Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333529 nr. 17

33 529 Gaswinning Groningen-veld

Nr. 17 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 15 februari 2013

Binnen de vaste commissie voor Economische Zaken hebben enkele fracties de behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen over de brieven van de minister van Economische Zaken over de gaswinning uit het Groningen-veld. De volledige agenda is opgenomen aan het eind van het verslag.

De op 12 februari 2013 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de minister bij brief van 14 februari 2013 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Hamer

Adjunct-griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Van de Wiel

Inhoudsopgave

 
     

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

     
 

Vragen van de leden van de VVD-fractie

2

 

Vragen van de leden van de CDA-fractie

2

 

Vragen van de leden van de D66-fractie

3

 

Vragen van de leden van de GroenLinks-fractie

4

 

Vragen van de leden van de SGP-fractie

5

     

II

Antwoord / Reactie van de minister

6

III

Volledige agenda

11

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de «Nieuwe inzichten met betrekking tot de effecten van gaswinning uit het Groningen-veld en de relatie met aardbevingen in de provincie Groningen» en de «Toezending stukken naar aanleiding van gedane toezeggingen in Algemeen Overleg gaswinning Groningen». Deze leden vragen de minister graag nogmaals snelheid te maken met de onderzoeken. Die onderzoeken zijn nodig om te weten wat goede oplossingen zijn. Pas daarna kunnen er verstandige beslissingen worden genomen. In het kader van de gewenste snelheid vragen de leden van de VVD-fractie of de minister een overzicht kan geven wanneer hij denkt dat de verschillende onderzoeken zijn afgerond? Waar zou wat betreft de minister eventueel tijdwinst te behalen zijn?

Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie danken de minister voor de toezending van het overzicht van de onderzoeken naar aanleiding van de toezeggingen gedaan tijdens het Algemeen Overleg gaswinning op 7 februari 2013. De leden van de CDA-fractie hebben niettemin nog een aantal aanvullende vragen. Bovendien constateren deze leden dat er enkele vragen zijn die bij het genoemde Algemeen Overleg niet meer zijn behandeld. Het gaat om de volgende vragen:

  • Hoe gaat de minister vanaf heden de informatievoorziening coördineren naar de betrokken burgemeesters/gemeenteraden en in het verlengde daarvan de inwoners en bedrijven in Groningen? In hoeverre zou de werkwijze van Schiphol hier kunnen worden toegepast?

  • In het Algemeen Overleg van 7 februari jl. heeft de minister aangegeven met alle onderzoeken in één keer naar buiten te komen namelijk zo rond 1 december. Kan de minister bevestigen dat hij heeft toegezegd dat de Quick scan al in het eerste kwartaal uitgevoerd zal gaan worden. Kan de minister bevestigen dat hij dan ook in het eerste kwartaal met de resultaten van het onderzoek naar de Kamer komt?

  • Kan de minister toezeggen dat hij zodra een of meerdere van de onderzoeken gereed zijn met deze resultaten naar de Kamer komt voor de datum van 1 december? Zo nee, waarom niet?

  • Tijdens het Algemeen Overleg van 7 februari jl. heeft de minister een toezegging gedaan om een onderzoek uit te zullen voeren naar de economische en imagoschade voor het gebied in relatie tot de waardedaling van de huizen en bedrijven in het gebied. Dit zien de leden van de CDA-fractie onvoldoende terug in onderzoek nummer 10. Ook missen deze leden de toezegging voor het uitzoeken van scenario’s voor bijvoorbeeld het opkopen van huizen en het terug huren daarvan door inwoners. Kan de minister bevestigen dat deze belangrijke zaken alsnog zullen worden betrokken bij het onder punt 10 genoemde onderzoek?

  • In hoeverre heeft de minister contact gehad met onze Duitse buren over de bevingen in Groningen en in hoeverre is hij voornemens hierover in contact te treden met de aangrenzende deelstaat Emsland en de betreffende Kreisen? Wat zijn de bevindingen van de minister in dit verband?

  • In hoeverre heeft de forse stijging van het aantal aardschokken/bevingen van 39 in 2010 naar 78 in 2011 nog geleid tot extra onderzoek? Zo nee waarom niet (zie voor de stijging tabel op pagina 2 van de brief)?

  • De Nederlandse Aardolie Maatschappij BV (NAM) heeft toegezegd dat preventief zwakke constructies zullen worden geïnventariseerd. In hoeverre is de minister voornemens in de tussentijd de Kamer te betrekken bij de uitwerking of vaststelling van de criteria hiertoe (zie punt 4 van de brief)?

  • Kan de minister van de afhandelingscapaciteit bevestigen dat hij zorg zal dragen voor een goede en snelle schadeafhandeling? Wat is de redelijke termijnen waarbinnen de schademeldingen zullen worden afgehandeld?

  • Zijn er effecten te verwachten voor de Waddenzee en zo ja welke?

Vragen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid enkele vragen te stellen naar aanleiding van de brief verstuurd na het algemeen overleg gaswinning Groningen-veld.

Het aantal aardbevingen rond het Groningen-gasveld

Kan de minister bij de tabel (1) per jaar vanaf 1990 de bijbehorende gaswinning uit het Groningen veld vermelden?

Overzicht tijdslijn onderzoeken naar bevingen

Kan de minister aangeven wanneer hij voor het eerst geïnformeerd is over de (voorlopige) bevindingen van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)?

De uit te voeren onderzoeken

  • Kan de minister per (totaal 11) onderzoek aangeven wanneer deze op zijn vroegst kan worden afgerond, en waarom?

  • Is het mogelijk om de onderzoeken (7, 8 en 9) naar de mogelijkheden voor kwaliteitsconversie en de gevolgen voor de voorzieningszekerheid; de effecten op de inkomsten van de Staat en het in kaart brengen leveringsverplichtingen Groningengas voor december op te leveren en de Kamer daarover te informeren?

  • Hoe wordt in de voorbereiding van de begroting 2014 rekening gehouden met de voorgenomen besluitvorming in december voor wat betreft aannames met betrekking tot de gaswinning?

  • Zou een tegenvaller op de gasbaten dit jaar leiden tot de noodzaak om extra te bezuinigen? Zo ja, met hoeveel? Hangt dat af van hoe de Europese Commissie dit opvat?

  • Wordt er ook onderzoek gedaan naar de gevolgen van de gaswinning en van eventuele andere winningstechnieken voor de natuur?

  • Wordt er ook onderzoek gedaan naar de gevolgen andere winningsactiviteiten in noord Nederland, bijvoorbeeld de winning vanuit andere gasvelden dan het Groningen-veld, in of onder het Waddengebied of de zoutwinning?

Nadere informatie ten aanzien van preventief versterken constructies

  • Op welke manier zal de NAM bijdragen aan eventueel noodzakelijke preventieve reparaties of versterkingen? Worden deze in principe volledig vergoed, zoals bij schade als gevolg van aardbevingen het geval is? Of is er sprake van een afweging waarbij de NAM bepaalt wat wel of niet noodzakelijk is?

  • Op welke termijn worden de burgers «beter geïnformeerd, zodat ze beter zijn voorbereid in geval zich een aardbeving voordoet»? Werkt de minister deze aanpak uit in overleg met de Veiligheidsregio? Zijn de burgers tot nog toe onvoldoende geïnformeerd?

Vragen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks fractie leggen de onderstaande vragen aan de minister voor.

  • Hoe vaak legt de minister adviezen van het SodM naast zich neer?

  • Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) stelde al in 2006 dat aardbevingen frequenter en zwaarder kunnen worden bij snellere winning. Het SodM waarschuwde de NAM al in 2009. Waarom is de Kamer niet eerder over dit verhoogde risico geïnformeerd?

  • Waarom heeft de minister naar aanleiding van de eerdere waarschuwingen niet de benodigde onderzoeken gedaan? Waarom is hier nu nog zoveel tijd voor nodig?

  • Hoe verhoudt het beleid van de minister zich tot artikel 21 van de Grondwet, waarin gesteld wordt dat de «zorg van de overheid [...] gericht [is] op de bewoonbaarheid van het land»?

  • Is de minister bereid om het voorzorgsprincipe te hanteren en dus niet te wachten met het nemen van maatregelen tot het onomstotelijk bewijs van schadelijke effecten is aangetoond?

  • Heeft de minister een visie hoe het resterende aardgas het beste kan worden gebruikt in de overgang naar 100% schone energie in 2050?

  • Hoe past het huidige winningsplan daarin?

  • Van de 75 miljard m3 werd in 2011 slechts 10 miljard m3 gebruikt door de Nederlandse huishoudens en maar 40 m3 binnen Nederland. 30 miljard m3 werd op de spotmarket aangeboden. Hoe is dit nu? Kan uit deze gegevens geconcludeerd worden dat met het terugbrengen van de snelheid van gaswinning geen contractuele verplichtingen worden geschaad? Zo nee, waarom niet?

  • Kan de minister bevestigen dat de regering veronderstelt, zoals de leden van de GroenLinks-fractie lezen in de Miljoenennota, dat de waarde van aardgas in de toekomst zal stijgen?

  • Welke maatregelen neemt de minister naar aanleiding van de onvrede over de schadeafhandeling door de NAM?

  • Is de minister bereid om te onderzoeken of een onafhankelijke instantie de schade kan afhandelen?

  • Veronderstelt de minister dat de NAM de expertise in huis heeft om de waardedaling van huizen in kaart te brengen?

  • Is de minister bereid om de Ombudsman een bemiddelende rol te geven in conflicten over de schadeafhandeling?

  • Hoe schat de minister de gevolgen van de toegenomen frequentie van aardbevingen en de hogere kans op zware aardbevingen op de werkgelegenheid in de getroffen regio? Wil de minister hier onderzoek naar doen en gevolgen op de werkgelegenheid betrekken bij zijn beleid?

  • Kan de minister een inschatting maken van de invloed van de toegenomen frequentie van aardbevingen en de hogere kans op zware aardbevingen op de bevolkingsontwikkeling in de regio? Wil de minister hier onderzoek naar doen en gevolgen op de bevolkingsontwikkeling betrekken bij zijn beleid?

  • Heeft de NAM zich in de opvatting van de minister gehouden aan artikel 33 van de Mijnbouwwet, waarin onder meer wordt gesteld dat zij alle maatregelen neemt die redelijkerwijs die gevergd kunnen worden om schade door bodembeweging te voorkomen?

  • In de brief van de NAM aan Economische Zaken / SodM over de actualisatie van het winningsplan Groningen van 25 januari jl. wordt gewag gemaakt van het wegens technische problemen vervangen van bestaande injectieput BRW-4 door een nieuw te boren put BRW-5 (vanaf locatie Borgsweer). Op NLOG.nl staat een put BRW-04 te boek als een producerende olieput. Is BRW-04 dezelfde put als BRW-4, en gaat het dan om een injectie- of een olieproductie-put, en om welke technische problemen gaat het?

  • In oktober 2001 heeft de NAM een «diepe verkenningsboring» uitgevoerd die dieper is gegaan dan de normale diepte waarop gas uit het Groningen-veld gewonnen wordt. Hebben er meer van dit soort boringen plaatsgevonden, heeft deze boring (of andere dergelijke extreem diepe boringen) invloed gehad op de seismische activiteit, en kan de minister een overzicht geven van andere technieken en activiteiten die sinds ruwweg het jaar 2000 zijn aangewend in het Groningen-veld en die invloed zouden kunnen hebben op seismische activiteit, dan wel toezeggen dat dit wordt meegenomen in de onderzoeken?

  • Kan de minister het actuele winningsplan voor het Groningen-veld en het advies van de Technische Commissie Bodembeweging hierop openbaar maken?

Vragen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat indien op zeer korte termijn overgaan wordt tot het verlagen van de gasproductie het risico op (zwaardere) aardbevingen zelfs groter zou kunnen zijn. Zij hebben begrepen dat drukverschillen rond breuken een bepalende factor zijn bij het ontstaan van bevingen, maar dat hierover nog weinig bekend is. Deze gegevens zouden echter nodig zijn om, indien tot productievermindering besloten wordt, te bepalen bij welke boorputten de gasproductie op een verantwoorde wijze verlaagd kan worden. Klopt deze analyse? Is de veronderstelling juist dat productieverlaging op korte termijn wel eens negatief uit zou kunnen pakken?

De leden van de SGP-fractie waarderen de brede en zorgvuldige aanpak van het noodzakelijke vervolgonderzoek. Zij willen het grote belang hiervan onderstrepen, zeker gelet op het «ongewone» aantal bevingen van de afgelopen dagen. Zij hebben nog enkele vragen.

In de eerste plaats betekent het gegeven dat nog veel onbekend is over de wijze waarop de bodem reageert op gaswinning dat ook in de onderzoeksfase verschillende aannames gedaan zullen moeten worden. Is de minister bereid ervoor te zorgen dat hierbij, indien van toepassing, uitgegaan zal worden van het «worst-case» scenario?

