33 552 Slachtofferbeleid

Nr. 155 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2026

In deze eerste voortgangsbrief informeer ik u over de uitvoering van Meerjarenagenda Slachtofferbeleid 2025–2028: «Meer recht doen»1 (hierna Meerjarenagenda).

Daarnaast zijn er vanuit het coalitieakkoord2 een aantal speerpunten benoemd:

  • – Het verbeteren van het schadeverhaal voor slachtoffers. Voor slachtoffers is het vaak nog te complex om in strafzaken schade te verhalen op daders en er wordt ingezet op een laagdrempelige voorziening naast het strafproces en de behandeling van schade binnen het strafproces te verbeteren.

  • – Inzet op maatregelen om zedenzaken met minderjarige slachtoffers sneller achter gesloten deuren te laten plaatsvinden en hun namen in grote zedenzaken vaker te coderen.

In het vervolg van deze brief ga ik aan de hand van de vijf beleidsdoelen in op de resultaten die het afgelopen jaar zijn geboekt en de inzet die de komende jaren zal worden gepleegd. Voor een compleet overzicht van de activiteiten en de voortgang van de Meerjarenagenda, verwijs ik u naar bijlage I.

1. Slachtofferbewustzijn vergroten

Beleidsdoel: slachtofferrechten- en voorzieningen zijn stevig en niet vrijblijvend verankerd in het handelen van professionals in de strafrechtketen (bejegening en slachtoffergericht werken). Kwaliteit en uniformiteit van dienstverlening aan slachtoffers zijn op orde. Dit beleidsdoel is leidend voor de realisatie van alle andere beleidsdoelen.

Investeren slachtofferbewustzijn Strafrechtketen

Sinds 1 april 2026 is de interactieve e-learning «Recht door de keten» beschikbaar vooronder meer medewerkers van politie, rechtspraak, het openbaar ministerie en DJI. Inmiddels hebben zich al 300 professionals aangemeld. Met de e-learning wordt beoogd de mens achter het dossier te blijven zien en het slachtofferbewustzijn onder professionals over de rechten, belangen en bejegening van slachtoffers te vergroten, zodat slachtofferrechten beter worden uitgevoerd. De e-learning wordt de komende vier jaar aangeboden en bekostigd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Meerjarig onderzoeksprogramma (2024–2029)

Met deze voortgangsbrief stuur ik uw Kamer ook het onderzoeksrapport «De behoeften van slachtoffers van misdrijven – een systematised review (2008–2025) van geuite slachtofferbehoeften» [Bijlage II] dat op 29 juni jl. is gepubliceerd en mijn reactie daarop. Het onderzoek is in opdracht van het WODC uitgevoerd door het Centre of expertise Veiligheid & Veerkracht van de Avans Hogeschool en is het eerste onderzoek van het meerjarig onderzoeksprogramma Slachtofferbeleid 2024–2029. Het hoofddoel van het onderzoek is om systematisch in kaart te brengen op basis van de beschikbare wetenschappelijke literatuur welke behoeften slachtoffers van misdrijven sinds 2008 hebben geuit, en om te bezien in hoeverre deze behoeften worden weerspiegeld in het huidige Nederlandse slachtofferbeleid.

De onderzoekers benoemen zeven centrale categorieën van slachtofferbehoeften: ondersteuning, erkenning, informatie, behoeften ten aanzien van het strafproces in ruime zin, herstel, financiële compensatie, en preventie. Specifiek bij slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven worden daaraan toegevoegd: veiligheid/bescherming en voice, het in eigen woorden delen van het verhaal en daarover zelf regie houden. Een aantal centrale behoeften van slachtoffers – zoals ondersteuning, informatie en schadevergoeding – zijn duidelijk herkenbaar in beleid. Tegelijkertijd constateren de onderzoekers dat het beleid sterk is gericht op het kunnen uitoefenen van slachtofferrechten in het strafproces, terwijl een groot deel van de slachtoffers niet terechtkomt in een strafprocedure. Dit benadrukt het belang van aanvullende en alternatieve routes zoals herstelrecht, disclosure (het voor het eerst delen wat je is overkomen) en andere vormen van betekenisgeving buiten het strafproces. Andere behoeften zijn minder expliciet of slechts gedeeltelijk in beleid verankerd. Dit geldt vooral voor behoeften aan erkenning, emotioneel herstel, maatwerk en aandacht voor veranderende behoeften over de tijd. Verder benoemen de onderzoekers enkele onderwerpen waarover vervolgonderzoek op zijn plaats zou zijn.3 De onderzoekers formuleren een aantal aanbevelingen om het Nederlandse slachtofferbeleid beter te laten aansluiten bij de behoeften van slachtoffers. Dat zijn:

  • 1) Maatwerk en individuele beoordeling te versterken, met ruimte voor specifieke noden zonder te vervallen in rigide doelgroepindelingen.

  • 2) Erkenning, voice en agency explicieter te verankeren in beleid en uitvoering, zowel binnen als buiten het strafproces.

