Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433542 nr. 13

33 542 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie

Nr. 13 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 april 2014

Op 8 april heeft u, naar aanleiding van het verzoek van het lid van uw Kamer. mevrouw Oosenbrug (Handelingen II 2013/14, nr. 72, Regeling van Werkzaamheden), mij verzocht om een brief over het arrest van het Europese Hof van Justitie van dezelfde datum inzake de richtlijn dataretentie1 in relatie tot het wetsvoorstel ANPR2. Graag voldoe ik hierbij aan uw verzoek, waarbij ik voorts wijs op de toezegging die de staatssecretaris op 7 april jongstleden heeft gedaan de Kamer schriftelijk te informeren over de consequenties van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie over de Nederlandse wetgeving op het gebied van de bewaarplicht van telecommunicatiegegevens.

Thans bericht ik u in het bijzonder over de betekenis die het arrest mogelijkerwijs zou hebben voor het thans bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel ANPR.

Reikwijdte van het arrest van het Europese Hof van Justitie

In reactie op de uitspraak van het Europese Hof van Justitie (het Hof) stel ik voorop dat de uitspraak van het Hof uitsluitend betrekking heeft op de richtlijn dataretentie, en dat de reikwijdte van deze uitspraak in beginsel dus niet verder reikt dan deze richtlijn. In zijn uitspraak heeft het Hof de toetsing aan het Handvest van de grondrechten uitgevoerd. Voor zover aan de uitspraak een verdergaande betekenis of strekking kan worden toegekend, wordt die betekenis of strekking begrensd door de reikwijdte van het recht van de Europese Unie. Het wetsvoorstel ANPR is niet gebaseerd op regelgeving van de Europese Unie, en valt niet binnen de reikwijdte van de richtlijn dataretentie. Het Handvest van de grondrechten en de richtlijn zijn daarop dus niet van toepassing.

Nederland is evenwel gebonden aan het EVRM, hetgeen met zich mee brengt dat de wet- en regelgeving die in Nederland wordt voorgesteld, telkens wordt getoetst aan de eisen die daaraan door het EVRM worden gesteld. De afweging die op basis van die toetsing plaatsvindt is voorbehouden aan de Nederlandse wetgever, waarbij de Nederlandse rechter en in laatste instantie het Europese Hof ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) naar aanleiding van een klacht geroepen kan worden daarover te oordelen.

Betekenis van het arrest voor het wetsvoorstel ANPR

Het zwaartepunt van het arrest van het Hof betreft de toetsing van de inhoud van de richtlijn dataretentie aan twee in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten, te weten het recht op bescherming van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens (artikelen 7 en 8 van het Handvest). Deze rechten bouwen voort op het recht van eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven, dat is vastgelegd in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Bij verschillende gelegenheden ben ik ingegaan op de verhouding tussen het wetsvoorstel ANPR en artikel 8 EVRM. Daarvoor verwijs ik naar de memorie van toelichting (Kamerstuk 33 542, nr. 3, paragraaf 5.4), waarin is ingegaan op de eisen die uit het EVRM voortvloeien en de daarbij noodzakelijke afweging. Daarbij heb ik aangegeven dat en op welke wijze het wetsvoorstel ANPR voldoet aan de vereisten die uit artikel 8 EVRM voortvloeien. Verder wijs ik erop dat er aanzienlijke verschillen zijn tussen de richtlijn dataretentie, die aan het oordeel van het Hof is onderworpen, en het wetsvoorstel ANPR.

  • In de eerste plaats heeft de richtlijn dataretentie betrekking op andere gegevens, te weten telecommunicatiegegevens, waarmee een meer omvattend beeld kan worden verkregen van de gedragingen van burgers. Deze gegevens kunnen, zoals ook het Hof vaststelt, zeer nauwkeurige aanwijzingen verschaffen over het privéleven van degenen wier gegevens worden bewaard, zoals de gewoonten van het dagelijkse leven, de plaatsen van permanent of tijdelijk verblijf, de dagelijkse verplaatsingen of verplaatsingen van andere aard, de uitgeoefende activiteiten, de sociale relaties en de gefrequenteerde sociale milieus. De kentekengegevens geven uitsluitend inzicht in de locatie waar een kenteken van een voertuig op een bepaalde datum en tijdstip door een camera is geregistreerd. Het gaat dus om anderssoortige gegevens. Op basis van de bewaarde kentekengegevens kan weliswaar inzicht worden verkregen in de locatie van een voertuig op bepaalde data of tijdstippen, maar wordt geen inzicht verkregen in de identiteit van de bestuurder en in betrekkingen tussen personen. Hier komt bij dat de kentekengegevens in de openbare ruimte worden verzameld.

  • Van essentieel belang is voorts dat de in het wetsvoorstel ANPR voorgestelde bewaartermijn van vier weken voor kentekengegevens aanzienlijk korter dan de in de richtlijn dataretentie opgenomen bewaartermijn van ten hoogste twee jaar voor de telecommunicatie gegevens. Met die korte termijn in het wetvoorstel ANPR wordt aangesloten bij de bewaartermijn voor camerabeelden die met gemeentelijke toezichtscamera’s worden verzameld en bewaard ten behoeve van de handhaving van de openbare orde, op grond van artikel 151c, zevende lid, van de Gemeentewet. Ook deze beelden mogen worden bewaard, ongeacht of daartoe op het moment van het verwerven van de beelden aanleiding bestaat.

  • Tenslotte geldt voor de toegang tot de bewaarde gegevens dat het wetsvoorstel ANPR een strikte regeling bevat. Deze toegang is voorbehouden aan een Nederlandse opsporingsambtenaar die daartoe door mij is geautoriseerd, en is uitsluitend mogelijk ingeval van verdenking van een ernstig misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is of de aanhouding van een voortvluchtige persoon.

Conclusie

Gelet op het voorgaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof vooraleerst in het perspectief geplaatst moet worden van het specifieke onderwerp waar deze uitspraak betrekking op heeft, te weten de richtlijn dataretentie, en het juridische kader waarbinnen deze uitspraak dient te worden bezien. Dit betreft het recht van de Europese Unie. Vanwege het feit dat het Handvest voor de grondrechten is afgeleid van het EVRM, kan het oordeel van het Hof wel enige oriëntatie bieden op de interpretatie van het EVRM. Voor wat betreft de toetsing van de richtlijn aan de bepalingen van het Handvest die voort bouwen op artikel 8 van het EVRM, wijs ik erop dat in het wetvoorstel ANPR heldere en strikte waarborgen zijn omschreven, en dat de richtlijn dataretentie inhoudelijk op die essentiële punten verschilt van het wetsvoorstel ANPR. Naar mijn stellige overtuiging blijft het wetsvoorstel dan ook ruimschoots binnen de grenzen van artikel 8 van het EVRM.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben ingelicht.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbare beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG.

X Noot
2

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie (Kamerstuk 33 542, nr. 2).