In de tweede plaats vragen de leden van de SGP-fractie in hoeverre het seismisch meetnetwerk van het KNMI betrokken kan worden bij het vervolgonderzoek naar onder meer het (nieuwe) maximum van de sterkte van bevingen voor het Groningen-veld. Kan uitbreiding van het seismisch meetnetwerk van KNMI een bijdrage leveren aan het verkrijgen van noodzakelijke aanvullende gegevens? Is het kabinet, indien nodig, bereid hier geld voor uit te trekken?

In de derde plaats vragen deze leden waarom de experts van zowel KNMI als TNO niet actief betrokken worden bij het vervolgonderzoek inzake de (nieuwe) maximumsterkte van bevingen en alternatieve winningstechnieken. Deze leden benadrukken hierbij het belang van dit vervolgonderzoek.

In de vierde plaats vragen de leden van de SGP-fractie of de minister voor elk onderzoek een indicatie kan geven van de tijd die voor het betreffende onderzoek, ook bij versterkte inzet, minimaal nodig is.

In de vijfde plaats leggen de leden van de SGP-fractie de vinger bij het vervolgonderzoek naar een betere verankering van de onafhankelijkheid van schadebepaling en afhandeling. Wil de minister hierbij ook kijken hoe gezorgd kan worden voor een ruimhartigere vergoeding van geconstateerde schade, in zowel lopende als toekomstige zaken? Is het de inzet van de minister om het genoemde onderzoek snel af te ronden, zodat de systematiek van schadebepaling en -afhandeling op korte termijn verbeterd en verruimd kan worden?

II Antwoord / Reactie van de minister

Vragen CDA

Vraag:

In hoeverre heeft de minister contact gehad met onze Duitse buren over de bevingen in Groningen en in hoeverre is hij voornemens hierover in contact te treden met de aangrenzende deelstaat Emsland en de betreffende Kreisen? Wat zijn de bevindingen van de minister in dit verband?

Antwoord:

Indien bodembewegingen (daling en bevingen), die gevolg zijn van gaswinning, nadelige effecten veroorzaken in buurlanden, wordt hierover altijd overleg met hen gevoerd. In het verleden is dit ook gebeurd o.a. naar aanleiding van de bevingen rond Roswinkel. Als dus uit de onderzoeken blijkt dat door sterkere bevingen nadelige effecten te verwachten zijn op Duits grondgebied, zal hierover overleg plaatsvinden met Duitsland.

Vraag:

In hoeverre heeft de forse stijging van het aantal aardschokken/bevingen van 39 in 2010 naar 78 in 2011 nog geleid tot extra onderzoek? Zo nee waarom niet (zie voor de stijging tabel op pagina 2 van de brief)?

Antwoord:

De toename van het aantal aardbevingen in die jaren was een eerste opmaat voor nader onderzoek naar de aardbevingen rond het Groningen-gasveld. Het besluit van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) in 2009 was een verkennend onderzoek uit te voeren naar de opbouw van de diepe ondergrond ter plaatse. Dit onderzoek was gericht op beter inzicht in het aantal aardbevingen; er waren destijds geen indicaties dat de maximale sterkte groter zou kunnen zijn dan 3,9 op de schaal van Richter.

Zoals in mijn brief van 11 februari 2013 is aangegeven, heeft SodM in 2009 met de NAM over nader onderzoek gesproken. De NAM was op dat moment bezig met het bouwen van een nieuwe reservoirmodel voor het Groningen-gasveld. Het bouwen van dit soort modellen voor zo'n groot gasveld vergt veel tijd. In het eerste kwartaal van 2012 was het model gereed voor het uitvoeren van rekenwerk om het gedrag van het Groningen-gasveld beter te begrijpen.

Vraag:

Zijn er effecten te verwachten voor de Waddenzee en zo ja welke?

Antwoord:

Nee, er worden vooralsnog geen effecten op de Waddenzee verwacht. Wel zullen de Waddendijken in de Quick Scan (onderzoek 2 in mijn brief d.d. 11 februari 2013 (2013Z02720) meegenomen worden.

Vragen D66

Vraag:

Het aantal aardbevingen rond het Groningen-gasveld

Kan de minister bij de tabel (1) per jaar vanaf 1990 de bijbehorende gaswinning uit het Groningen veld vermelden?

Antwoord:

Onderstaande tabel bevat de jaarlijkse productie uit het Groningen-veld vanaf 1990 (mrd m3 in Groningen equivalenten, afgerond in hele getallen)

jaar

Omvang productie

1990

29

1991

38

1992

41

1993

43

1994

34

1995

34

1996

42

1997

35

1998

31

1999

24

2000

21

2001

24

2002

27

2003

28

2004

33

2005

34

2006

33

2007

29

2008

41

2009

38

2010

51

2011

47

2012

48

Vraag:

Kan de minister aangeven wanneer hij voor het eerst geïnformeerd is over de (voorlopige) bevindingen van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)?

Antwoord:

Als aangegeven in mijn brief d.d. 11 februari 2013 (2013Z02720) ben ik op 2 november jl. geïnformeerd over de eerste bevindingen van SodM.

Vraag:

Wordt er ook onderzoek gedaan naar de gevolgen van de gaswinning en van eventuele andere winningstechnieken voor de natuur?

Antwoord:

In alle vergunningprocedures met betrekking tot mijnbouw worden mogelijke effecten van mijnbouwactiviteiten op de natuur meegenomen. Als er mogelijke effecten op de natuur verwacht worden, moet dat onderzocht worden (o.a. door een Milieueffectrapportage of Passende Beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet).

Vraag:

Wordt er ook onderzoek gedaan naar de gevolgen andere winningsactiviteiten in noord Nederland, bijvoorbeeld de winning vanuit andere gasvelden dan het Groningen-veld, in of onder het Waddengebied of de zoutwinning?

Antwoord:

Een vast element in elk winningsplan is het in kaart brengen van de te verwachten bodemdaling mede in samenhang (cumulatief) met alle andere bodemdaling door gas en/of zoutwinning. De totale (cumulatieve) bodemdaling is de basis voor de beoordeling van het winningsplan.

Vragen GroenLinks

Vraag:

Hoe vaak legt de minister adviezen van het SodM naast zich neer?

Antwoord:

Zoals ook al aangegeven tijdens het Algemeen Overleg van 7 februari jl. heb ik het advies van SodM niet naast me neergelegd, maar is het advies van SodM juist voor mij de aanleiding geweest om direct actie te ondernemen. Ik heb er bij de NAM op aangedrongen om zo snel mogelijk preventieve maatregelen met betrekking tot schadebeperking aan gebouwen in gang te zetten en heb ik in overleg met SodM en de NAM ook alle onderzoeken gestart die nodig zijn om een afgewogen besluit te kunnen nemen.

Vraag:

Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) stelde al in 2006 dat aardbevingen frequenter en zwaarder kunnen worden bij snellere winning. Het SodM waarschuwde de NAM al in 2009. Waarom is de Kamer niet eerder over dit verhoogde risico geïnformeerd?

Antwoord:

Vanaf de eerste aardbevingen in Groningen zijn er naar verhouding veel aardbevingen bij Loppersum geweest. SodM heeft uit deze concentratie van aardbevingen de conclusie getrokken dat er ter plekke in de ondergrond iets bijzonders aan de hand moet zijn. Naar aanleiding hiervan heeft TNO onderzoek gedaan in opdracht van SodM. Hiervan is verslag gedaan in het jaarverslag 2010, dat aan de Tweede Kamer is gezonden (TK 2011–2012, 33 000 XIII, nr.4).

Vraag:

Waarom heeft de minister naar aanleiding van de eerdere waarschuwingen niet de benodigde onderzoeken gedaan? Waarom is hier nu nog zoveel tijd voor nodig?

Antwoord:

Zoals in de brief van 11 februari 2013 is aangegeven, heeft SodM in 2009 met de NAM over nader onderzoek gesproken. De NAM was op dat moment bezig met het bouwen van een nieuw reservoirmodel voor het Groningen-gasveld. Het bouwen van dit soort modellen voor zo'n groot gasveld vergt veel tijd. In het eerste kwartaal van 2012 was het model gereed voor het uitvoeren van rekenwerk om het gedrag van het Groningen-gasveld beter te begrijpen.

Vraag:

Kan de minister bevestigen dat de regering veronderstelt, zoals de leden van de GroenLinks-fractie lezen in de Miljoenennota, dat de waarde van aardgas in de toekomst zal stijgen?

Antwoord:

In de Miljoenennota 2013 is onderstaande aardgasbatenraming opgenomen. Het olieprijsscenario en het dollarkoersscenario zijn opgesteld door het Centraal Plan Bureau. Dit scenario laat een stijgende olieprijs zien. Echter, voor de gasprijs wordt de olieprijs steeds minder relevant. De gasprijs komt grotendeels op gashandelsplaatsen tot stand, zoals het TTF, en die prijs is onafhankelijk van de olieprijs. In de tabel zijn opgenomen de futures-prijzen van de gasbeurs APX Endex. Het productievolume daalt in de loop van de jaren waarop de raming betrekking heeft. Overigens viel de productie in 2012 uiteindelijk lager uit.

Tabel 1. Aardgasbatenraming opgenomen in de Miljoenennota 2013, d.d. september 2012.
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

USDollar/Euro

1,27

1,25

1,32

1,32

1,32

1,32

olie $/vat

104,3

95,1

122,3

124,7

127,2

129,8

Beursprijs TTF-gas (ct./m3)

24

26

26

25

25

25

             

productie mrd. m3

77

72

68

65

61

57

             

Niet-belastingontvangsten

12,70

11,75

11,80

11,95

11,50

11,05

Vennootschapsbelasting

1,80

1,70

1,65

1,50

1,40

1,30

Totaal trans

14,50

13,45

13,45

13,45

12,90

12,35

             

Niet-belastingontvangsten

11,95

12,00

11,75

11,85

11,65

11,15

Vennootschapsbelasting

1,70

1,80

1,65

1,50

1,40

1,30

Totaal kas

13,65

13,80

13,40

13,35

13,05

12,45

Vraag:

Heeft de NAM zich in de opvatting van de minister gehouden aan artikel 33 van de Mijnbouwwet, waarin onder meer wordt gesteld dat zij alle maatregelen neemt die redelijkerwijs die gevergd kunnen worden om schade door bodembeweging te voorkomen?

Antwoord:

Ja, maar gezien de nieuwe inzichten, waarover SodM mij heeft geadviseerd, zal het winningsplan herzien moeten worden. Daarom heb ik de NAM gevraagd om op basis van alle onderzoeken op 1 december 2013 een nieuw winningsplan in te dienen.

Vraag:

In de brief van de NAM aan Economische Zaken / SodM over de actualisatie van het winningsplan Groningen van 25 januari jl. wordt gewag gemaakt van het wegens technische problemen vervangen van bestaande injectieput BRW-4 door een nieuw te boren put BRW-5 (vanaf locatie Borgsweer). Op NLOG.nl staat een put BRW-04 te boek als een producerende olieput. Is BRW-04 dezelfde put als BRW-4, en gaat het dan om een injectie- of een olieproductie-put, en om welke technische problemen gaat het?

Antwoord:

Er is in Borgsweer geen olieproductieput. Er zijn hier twee waterinjectieputten, te weten BRW-2 en BRW-4. Het water dat geïnjecteerd wordt bevat zuurstof en kan daardoor het staal van de putten aantasten. Bij BRW-4 ia geconstateerd dat dit staal vervangen zou moeten worden. Om deze reden wordt de put vervangen door een nieuwe put BRW-5 met meer duurzame materialen.

Vraag:

In oktober 2001 heeft de NAM een «diepe verkenningsboring» uitgevoerd die dieper is gegaan dan de normale diepte waarop gas uit het Groningen-veld gewonnen wordt. Hebben er meer van dit soort boringen plaatsgevonden, heeft deze boring (of andere dergelijke extreem diepe boringen) invloed gehad op de seismische activiteit, en kan de minister een overzicht geven van andere technieken en activiteiten die sinds ruwweg het jaar 2000 zijn aangewend in het Groningen-veld en die invloed zouden kunnen hebben op seismische activiteit, dan wel toezeggen dat dit wordt meegenomen in de onderzoeken?

Antwoord:

Deze put is geboord om te verkennen of er meer gas op grote diepte onder het Groningen-gasveld aanwezig is. Deze put heeft geen gas geproduceerd en heeft dus geen relatie met aardbevingen. In het Groningen-gasveld wordt sinds het begin met een «depletion drive» techniek geproduceerd. Onderzocht zal worden of er andere winningstechnieken zijn die het aantal en de sterkte van de beving kunnen verminderen.