  • 3) Samenhang en toegankelijkheid van ondersteuning te vergroten, bijvoorbeeld door te werken met één aanspreekpunt en betere begeleiding door het hulpverleningslandschap.

  • 4) Aandacht te blijven houden voor nieuwe en onderbelichte fenomenen, zoals online criminaliteit en slachtoffers die buiten het strafrecht vallen.

  • 5) Preventie en maatschappelijke bewustwording structureel te verankeren als onderdeel van slachtofferbeleid, in samenwerking met andere beleidsdomeinen.

Ik ben de onderzoekers erkentelijk voor deze inzichten en aanbevelingen. De eerste vier aanbevelingen passen binnen de inzet in de Meerjarenagenda Slachtofferbeleid 2025–2028. Voor aanbeveling 5 geldt dat ik deze in samenhang met de uitkomsten van de onderzoeken uit het meerjarig onderzoeksprogramma zal bezien en zal afwegen in hoeverre deze kunnen worden betrokken bij de vormgeving van nieuw beleid. Ik informeer u kamer daarover in de voortgangsbrief Slachtofferbeleid.

2. Duidelijke rechtspositie

Beleidsdoel: slachtoffers hebben als procesdeelnemer een duidelijke positie in het recht. Duidelijk ten opzichte van de andere procespartijen en -deelnemers én duidelijk voor het slachtoffer zelf.

In de recente verzamelbrief rechtspositie slachtoffers is de uitvoering van een aantal moties en toezeggingen ter verbetering van de positie van het slachtoffer toegelicht.4 Inmiddels zijn deze verbeteringen in werking getreden of zal dat op korte termijn plaatsvinden. Per 1 juli 2026 hanteert het Openbaar Ministerie (OM), naar aanleiding van de motie Eerdmans, als uitgangspunt dat het slachtoffer desgewenst op het arrondissementsparket inzage kan krijgen in het deel van de deskundigenrapportage waarin de onderzoeksvragen worden beantwoord.5 Het slachtoffer kan op die manier de informatie inzien die inzicht geeft in de invloed van een stoornis op het gedrag van de verdachte, en in het recidiverisico. Daarnaast voert het OM, door aanpassing van de Aanwijzing slachtoffers in het strafproces, uiterlijk in Q4 2026 een aantal concrete verbeteringen voor slachtoffers door bij afdoening van een zaak met een OM-strafbeschikking. In de genoemde Aanwijzing wordt vastgelegd dat als slachtoffers hebben aangegeven van hun spreekrecht gebruik te willen maken, dit als contra-indicatie voor afdoening met een OM-strafbeschikking6 geldt voor alle spreekrechtwaardige feiten. Nu geldt deze contra-indicatie enkel voor ernstig spreekrechtwaardige feiten. Ook worden slachtoffers beter gefaciliteerd om hun schade te verhalen in het kader van de OM-strafbeschikking en komt er een handreiking voor officieren van justitie over de beoordeling van schadevergoedingsverzoeken.7 Per 1 juli verlengt het OM in dat kader ook de termijn voor het terugsturen van het wensenformulier van 14 naar 21 dagen. Ik verwacht dat door deze verbeteringen meer verzoeken kunnen worden toegewezen.

In het verantwoordingsonderzoek 2025 heeft de Algemene Rekenkamer ten aanzien van de naleving van de wettelijke informatieplichten door het OM aan slachtoffers, net als in 2024, een onvolkomenheid geconstateerd. De Algemene Rekenkamer geeft daarbij wel aan dat er het afgelopen jaar vooruitgang is geboekt in het oplossen van de onvolkomenheid. Zo heeft het OM naar aanleiding van het verantwoordingsonderzoek over 2024 een verbeterplan opgesteld en de uitvoering hiervan in gang gezet. Tegelijkertijd concludeert de Algemene Rekenkamer dat het OM nog aan het begin staat van de implementatie van het volledige verbeterplan. De Algemene Rekenkamer geeft het OM in overweging het verbeterplan qua inhoud en planning vollediger te maken. Het College van procureurs-generaal onderschrijft de aanbeveling en zal zo snel mogelijk significante verbeteringen realiseren.

Herziening EU-Richtlijn minimumnormen slachtoffers

In december 2025 is, na een onderhandeling van 2,5 jaar, een politiek akkoord bereikt in de onderhandelingen tussen de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Europese Raad (de lidstaten) over de herziening van de richtlijn slachtofferrechten8. Naar verwachting wordt de herziene richtlijn voor de zomer gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Twintig dagen na publicatie begint de implementatietermijn van twee jaar. De herziening voorziet onder meer in de introductie van een telefonische hulplijn voor slachtoffers via een Europees Uniebreed telefoonnummer 116006, een uitbreiding van de individuele beoordeling en van de bijstand voor slachtoffers in de rechtbank. Samen met de betrokken organisaties wordt de komende tijd gewerkt aan de voorbereiding van de implementatie. Daarnaast heeft in mei 2026 in Den Haag de jaarlijkse bijeenkomst van het European Network for Victims Rights plaatsgevonden, waar kennis, ervaringen en best practices met betrekking tot slachtofferrechten en -beleid alsook de herziening van de EU richtlijn zijn uitgewisseld tussen verschillende Europese lidstaten.

Het nieuwe Wetboek van Strafvordering

Op 24 februari jl. heeft de Eerste Kamer de twee vaststellingswetten van het nieuwe Wetboek van Strafvordering aangenomen (Stb. 2026, nrs. 56 en 57).9 Onderdeel hiervan is onder meer de verankering van het beginsel dat strafvordering plaatsheeft op een wijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer, en de verduidelijking van de regeling en introductie van een rechtsmiddel bij het recht op kennisneming van processtukken. Verdere versterkingen in de positie van het slachtoffer volgen via de tweede aanvullingswet. Dit betreft onder meer versterking van de naleving van slachtofferrechten, waarmee ook uitvoering wordt gegeven aan de moties van de leden Ellian (VVD)10 en Mutluer (GL-PvdA)11, het verstrekken van een kopie van het eindvonnis aan het slachtoffer12, versteviging van de positie van het slachtoffer in de tenuitvoerleggingsfase en een wettelijke verankering van het recht van het slachtoffer om te worden geraadpleegd over zijn beschermingsbehoefte. De formele consultatie van het conceptvoorstel voor de tweede aanvullingswet loopt tot 11 september 2026.

3. Betere bescherming

Beleidsdoel: slachtoffers worden waar nodig beschermd

Informeren en raadplegen van slachtoffers in de fase van tenuitvoerlegging

Per 1 januari jl. worden slachtofferbelangen bij beslissingen over re-integratieverlof tijdens de gevangenisstraf meegewogen op basis van actuele slachtofferinformatie.13, 14. Het CJIB raadpleegt slachtoffers over hun beschermingsbehoefte, bijvoorbeeld een contact- of locatieverbod, en geeft deze informatie door, zodat DJI dit mee kan wegen in de beoordeling van de aanvraag voor re-integratieverlof. Hiermee wordt ingezet op het zoveel als mogelijk voorkomen van een onverwachte confrontatie tussen dader en slachtoffer.

Daarnaast wordt verder gewerkt aan de gefaseerde overdracht van taken van het OM naar het CJIB voor het informeren en raadplegen van slachtoffers in de fase van de tenuitvoerlegging. Op dit moment informeert het CJIB slachtoffers onder meer over de onherroepelijke uitspraak en het verloop van vrijheidsbenemende sancties. Het CJIB is hiermee het centrale aanspreekpunt voor slachtoffers in deze fase. De resterende onderdelen betreffende onder meer het informeren over de schorsing van voorlopige hechtenis, de opgelegde OMSB en de uitkomst van de tbs- en pij- verlengingszitting. In dit traject wordt ook ingezet op de doorontwikkeling van de brieven die het CJIB uitstuurt en van MijnSlachtofferzaak (MSz). Het doel van MSz is dat slachtoffers op ieder moment overzichtelijk via één digitale ingang informatie kunnen vinden over de voortgang van hun zaak. Met de doorontwikkeling wordt beoogd dat MSz een grotere rol gaat spelen in het digitaal informeren van, en het interacteren met, slachtoffers over het strafproces, bijvoorbeeld over hun beschermingsbehoeften.

Zelfstandig gebiedsverbod

Op 12 september 2025 is het initiatiefwetsvoorstel «Wet zelfstandig gebiedsverbod ter bescherming van slachtoffers en nabestaanden» door leden Ellian (VVD) en Eerdmans (JA 21) in consultatie gegeven.15 Een inhoudelijk standpunt van het kabinet over dit initiatiefwetsvoorstel zal, zoals gebruikelijk, worden ingenomen bij de plenaire behandeling daarvan in de Kamer. Mijn ambtsvoorganger heeft eerder toegezegd om de mogelijkheden voor een gebiedsverbod nader te verkennen. Ik zal, mede gegeven het initiatiefwetsvoorstel, nu niet met een eigen voorstel voor verruiming van het gebiedsverbod komen.

Privacybescherming tijdens de zitting

In het coalitieakkoord zijn maatregelen aangekondigd om zedenzaken met minderjarige slachtoffers sneller achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, en hun namen in grote zedenzaken vaker te coderen. Hier speelt een belangenafweging tussen de externe openbaarheid van strafzittingen en de privacy en veiligheid van minderjarige slachtoffers. Het grondwettelijk vastgelegde uitgangspunt is dat de terechtzitting in de openbaarheid plaatsvindt, onder meer om publieke controle mogelijk te maken. De rechter kan hierop een uitzondering maken en een zitting (deels) achter gesloten deuren gelasten, onder meer in het belang van minderjarigen en de privacybescherming van het slachtoffer (art. 269 van het Wetboek van Strafvordering). Er zijn ook andere vormen van bescherming mogelijk, zoals het onvermeld laten van de naam van het slachtoffer tijdens de zitting. Met name bij minderjarige slachtoffers van seksuele misdrijven rijst de vraag of de bescherming in de praktijk voldoende is. Naar aanleiding van de eerdere motie van het lid Krul (CDA)16 is een WODC-onderzoek gestart naar voornoemde belangenafweging. In het onderzoek wordt ook gekeken naar aanknopingspunten om beleid en wetgeving hierover verder te ontwikkelen. De uitkomsten van dit onderzoek worden in het derde kwartaal van 2026 verwacht. In mijn beleidsreactie zal ik toelichten hoe ik uitvoering ga geven aan dit onderdeel van het coalitieakkoord.

Bescherming van de privacy van slachtoffers in films en series

In de motie van het lid Eerdmans (JA21)17 wordt aandacht gevraagd voor de rol van slachtoffers en nabestaanden bij documentaires, series en films over moordzaken. Ter uitvoering van deze motie heb ik het Fonds Slachtofferhulp verzocht om een bewustwordingstraject uit te voeren, in lijn met het eerdere bewustwordingstraject privacy van slachtoffers in de media.

Fonds Slachtofferhulp zal dit traject uit voeren, met als doel:

  • 1) het vergroten van het bewustzijn bij makers van films, documentaires, series en podcasts over de impact van een productie op slachtoffers en nabestaanden;

  • 2) het ontwikkelen van een landelijke richtlijn waarmee slachtoffers en nabestaanden een duidelijke positie krijgen bij de totstandkoming van films, documentaires, series en podcasts;

  • 3) het tijdig informeren van slachtoffers en nabestaanden over een uit te brengen film, serie, documentaire of podcast.

Om dit te bereiken worden onder meer een survey verricht, handreikingen ontwikkeld en trainingen georganiseerd. Dit traject, dat ik financier, loopt tot eind 2028.

4. Evenwichtig schadeverhaal

Beleidsdoel: slachtoffers krijgen hun schade zoveel als mogelijk vergoed en ontvangen vanuit de overheid een financiële tegemoetkoming.

Verbeteringen in resterende onevenwichtigheden compensatiestelsel slachtoffers: Contouren voor een oplossing

In het coalitieakkoord is opgenomen dat het voor slachtoffers vaak te complex is om in strafzaken schade te verhalen op daders, en is aangekondigd dat dit makkelijker zal worden gemaakt. Daarbij wordt gekeken naar normering en standaardbedragen voor schadevergoeding, meer ruimte voor collectieve vorderingen en een aparte, laagdrempelige procedure naast het strafproces.

De afgelopen periode zijn de nodige stappen gezet om het stelsel van compensatie voor slachtoffers te verbeteren en uit te breiden, ook ter uitvoering van het adviesrapport van de Commissie Donner18. Dat neemt niet weg dat er nog een aantal knelpunten en onevenwichtigheden zijn die nog niet voldoende zijn geadresseerd. In de Meerjarenagenda zijn deze uitgebreid uiteengezet, alsmede suggesties voor oplossingsrichtingen geschetst.

In mijn ambtsperiode zet ik mij in voor verbeteringen waardoor meer slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven een financiële tegemoetkoming vanuit de overheid kunnen ontvangen. Tegelijkertijd is het uitgangspunt dat de dader betaalt en is de verantwoordelijkheid vanuit de overheid niet onbegrensd. De verantwoordelijkheid van de overheid is ingegeven door erkenning en solidariteit en houdt in dat de overheid niet de volledige schade van alle slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven vergoedt.

Mijn inzet zal zijn de verdeling van overheidsgelden voor slachtoffers eerlijker (tussen slachtoffers met en zonder stafproces) en evenwichtiger (tussen heel hoge bedragen voor een beperkte groep en relatief beperkte bedragen voor andere slachtoffers) te maken, waardoor uiteindelijk meer slachtoffers een financiële tegemoetkoming van de overheid kunnen ontvangen. Mogelijkheden om dit te realiseren zijn door enerzijds een maximum te stellen aan het bedrag waarvoor de overheid via het strafproces garant staat (via het eerder aangekondigde plafond in de voorschotregeling19), en anderzijds een grotere rol voor het Schadefonds mogelijk te maken voor slachtoffers met ernstig letsel. Dit zou, in combinatie met de eerder genoemde uitbreidingen bij affectieschade en ernstige geweld en zeden delicten (EGZ+) die onder de voorschotregeling komen te vallen, ervoor zorgen dat meer slachtoffers een financiële tegemoetkoming van de overheid zouden ontvangen. Ik voel mij in deze oplossingsrichting gesterkt door wetenschappelijke publicaties die hiervoor pleiten als oplossing voor bestaande willekeur en ongelijke behandeling.20 In het laatste kwartaal van 2026 kom ik met een voorstel hoe ik deze inzet concreet vorm ga geven.

