richtlijn puur op basis
van het feit dat de deelnemers in deze instelling alleen pensioenfondsen zijn. Implementatie
die afwijkt van de zienswijze van de Europese Commissie kan resulteren in een infractieprocedure,
die uiteindelijk kan leiden tot financiële sancties zoals een boete of een dwangsom.
Dit alles heeft aanleiding gegeven tot een heroverweging met als resultaat deze voorgestelde
wetswijziging om potentiële hiaten in het toezicht op beleggingsinstellingen te ondervangen
en de richtlijn correct te implementeren.
De voorgestelde wetswijziging ziet er op, conform het oorspronkelijke wetsvoorstel,
genoemde beheerders onder toezicht te brengen van de genoemde richtlijn, ter correcte
implementatie van artikel 2, derde lid, onderdeel e, van de richtlijn, mede gelet
artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de richtlijn. Dit gebeurt in artikel I, door
aanpassing van het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn, indien dit wetsvoorstel
tot wet wordt verheven.
Uit prudente overwegingen is er voor gekozen te regelen de wijziging van de Wet financieel
toezicht direct te effectueren (artikel II) indien voornoemd wetsvoorstel ter implementatie
van de richtlijn in werking is getreden op het moment dat deze wet nog niet in werking
is getreden.
Artikel III regelt de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel treedt
een dag na publicatie in het Staatsblad in werking.
In de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot implementatie van de AIFMD
is een berekening van administratieve lasten, nalevingskosten en toezichtkosten als
onderdeel van een bedrijfseffectentoets opgenomen. Deze is publiekelijk geconsulteerd
en ziet op de gehele groep beheerders die indertijd naar verwachting door het wetsvoorstel
onder toezicht kwam te staan, dus ook op PUB’s. De bedrijfseffectentoets van dit voorstel
is dus meegenomen in de toelichting van het oorspronkelijk wetsvoorstel.
De minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem