De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
Artikel I, onderdeel S, komt als volgt te luiden:
S
Artikel 9.51 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt de zesde volzin vervangen door: In dat geval zijn de artikelen
9.8 en 9.9 van overeenkomstige toepassing.
2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: In afwijking van het bepaalde
in artikel 9.9a richt de aanwijzing van de minister zich op het bestuur van de rechtspersoon
die de bijzondere universiteit in stand houdt.
II
Na artikel I, onderdeel T, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
Ta
Aan artikel 10.8 wordt een lid toegevoegd, luidende:
III
In artikel II, onderdeel A, wordt aan artikel 9.1.4a, eerste lid, een volzin toegevoegd,
luidende: Ten aanzien van een bijzondere instelling richt de aanwijzing zich op het
bestuur van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt.
Toelichting
Indiener heeft helaas moeten constateren dat de reactie van de regering op amendement
met nummer 24 lijkt te getuigen van enkele misvattingen en feitelijke onjuistheden
(Kamerstukken II 2013–2014, 33 472, nr. 26). Ten onrechte wordt bijvoorbeeld beweerd dat het college van bestuur het bevoegd
gezag vormt. Ook wordt zonder grond gesteld dat het bestuur van de rechtspersoon geen
bevoegdheden zou (kunnen) hebben ten aanzien van de gang van zaken binnen de instelling.
Het bestuur van de rechtspersoon kan zich wel degelijk de vrijheid voorbehouden om
besluiten te nemen, besluiten van andere organen te herzien en invloed te hebben op
benoemingen. De regering lijkt te suggereren dat deze bevoegdheden door de WHW aan
het bestuur zouden moeten worden toegekend. Echter, deze bevoegdheden vloeien allereerst
voort uit de vrijheid die privaatrechtelijke rechtspersonen krachtens burgerlijk recht
toekomt en die de wetgever bij nadere regeling van het hoger onderwijs dient te respecteren.
Als het wetsvoorstel wordt gevolgd en de aanwijzing wordt gericht op de raad van toezicht
ontstaat in het bijzonder onderwijs een merkwaardige situatie. De aanwijzing is dan
namelijk niet gericht op de rechtspersoon waarmee de overheid een bekostigingsrelatie
heeft. Het betekent dat de aanwijzing uiteindelijk tot bekostigingsgevolgen voor de
rechtspersoon kan leiden, terwijl het bestuur van de rechtspersoon volgens de regering
geen mogelijkheden bezit om deze verstrekkende gevolgen door middel van adequate interventies
te voorkomen. Een dergelijke regeling is in ieder geval niet in overeenstemming met
redelijkheid en billijkheid.
De opvatting dat het college van bestuur het bevoegd gezag vormt, vindt geen grond
in wetenschappelijke literatuur in de discipline van het onderwijsrecht. Voor een
nadere onderbouwing van dit amendement zij verwezen naar de fundamentele kritiek op
de argumentatie van de regering in de dissertatie van Ruud Louw, Het Nederlandse hoger onderwijsrecht (Leiden, 2011) 370–378. Verder heeft B.P. Vermeulen ten aanzien van dit punt eerder
gewezen op het gebrek aan duidelijkheid in de sectorwetgeving (Constitutioneel onderwijsrecht, 1999). Ten aanzien van bijzondere instellingen zal de minister de bestuurlijke aanwijzing
in alle sectoren op het bevoegd gezag moeten richten, de rechtspersoon.
Het amendement betreft in die zin een technische aanpassing dat de regeling van de
bestuurlijke aanwijzing in overeenstemming wordt gebracht met algemeen erkende (onderwijs)juridische
uitgangspunten. Tegelijk is het adequaat functioneren van de aanwijzingsbevoegdheid
en de rechtspersoon hiermee in het geding. De voorgestelde wijziging is daarom niet
vrijblijvend.
Bisschop