Daarnaast is het van belang het schadeverhaal voor slachtoffers via het strafproces te verbeteren en de grenzen te verduidelijken waarbinnen de strafrechter over de vordering benadeelde partij kan oordelen. Met de voornoemde normering door de Rotterdamse schaal zijn daar eerste stappen in gezet. Aanvullend zijn er mogelijkheden om de procedure verder te normeren. De rechtspraak werkt in dat kader aan een leidraad/procesreglement over de behandeling van de vordering benadeelde partij. In aanvulling daarop bekijk ik of en zo ja, welke verdere wettelijke normering wenselijk is. Hierbij denk ik aan een uiterste termijn voor het indienen van de vordering (eventueel alleen bij meer complexe zaken), ook om een (schriftelijke) uitwisseling van standpunten tussen partijen voorafgaand aan de zitting te faciliteren. Ook het realiseren van waarborgen voor de kwaliteit van de civiele rechtsbijstand aan de verdachte is belangrijk om de procedure te versterken.

Naast bovenstaande inzet ben ik in gesprek met verzekeraars om te bezien in hoeverre zij bij de compensatie van schade van slachtoffers een rol zouden kunnen spelen.21

Uitbreiding affectieschade

Het wetsvoorstel met betrekking tot affectieschade, waarbij broers en zussen ook recht krijgen op affectieschade, is eind 2025 in consultatie gegeven. Het streven is het wetsvoorstel eind 2026 in te dienen bij de Tweede Kamer.

Uitbreiding ongemaximeerde voorschotregeling EGZ-delicten

Het aantal delicten dat onder de ongemaximeerde voorschotregeling valt, wordt, conform eerdere toezegging, uitgebreid met een aantal ernstige geweldsmisdrijven. Deze regeling houdt in dat de Staat (via het CJIB) de volledige opgelegde schadevergoeding aan een slachtoffer uitkeert als de dader deze niet binnen 8 maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis heeft betaald.22 Eind 2025 is de concept-AMvB hiervoor in consultatie gegeven. Het gewijzigde besluit zal naar verwachting in 2027 in werking treden. Mede als gevolg van deze uitbreiding nemen de financiële risico’s van de overheid toe.

Rotterdamse schaal

In het coalitieakkoord is opgenomen dat wordt gekeken naar normering om schadeverhaal in strafzaken eenvoudiger te maken voor slachtoffers. Dit in lijn met het eerdere advies van de Commissie Donner23 en kritiek dat de hoogte van smartengeldbedragen in het strafproces onvoorspelbaar is, in vergelijkbare gevallen uiteenloopt en soms ook verschilt van oordelen van civiele rechters. Hierdoor weten slachtoffers onvoldoende wat zij mogen verwachten. In opdracht van de Raad voor de Rechtspraak en met financiering van JenV heeft de Erasmus Universiteit Rotterdam in dit kader onderzoek gedaan. Dit heeft geresulteerd in «de Rotterdamse schaal» die in september 2025 is gepubliceerd.24 De schaal biedt in één oogopslag een indicatie voor een passend smartengeldbedrag per gevalstype, geïnspireerd door buitenlandse voorbeelden waar een dergelijke systematiek al lange tijd goed werkt. Per 1 januari 2026 hanteert de Rechtspraak de aanbeveling om smartengeld te begroten aan de hand van de Rotterdamse schaal, en heeft zij aanvullend een aantal aanbevelingen geformuleerd voor de toepassing daarvan.25 Hiermee is een belangrijke stap gezet naar meer duidelijkheid, voorspelbaarheid, uniformiteit en inzichtelijker motiveringen bij het vaststellen van smartengeld. Het biedt in het bijzonder ook de strafrechter een praktisch hulpmiddel, en geeft de praktijk en het slachtoffer meer houvast, zo blijkt ook uit de honderden rechterlijke uitspraken waarin de schaal al is toegepast.

Evaluatie Schadefonds Geweldsmisdrijven

In september 2025 is de beleidsreactie op de 5-jaarlijkse wettelijke evaluatie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven (het Schadefonds) naar de Tweede Kamer gestuurd.26 Uit de evaluatie blijkt dat het Schadefonds op doeltreffende wijze invulling heeft gegeven aan haar taak. Wel is het van belang meer aandacht te besteden aan de continuïteit van de bedrijfsvoering en de gezonde financiële situatie van het Schadefonds. Ik deel het belang van een doelmatige organisatie die financieel gezond is. Ik ben daarover in gesprek met het Schadefonds. In dit kader wil ik ook graag de aandacht vestigen op het 50-jarige jubileum van het Schadefonds. De afgelopen 50 jaar heeft het Schadefonds een groot aantal slachtoffers kunnen erkennen en steunen met een financiële tegemoetkoming vanuit de overheid. Ik vind het van belang dat het Schadefonds deze belangrijke erkenning aan slachtoffers kan blijven bieden. In dat kader is het wel van belang te melden dat taakstellingen27 zoals genoemd in het coalitieakkoord het Schadefonds raken en als gevolg daarvan effect kunnen hebben op de kwaliteit van de dienstverlening aan slachtoffers.

