Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333552 nr. 3

33 552 Slachtofferbeleid

Nr. 3 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 maart 2013

Met deze brief doe ik de toezegging gestand van de minister van Veiligheid en Justitie op 20 december 2012 om uw Kamer te informeren over de wijze waarop in het buitenland regelingen voor het heffen van een verplichte bijdrage aan veroordeelden van strafbare feiten zijn vormgegeven. Het onderstaande overzicht van de ervaringen in een vijftal landen biedt aanknopingspunten voor de vormgeving van een verplichte bijdrage voor veroordeelden in Nederland. Deze aanknopingspunten zullen worden betrokken bij een uitvoeringsanalyse die ik laat uitvoeren. Deze uitvoeringsanalyse moet inzicht geven in de consequenties van de invoering van een verplichte bijdrage voor veroordeelden in Nederland en welke cumulatieve effecten optreden in de samenloop met de in het Regeerakkoord aangekondigde eigenbijdrageregeling voor gedetineerden en het verhaal van de kosten van het strafproces op daders.

Met deze brief doe ik tevens mijn toezegging gestand, gedaan tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Conservatoir beslag op 30 januari jl., om uw Kamer te informeren over een plan van aanpak van het CJIB voor de wijze waarop kan worden omgegaan met daders die wel willen maar niet kunnen betalen.

Achtergrond

Zoals ik heb uiteengezet in het visiedocument «Recht doen aan slachtoffers» dat ik op 22 februari jl. naar uw Kamer heb gezonden1, heeft de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid voor burgers die slachtoffer zijn geworden van een strafbaar feit. De overheid dient recht te doen aan slachtoffers en hen te ondersteunen bij het te boven komen van de gevolgen van het delict. De dader blijft echter primair verantwoordelijk voor het vergoeden van de schade die is veroorzaakt door het delict. De komende periode zal ik dan ook maatregelen nemen om het schadeverhaal op daders te verbeteren.

Een van die maatregelen die ik overweeg te nemen is de invoering van een verplichting voor veroordeelden om financieel bij te dragen aan de zorg voor slachtoffers en nabestaanden. Strafbare feiten hebben kosten tot gevolg die verder strekken dan de directe financiële schade die de slachtoffers hebben geleden. Schadevergoeding alleen is voor veel slachtoffers niet voldoende; slachtoffers dienen ook te worden ondersteund bij het te boven komen van het delict. Momenteel draait de samenleving geheel op voor de kosten van deze slachtofferzorg. Ik vind dit onwenselijk. Daders zijn niet alleen verantwoordelijk voor het vergoeden van de schade die slachtoffers hebben geleden, maar dienen tevens bij te dragen aan de kosten van de zorg voor slachtoffers en nabestaanden.

Bestaande regelingen in het buitenland

Dit is ook al de feitelijke praktijk in een aantal van de landen om ons heen. Een eerste rondgang langs een aantal van deze landen laat zien dat diverse landen al een regeling kennen die daders verplicht een bijdrage te doen aan de slachtofferzorg.

Zo heeft België in 1985 een regeling ingevoerd die veroordeelden voor zwaardere delicten verplicht een financiële bijdrage te doen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen volwassenen en jeugdigen. De verplichting tot betaling van de bijdrage wordt bij iedere veroordeling door een rechter uitgesproken. De rechter heeft geen ruimte om de verplichte bijdrage kwijt te schelden. Momenteel bedraagt de bijdrage 150 euro. De opbrengst gaat naar een fonds (vergelijkbaar met het Nederlandse Schadefonds Geweldsmisdrijven) waaruit slachtoffers en redders een financiële tegemoetkoming kunnen krijgen.

In Zweden worden veroordeelden voor een misdrijf waar een gevangenisstraf op staat verplicht een bijdrage van 500 SEK (ongeveer 60 euro) te betalen. Veroordeelden die onder elektronisch toezicht staan betalen dagelijks een extra bedrag van 50 SEK (ongeveer 6 euro), tot een maximum van 6000 SEK (ongeveer 721 euro). De bijdrage wordt door de rechter bij veroordeling opgelegd. De opbrengst van de verplichte bijdrage wordt gestort in een fonds waarmee diverse slachtofferhulporganisaties, projecten en onderzoeken op het gebied van slachtofferzorg worden gefinancierd. Uit het fonds worden geen betalingen aan individuele slachtoffers gedaan.

Sinds 2007 worden in Engeland en Wales door de rechter opgelegde boetes bij veroordeling verhoogd met een bedrag van 15 pond (ongeveer 17 euro). De regeling is onlangs uitgebreid naar alle veroordeelden voor strafbare feiten, waarbij de hoogte van de bijdrage afhankelijk is van de zwaarte van het delict. Voor jeugdigen gelden lagere tarieven. Indien de veroordeelde onvoldoende middelen heeft om zowel de schadevergoeding aan het slachtoffer als de bijdrage te betalen, kan de rechter het bedrag matigen of kwijtschelden. De opbrengst komt ten goede aan de dienstverlening aan slachtoffers en getuigen.

Noord-Ierland heeft in 2012 een soortgelijke regeling ingevoerd. De bijdrage is momenteel van toepassing op een beperkt aantal straffen, maar wordt in de toekomst mogelijk uitgebreid. De verplichting tot betaling wordt bij veroordeling door de rechter opgelegd. Per straf gelden vaste tarieven, uiteenlopend van 5 pond (ongeveer 5,70 euro) bij lichte overtredingen tot 50 pond (ongeveer 57 euro) bij veroordeling tot een gevangenisstraf van meer dan twee jaar. In uitzonderlijke omstandigheden is de rechter bevoegd het bedrag te matigen. De opbrengst gaat naar een fonds waaruit dienstverlening aan slachtoffers en getuigen wordt gefinancierd. De bijdrage geldt alleen voor volwassenen.

In Canada bestaat zowel op federaal als op provinciaal niveau een regeling voor een verplichte bijdrage. Alle veroordeelden voor een strafbaar feit betalen een bijdrage. In geval van boetes bedraagt de bijdrage een percentage van het boetebedrag; voor andere straffen gelden vaste tarieven. Rechters zijn bevoegd de bijdrage te verhogen, te matigen of kwijt te schelden. De opbrengst van de verplichte bijdrage gaat naar een fonds voor de dienstverlening aan slachtoffers.

Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat diverse keuzes mogelijk zijn ten aanzien van de reikwijdte, de hoogte en de bestemming van de verplichte bijdrage en de discretionaire bevoegdheid van de rechter. Zo is de regeling in een aantal landen beperkt tot zwaardere delicten of straffen, terwijl de bijdrage in andere landen wordt opgelegd ongeacht de zwaarte van het delict. In sommige gevallen worden jeugdigen uitgezonderd van de regeling of worden lagere tarieven gehanteerd, terwijl in andere landen de regeling voor zowel jeugdigen als volwassenen geldt. Verschil bestaat tevens in de hoogte van het bedrag en de wijze waarop deze wordt vastgesteld. Soms geldt een vast tarief, terwijl de hoogte van het bedrag in andere landen afhankelijk is van de zwaarte van het delict of de straf. In alle genoemde landen komt de opbrengst ten goede aan slachtoffers, in de vorm van dienstverlening, financiële ondersteuning of onderzoek. In een aantal landen is de rechter bevoegd de hoogte van de verplichte bijdrage aan te passen of de bijdrage kwijt te schelden; in andere landen bestaat deze ruimte niet.

Een Nederlandse regeling

De genoemde voorbeelden bieden nuttige aanknopingspunten voor nadere invulling van een voorstel voor een verplichte bijdrage en zullen daarom ook worden meegenomen in de uitvoeringsanalyse. De uitvoeringsanalyse van de eigen bijdrage zal inzicht moeten geven in de wijze waarop een verplichte bijdrage kan worden vorm gegeven en welke consequenties die vormgeving heeft in organisatorisch en financieel opzicht. Ook zal rekening worden gehouden met de cumulatieve effecten van diverse andere maatregelen van dit kabinet, die van invloed zijn op de uitwerking van de verplichte bijdrage. Zo is in het Regeerakkoord opgenomen dat ook een eigenbijdrageregeling voor gedetineerden wordt geïntroduceerd. Daarnaast wordt, ook in het kader van het Regeerakkoord, een regeling uitgewerkt om de kosten van het strafproces waar mogelijk te verhalen op daders. Gezien de raakvlakken tussen genoemde maatregelen worden de mogelijkheden en effecten van de maatregelen in samenhang bezien. Ik zal uw Kamer in de zomer van 2013 informeren over de resultaten van de uitvoeringsanalyse.

Plan van aanpak CJIB «niet kunnen wel willen» betalen

Zoals hierboven aangekondigd doe ik met deze brief tevens mijn toezegging gestand aan het lid Kooiman (SP). Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Conservatoir beslag op 30 januari jl. heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over een plan van aanpak van het CJIB voor de wijze waarop kan worden omgegaan met daders die wel willen maar niet kunnen betalen. Het CJIB heeft een theoretisch model ontwikkeld, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen debiteuren die wel of niet willen betalen en wel of niet kunnen betalen. Zo ontstaat een kwadrantenmodel met vier typen debiteuren: debiteuren die wel kunnen en wel willen betalen (kwadrant 1); debiteuren die wel kunnen maar niet willen betalen (kwadrant 2); debiteuren die niet kunnen maar wel willen betalen (kwadrant 3); debiteuren die niet kunnen en niet willen betalen (kwadrant 4). Zowel het nalevings- als het betalingsgedrag worden immers beïnvloed door factoren die samenhangen met het «willen» en «kunnen» van CJIB-debiteuren. Conform dit model kan worden bepaald welke instrumenten worden ingezet om een vordering te incasseren. Daarmee kan de effectiviteit van het innings- en incassoproces van het CJIB worden verbeterd. Daarbij zouden debiteuren die wel willen (maar nu niet kunnen) betalen bijvoorbeeld een betalingsregeling kunnen worden aangeboden, terwijl voor debiteuren die niet willen betalen (maar wel kunnen) instrumenten kunnen worden ingezet die dwingender van aard zijn. Het model zal de komende maanden verder worden uitgewerkt.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Bijlage bij Kamerstuk 33 552, nr. 2.