Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2017-201833506 nr. R

33 506 Voorstel van wet van het lid Pia Dijkstra tot wijziging van de Wet op de orgaandonatie in verband met het opnemen van een actief donorregistratiesysteem

R BRIEF VAN DE MINISTER VOOR MEDISCHE ZORG EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 februari 2018

Tijdens de beraadslagingen in uw Kamer inzake het voorstel van wet van het lid Pia Dijkstra tot wijziging van de Wet op de orgaandonatie in verband met het opnemen van een actief donorregistratiesysteem (Kamerstukken 33 506) is mij verzocht om een schriftelijke reactie te geven op twee openstaande juridische vragen van het lid Martens (CDA). Graag voldoe ik hierbij aan dat verzoek.

De eerste vraag was of reparatiewetgeving noodzakelijk is om te voorzien in een verplichte voorhangprocedure voor de algemene maatregelen van bestuur die op grond van de artikelen 23, derde lid, en 33, tweede lid, van de Wet op de orgaandonatie tot stand komen. De huidige wet, noch het initiatiefwetsvoorstel voorzien in een verplichte voorhangprocedure. Ik heb tijdens de beraadslagingen uw Kamer reeds toegezegd dat ik niettemin de ontwerpen van beide algemene maatregelen van bestuur aan uw Kamer zal voorleggen.

Om te voorzien in een verplichte voorhangprocedure zal het inderdaad noodzakelijk zijn om de Wet op de orgaandonatie op dit punt aan te passen. Ik zal dat meenemen in het kader van een voorstel van een reeds eerder toegezegde wetswijziging, waarbij naast het Hersendoodprotocol voortaan ook de twee protocollen voor circulatoire dood op grond van de Wet op de orgaandonatie vastgesteld kunnen worden (Kamerstukken II 2015/16, 28 140, nr. 90).

De tweede vraag hangt samen met de tijdens het debat ingediende motie-Nooren c.s. (Kamerstukken I 2017/18, 33 506, nr. Q). In de motie wordt de regering allereerst verzocht om met het veld in overleg te treden over het opstellen van een kwaliteitsstandaard voor de transplantatiezorg die aan de door het Zorginstituut Nederland opgestelde leidraad voor kwaliteitsstandaarden voldoet, en waarin wordt opgenomen dat de arts niet over zal gaan tot donatie als er geen nabestaanden zijn of nabestaanden ernstige bezwaren tegen de donatie hebben. Daarnaast wordt in de motie de regering verzocht om het gebruik van deze kwaliteitsstandaard te verankeren in de in artikel 23, derde lid, van de Wet op de orgaandonatie genoemde algemene maatregel van bestuur.

Uw Kamer heeft daarbij de vraag gesteld of de delegatiegrondslag van artikel 23, derde lid, van de Wet op de orgaandonatie, ruimte biedt voor die verankering. Ziekenhuizen zijn op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet op de orgaandonatie verplicht tot het vaststellen van een protocol inzake orgaandonatie. De delegatiegrondslag van artikel 23, derde lid, van de Wet op de orgaandonatie biedt de bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen omtrent de inhoud van het ziekenhuisprotocol. Deze grondslag biedt naar mijn oordeel dan ook ruimte om te bepalen dat het ziekenhuis bij het vaststellen van het protocol gehouden is aan de nog op te stellen kwaliteitsstandaard.

Overigens zou ik van de gelegenheid gebruik willen maken om uw Kamer erop te wijzen dat de Wet op de orgaandonatie alleen voor het Europese deel van Nederland geldt en niet op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De Minister voor Medische Zorg en Sport, B.J. Bruins