5. Goede ondersteuning

Beleidsdoel: Slachtoffers die dat nodig hebben krijgen goede ondersteuning bij het omgaan met van de gevolgen van het strafbare feit

Slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties, specifiek seksueel geweld

De nieuwe werkwijze die door politie, OM, Slachtofferhulp Nederland, Centrum Seksueel Geweld, Veilig Thuis en Perspectief Herstelbemiddeling is ontwikkeld om slachtoffers van seksueel misbruik en geweld beter te ondersteunen, is in de afgelopen periode getest in de regio’s Den Haag en Oost-Brabant. Om te kunnen beoordelen of de werkwijze leidt tot een betere ondersteuning van slachtoffers zijn gelijktijdig een uitvoerbaarheidstoets en een resultaat- en effectmeting uitgevoerd. De resultaten verwacht ik begin derde kwartaal van 2026. Op basis van de resultaten zal een besluit worden genomen over landelijke uitrol, waarover ik uw Kamer na de zomer zal informeren. Tegelijkertijd wordt bezien voor welke andere groepen slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties deze manier van samenwerken kan worden doorgevoerd, te beginnen met slachtoffers van (ex-partner) stalking.

Overige onderwerpen, moties en toezeggingen

Getroffenen schoolgijzeling Bovensmilde

In september 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de uitkomst van het WODC-onderzoek «De stilte achteraf – De langetermijngevolgen van de schoolgijzeling in Bovensmilde (1977)» en de kabinetsreactie daarop.28 Daarna hebben verschillende bijeenkomsten plaatsgevonden met getroffenen, met als doel de inzet toe te lichten en op te halen hoe daarmee zo veel als mogelijk kan worden aangesloten bij de behoeftes die leven binnen de groep getroffenen – en deels ook breder in de lokale gemeenschap. Getroffenen die hulp nodig hebben of vragen hebben, kunnen daarvoor al sinds de start van het onderzoek (zomer 2024) terecht bij het daarvoor ingerichte steunpunt van ARQ Nationaal Psychotraumacentrum. Samen met de gemeente Midden-Drenthe en de GGD Drenthe wordt gekeken op welke plaats en wijze dit duurzaam kan worden geborgd. Verder wordt er periodiek professioneel begeleid lotgenotencontact georganiseerd omdat getroffenen hebben aangegeven daar behoefte aan te hebben. Daarnaast wordt er een handreiking voor (zorg)professionals en getroffenen ontwikkeld. De huidige planning is dat deze in september wordt opgeleverd. Ook kunnen getroffenen zich melden voor het laten optekenen van hun persoonlijke verhaal. Voor wat betreft «herinneren en herdenken» wordt gezamenlijk met getroffenen in ieder geval gekeken naar de realisatie van een nieuw monument, en naar een thema-uitgave van het tijdschrift van de lokale historische vereniging.

Tegemoetkoming voor slachtoffers van incest

Met betrekking tot de motie van het lid Mutluer (GL-PvdA)29 die de regering verzoekt om kinderen geboren uit incest als slachtoffer te erkennen onder de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven, verken ik op dit moment samen met het Schadefonds of en op welke wijze dit mogelijk is. Relevant in dit kader is ook dat de mondelinge behandeling van het hoger beroep30 op 9 juni jl. dat door het Schadefonds tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland is ingesteld heeft plaatsgevonden. De uitspraak van de Raad van State volgt nog. De uitspraak van de RvS zal ik betrekken bij de motie. Ik zal u later dit jaar nader informeren.

Slachtoffers van onveiligheid en dwingende controle in gesloten groeperingen

In de Kamerbrief over onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen31 is uitgebreid ingegaan op de motie van de leden Van Nispen (SP) en Michon-Derkzen (VVD) om te onderzoeken hoe mensen beter beschermd kunnen worden tegen sektes en of, en zo ja hoe, voorkomen kan worden dat kinderen formeel toetreden tot gesloten gemeenschappen.32 Mijn ambtsvoorganger heeft het lid Van Nispen tijdens het commissiedebat Slachtofferbeleid van 2 juli 2025 toegezegd nogmaals te bezien wat er mogelijk is met betrekking tot de motie. Hieronder wordt mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid op het gevraagde ingegaan, waarmee de motie wordt afgedaan.

