33 478 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafrecht BES, en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het financieren van terrorisme (strafbaarstelling financieren van terrorisme)

D NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 8 juli 2013

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag. Graag beantwoord ik de aanvullende vragen die de leden van de SP-fractie nog over het wetsvoorstel hebben gesteld als volgt.

De leden van de SP-fractie merkten op dat een VN-verdrag een duidelijke internationale verplichting creëert, maar dat dit in hun ogen niet het geval is bij een evaluatie van de Financial Action Task Force (FATF).

In het antwoord op deze vraag verduidelijk ik graag eerst het institutionele kader van de FATF. De FATF is een van de belangrijkste interstatelijke organisaties met een ad hoc-karakter. De organisatie is niet ingesteld bij verdrag, maar functioneert op grond van een mandaat dat wordt verleend door de lidstaten. In dit mandaat ligt de aanvaarding besloten dat binnen het kader van de FATF aanbevelingen kunnen worden opgesteld waaraan de lidstaten zich gebonden achten. De keuze voor deze dynamische rechtsbasis moet in verband worden gebracht met de doelstelling van de FATF: het voorkomen van witwassen. Een doelstelling die deze leden, naar ik aanneem, volmondig kunnen onderschrijven. Teneinde het witwassen van misdaadgeld, dat immers steeds nieuwe vormen aanneemt, effectief te kunnen bestrijden is een flexibele set maatregelen nodig, die snel kan worden aangepast aan nieuwe ontwikkelingen en verschijningsvormen van witwassen. Dit zou niet mogelijk zijn indien daartoe telkens een verdragswijziging nodig is. In 2001 is het mandaat van de FATF uitgebreid tot de bestrijding van het financieren van terrorisme.

De regels die de FATF heeft opgesteld ter bestrijding van witwassen en het financieren van terrorisme zijn neergelegd in de zogenoemde 40 Aanbevelingen. Deze 40 Aanbevelingen worden periodiek aangepast; voor het laatst is dit geschied in 2012. Van de ontwikkelingen die zich in het verband van de FATF voordoen en van besluitvorming die plaatsvindt tijdens vergaderingen van de FATF wordt het Nederlandse parlement structureel op de hoogte gehouden (vgl. voor recente berichtgeving, Kamerstukken II 2012/13, niet-dossierstukken nrs. 2013D14142, 2012D43083).

De FATF kent op dit moment 34 staten als leden, alsmede de Raad van Golfstaten en de Europese Commissie. Nederland is als Koninkrijk lid van de FATF en neemt met een Koninkrijksdelegatie deel aan de viermaandelijkse plenaire vergadering van de FATF. Naast de lidstaten zijn via regionale suborganisaties nog veel andere landen onderworpen aan het acquis van de FATF: in totaal gaat het thans om 180 staten. In het mandaat van de FATF hebben de leden zich, zoals reeds aangegeven, ertoe verbonden om de regels van de FATF na te leven – zie art. 6 van het FATF-mandaat. Alle landen die zijn gebonden aan de regels van de FATF – de lidstaten voorop – worden periodiek beoordeeld op de wijze waarop zij voldoen aan de 40 Aanbevelingen. Deze beoordeling geschiedt door middel van wederzijdse evaluaties. De verplichting tot deelneming aan deze evaluaties, alsmede tot opvolging van de aanbevelingen die in dat verband worden gedaan (niet te verwarren met de 40 Aanbevelingen), volgt eveneens uit art. 6 van het FATF-mandaat. Er is derhalve, zo beantwoord ik de vraag van de leden van de SP-fractie, zonder enige twijfel sprake van een internationale verbintenis om te voldoen aan de regels van de FATF én aan de aanbevelingen die ter verbetering van de naleving worden gedaan in het kader van wederzijdse evaluaties.

De aan het woord zijnde leden vroegen verder welke landen inmiddels door de FATF waren geëvalueerd en tevens welke landen in dat kader aan de verplichting tot strafbaarstelling van het financieren van terrorisme hadden voldaan.

Nederland is in 2010 voor de derde keer geëvalueerd. In deze evaluatie heeft voor de eerste maal een volledige beoordeling plaatsgevonden van de naleving van de aanbevelingen op het punt van de (wijze waarop voorzien dient te worden in de) strafbaarstelling van het financieren van terrorisme. De derde ronde van evaluaties is inmiddels afgerond. Dit betekent dat zo’n 180 staten een evaluatie hebben ondergaan. Het is tot mijn spijt niet doenlijk om binnen een kort tijdsbestek het exacte aantal landen na te gaan dat in het kader van de evaluatie net als Nederland een aanbeveling heeft gekregen op het punt van de strafbaarstelling van het financieren van terrorisme en welke landen inmiddels aan die aanbeveling hebben voldaan. Ik veroorloof mij te volstaan met erop te wijzen dat de uitvoering van de aanbevelingen die zijn gedaan in het kader van de derde evaluatie-ronde voor elke FATF-lidstaat voorwerp is van een follow-up proces. Dit betekent in het geval van Nederland, dat de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de aanbevelingen gedaan in het evaluatierapport over Nederland, inhoudelijk wordt beoordeeld door de FATF in februari 2014. Indien Nederland – Nederland in Europa en de BES-eilanden – op dat moment niet zou voldoen aan de aanbevelingen inzake de strafbaarstelling van terrorismefinanciering, zou dat tot gevolg kunnen hebben dat ons land wordt geplaatst op een zogeheten «grijze lijst» van staten die vanwege lacuneuze wet- en regelgeving een risico opleveren in relatie tot terrorismefinanciering, met alle negatieve consequenties voor de handelsbetrekkingen en het vertrouwen in de financiële sector van dien.

Met het voorgaande hoop ik ook – in antwoord op een vervolgvraag van de leden van de SP-fractie – het grote belang van spoedige inwerkingtreding van het voorstel tot zelfstandige strafbaarstelling van het financieren van terrorisme in Nederland én op de BES-eilanden, nader te hebben kunnen verduidelijken.

Ten slotte vroegen de leden van de SP-fractie of er, bij nader inzien, toch geen sprake zou zijn van een verplichting tot het informeren van de bestuurscolleges van de BES-eilanden. Het kabinet is, ook bij nadere overweging, van oordeel dat zulks niet het geval is. En tegen de achtergrond van de hierboven geschetste ingrijpende consequenties voor de internationale positie van Nederland acht ik de veronderstelling van deze leden dat de bestuurscolleges van de BES-eilanden, indien zij zouden zijn geraadpleegd over de wenselijkheid van het voorliggende wetsvoorstel, zouden hebben aangegeven daaraan geen behoefte te hebben, niet erg aannemelijk.

Naar ik vertrouw heb ik met het bovenstaande de nadere vragen van de SP-fractie naar genoegen beantwoord.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

Naar boven