Vraag:

Kan de minister het actuele winningsplan voor het Groningen-veld en het advies van de Technische Commissie Bodembeweging hierop openbaar maken?

Antwoord:

Alle winningsplannen zijn openbaar en zijn te vinden op de www.nlog.nl. In principe heb ik geen bezwaar de onderliggende adviezen van SodM en Tcbb openbaar te maken. Dit moet nog wel juridisch getoetst worden. Ik zal, indien mogelijk, deze adviezen dan ook op de genoemde website laten zetten.

Vragen SGP

Vraag:

De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat indien op zeer korte termijn overgaan wordt tot het verlagen van de gasproductie het risico op (zwaardere) aardbevingen zelfs groter zou kunnen zijn. Zij hebben begrepen dat drukverschillen rond breuken een bepalende factor zijn bij het ontstaan van bevingen, maar dat hierover nog weinig bekend is. Deze gegevens zouden echter nodig zijn om, indien tot productievermindering besloten wordt, te bepalen bij welke boorputten de gasproductie op een verantwoorde wijze verlaagd kan worden. Klopt deze analyse? Is de veronderstelling juist dat productieverlaging op korte termijn wel eens negatief uit zou kunnen pakken?

Antwoord:

De deskundigen van SodM en de NAM zijn het er over eens dat verlaging van de productie leidt tot minder aardbevingen per jaar. Voorwaarde is wel dat die beperking van productie op een gelijkmatige manier moet worden uitgevoerd. De NAM beschikt over rekenmodellen waarmee een optimale strategie kan worden bepaald.

Overigens zijn SodM en de NAM het er ook over eens dat een lagere productie (enkel) leidt tot een lager aantal aardbevingen per jaar. In de veronderstelling dat alle gas uiteindelijk toch uit het Groningen-gasveld wordt gewonnen (alleen over een langere periode bij een lagere productie per jaar), blijft het totale aantal aardbevingen als gevolg daarvan over de gehele winningsperiode gelijk, ongeacht de productie per jaar.

Vraag:

In de eerste plaats betekent het gegeven dat nog veel onbekend is over de wijze waarop de bodem reageert op gaswinning dat ook in de onderzoeksfase verschillende aannames gedaan zullen moeten worden. Is de minister bereid ervoor te zorgen dat hierbij, indien van toepassing, uitgegaan zal worden van het «worst-case» scenario?

Antwoord:

Ik heb juist daarom bepaald dat er een technische begeleidingscommissie komt, om er voor te zorgen dat alle scenario’s, inclusief worst-case scenario’s, meegenomen worden in het onderzoek.

Vraag:

In de tweede plaats vragen de leden van de SGP-fractie in hoeverre het seismisch meetnetwerk van het KNMI betrokken kan worden bij het vervolgonderzoek naar onder meer het (nieuwe) maximum van de sterkte van bevingen voor het Groningen-veld. Kan uitbreiding van het seismisch meetnetwerk van KNMI een bijdrage leveren aan het verkrijgen van noodzakelijke aanvullende gegevens? Is het kabinet, indien nodig, bereid hier geld voor uit te trekken?

Antwoord:

Het uitbreiden van het meetnet is integraal onderdeel van het onderzoek en zal uitgevoerd worden in samenwerking met KNMI. Dit meetnet wordt bekostigd door de NAM.

Vraag:

In de derde plaats vragen deze leden waarom de experts van zowel KNMI als TNO niet actief betrokken worden bij het vervolgonderzoek inzake de (nieuwe) maximumsterkte van bevingen en alternatieve winningstechnieken. Deze leden benadrukken hierbij het belang van dit vervolgonderzoek.

Antwoord:

TNO en KNMI zijn als lid van de technische begeleidingscommissie expliciet betrokken bij de genoemde onderzoeken, waarin zij meekijken, meesturen en reviewen.

III Volledige agenda

  • Nieuwe inzichten met betrekking tot de effecten van gaswinning uit het Groningen-veld en de relatie met aardbevingen in de provincie Groningen; brief van de minister van Economische Zaken d.d. 25 januari 2013 (Kamerstuk 33 529, nr. 1)

  • Toezending stukken naar aanleiding van gedane toezeggingen in Algemeen Overleg gaswinning Groningen; brief van de minister van Economische Zaken d.d. 11 februari 2013 (2013Z02720)