– Zelfstandig verbod op sektes

Het lid Van Nispen heeft verzocht specifiek te onderzoeken of een zelfstandig verbod op «sektes» mogelijk is.33 Dit is niet gerechtvaardigd zolang een «sekte» binnen de kaders van de wet en de grenzen van de openbare orde blijft. Deze (vaak gesloten) groeperingen zijn immers niet per definitie schadelijk. Daarbij zijn de grondrechten van godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging in de Nederlandse rechtsorde stevig verankerd, zowel in de Grondwet als in internationale verdragsnormen. De overheid dient gezien deze fundamentele vrijheidsrechten terughoudend te zijn bij het interveniëren in processen binnen religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen en in het bijzonder oog te hebben voor de rechten van (religieuze) minderheden. Een algemeen verbod op sektes kan bovendien resulteren in ongeoorloofde discriminatie van religieuze minderheden of afwijkende levensovertuigingen, hetgeen in strijd zou zijn met het fundamentele principe van gelijke behandeling en het pluralistische karakter van de samenleving. Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zaken tegen Bulgarije34 en Rusland35, blijkt ook dat enkel kan worden opgetreden wanneer religieuze groeperingen de grenzen van de wet overschrijden, bijvoorbeeld door zich schuldig te maken aan strafbare feiten zoals dwang, misleiding, lichamelijk geweld of financieel misbruik (en in de toekomst psychisch geweld -zie onder). Naast de strafrechtelijke mogelijkheden36 bestaat er een aanvullend wettelijk instrumentarium om (informele) verenigingen te verbieden en te ontbinden.37, 38 Vanwege de inperking van grondrechten voor de betrokken groepen, dient in het algemeen grote terughoudendheid te worden betracht hierbij.

– Strafbaarstelling psychisch geweld

Op 10 juli 2025 is, samen met de brief over de voortgang van de prioriteiten uit het plan van aanpak «Stop femicide!», een beschrijving van de contouren van het wetsvoorstel dat strekt tot strafbaarstelling van psychisch geweld naar de Tweede Kamer gestuurd.39 Hierin is het voornemen aangekondigd om een zelfstandige strafbaarstelling van dwingende controle te introduceren. Dit wetsvoorstel beperkt zich niet tot dwingende controle in partnerrelaties en kan ook van toepassing zijn op dwingende controle binnen onder meer gesloten groepen. Het wetsvoorstel is op 29 juni 2026 in (internet)consultatie gegeven.

– Bescherming kinderen in gesloten gemeenschappen

Het is niet mogelijk om te voorkomen dat kinderen toetreden tot (gesloten) gemeenschappen, gezien de wettelijke kaders met betrekking tot ouderlijk gezag, het recht op eerbiediging van het gezins- en familieleven, en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.40 De rechten en het welzijn van het kind moeten echter ook in overweging worden genomen.41 Zo is het recht op goed en passend onderwijs een fundamenteel kinderrecht. Voor de bescherming van kinderen in gesloten groeperingen is handhaving van de leerplicht relevant, omdat het risico bestaat dat deze kinderen verder geïsoleerd raken als ze niet naar school gaan. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie informeert de Tweede Kamer voor de zomer over de beleidsopties t.a.v. de vrijstelling vanwege richtingsbezwaren, waarbij het uitgangspunt is dat ieder kind recht heeft op goed onderwijs, o.a. door de inzet van bevoegde leraren en samen met leeftijdsgenoten. Deze brief bevat ook een procesupdate over de brede verkenning van de handhaving van de leerplicht. Hierbij wordt ook het recente arrest van de Hoge Raad over dit onderwerp betrokken.42 Bij vermoedens van onveiligheid en verwaarlozing kunnen burgers en (onderwijs)professionals altijd een melding doen bij Veilig Thuis, het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling.

Concluderend kan worden vastgesteld dat er, naast het bestaande wettelijk instrumentarium, slechts beperkte aanvullende juridische mogelijkheden bestaan om misstanden binnen gesloten groeperingen aan te pakken. Uitzondering daarop vormt de zelfstandige strafbaarstelling van dwingende controle. Daarnaast is het niet mogelijk om te voorkomen dat kinderen toetreden tot gesloten gemeenschappen gezien wettelijke kaders en het feit dat dergelijke groeperingen niet per definitie schadelijk zijn. De handhaving van de leerplicht is wél een specifiek aanknopingspunt voor de bescherming van kinderen.

Tot slot

Met de bovenstaande ontwikkelingen wordt meer recht gedaan aan de positie van slachtoffers van strafbare feiten. Hier ga ik komende periode mee verder. Medio 2027 zal ik u weer informeren over de voortgang.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen


X Noot
1

Kamerstukken II 2024/25, 33 552, nr. 137.

X Noot
2

Coalitieakkoord D66, VVD en CDA, Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland. 30 januari 2026.

X Noot
3

Als «kennislacunes worden door de onderzoekers aangemerkt:

1) Intersectionele analyses van slachtofferbehoeften, waarin persoons- en contextuele kenmerken niet los, maar in samenhang worden onderzocht; 2) Longitudinaal onderzoek naar het verloop van behoeften in de tijd en de invloed van eerste reacties door professionals en de sociale omgeving; 3) Onderbelichte groepen en contexten, waaronder jongeren, mannelijke slachtoffers van seksueel geweld, slachtoffers van psychisch geweld, femicide, institutioneel misbruik en slachtoffers buiten het strafrecht, en 4) Online en hybride slachtofferschap, met aandacht voor technische hulpbehoeften, digitale veiligheid en de overlap tussen online en offline geweld.

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/26, 33 552, nr. 153.

X Noot
5

Kamerstukken II 2024/25, 24 587, nr. 984. De motie Eerdmans verzoekt de regering om de mogelijkheden te bezien om slachtoffers en nabestaanden van zware gewelds- en zedenmisdrijven inzage te geven in de rapportages van het Pieter Baan Centrum.

X Noot
6

Zie de Aanwijzing Slachtoffers in het strafproces (2024A001).

X Noot
7

Kamerstukken II 2025/26, 33 552, nr. 153.

X Noot
8

Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, bescherming en ondersteuning van slachtoffers van strafbare feiten.

X Noot
9

Zie over de voortgang tot begin februari 2026 Kamerstukken II 2025/26, 29 279, nr. 1011 (Elfde voortgangsrapportage van het wetgevingsprogramma nieuw Wetboek van Strafvordering).

X Noot
10

Kamerstukken II 2024/25, 36 327, nr. 65.

X Noot
11

Kamerstukken II 2024/25, 36 327, nr. 70.

X Noot
12

Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de motie van het lid Ellian (VVD). Kamerstukken II 2021/22, 33 552, nr. 97.

X Noot
13

Als de slachtofferinformatie meer dan een jaar oud is, wordt het slachtoffer opnieuw benaderd over diens beschermingsbehoefte.

X Noot
14

Als de slachtofferinformatie meer dan een jaar oud is, wordt het slachtoffer opnieuw benaderd over diens beschermingsbehoefte.

X Noot
16

Kamerstukken II 2024/25, 33 552, nr. 125.

X Noot
17

Kamerstukken II 2024/25, 33 552, nr. 144.

X Noot
18

Commissie Donner, Op verhaal komen.

X Noot
19

Kamerstukken II, 2023–2024, 36 471, nr. 96 en Kamerstukken II 2024–2025, 3352, nr.137.

X Noot
20

Zie onder meer: T. Hartlief, «Doen wat moet in de compensatiemaatschappij», NJB 2025/919; T. Hartlief, Doen wat kan en de Rotterdamse schaal: gaan straffe oplossingen meer brengen dan enkel vooruitgang aan het civielrechtelijke front?, NTBR 2026/6; M.R. Hebly & S.D. Lindenbergh, «Doen wat kan. Elf aanbevelingen voor betere behandeling van schadevergoedingsvorderingen in het strafproces» NJB 2025/862; J.W. Fokkens, Schadevergoeding aan slachtoffers van misdrijven door de Staat. In J. Altena e.a.

(red.), In onderlinge samenhang: Liber Amicorum Tineke Cleiren 2021, p. 205–213.

X Noot
21

Zo biedt ASR onder de aansprakelijkheidsverzekering particulier al standaard dekking voor «Eigen schade door een misdrijf van een ander», met een maximale vergoeding van € 50.000. Hiervoor gelden enkele voorwaarden, waaronder dat de verzekerde recht heeft op een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor de schade of een deel van de schade.

X Noot
22

Kamerstukken II 2024/25, 33 552, nr. 137.

X Noot
23

Kamerstukken II 2022/23, 27 279, nr. 111.

X Noot
25

Zoals ten aanzien van het meewegen van de leeftijd van het slachtoffer en de mate van verwijtbaarheid van de aansprakelijke partij. Zie «Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW. Aanbevelingen hanteren Rotterdamse schaal» geldend vanaf 1 januari 2026, https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/strafrecht/aanbevelingen-rotterdamse-schaal.

X Noot
26

Kamerstukken II, 2025/26, 33 552, nr. 151.

X Noot
27

Een fundamenteel efficiëntere en effectievere overheid, met veel minder (complexe) wet- en regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat.

X Noot
28

Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 VI, nr. 9.

X Noot
29

Kamerstukken II, 2024/25, 33 552, nr. 140.

X Noot
30

Het hoger beroep richt zich op de vraag of de uitspraak van de rechtbank Gelderland dat een persoon die uit een incestrelatie geboren is vanwege dat feit als (direct) slachtoffer moet worden gezien in de zin van de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven wet SGM) een juiste interpretatie is van deze wet.

X Noot
31

Kamerstukken II, 2024/25, 33 552, nr. 138.

X Noot
32

Kamerstukken II, 2024/25, 33 552, nr. 124.

X Noot
33

Commissiedebat Slachtofferbeleid, 2 juli 2025.

X Noot
34

Tonchev en anderen tegen Bulgarije (56862/15, uitspraak 13 december 2022).

X Noot
35

Centre of Societies for Krishna Consciousness in Russia and Frolov tegen Rusland (37477/11, uitspraak 23 november 2021).

X Noot
36

Bijvoorbeeld o.g.v. deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr)

X Noot
37

HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948 (Vereniging Martijn).

X Noot
38

De mogelijkheid om een rechtspersoon te verbieden o.g.v. 2:20 BW is in 2021 verruimd (Stb. 2021, nr. 310).

X Noot
39

Kamerstukken II, 2024/25, 28 345, nr. 285.

X Noot
40

Artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek, artikelen 6 en 10 Grondwet, artikelen 8 en 9 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

X Noot
41

Artikelen 3 en 14 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

X Noot
42

HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:658 (Vrijstelling Leerplichtwet)

Naar boven