33 472 Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de versterking van de kwaliteitswaarborgen voor het hoger onderwijs en wijziging van verschillende onderwijswetten in verband met de introductie onderscheidenlijk verbreding van een aanwijzingsbevoegdheid voor de minister en in verband met aanpassingen in de regelgeving betreffende het basisregister onderwijs en het persoonsgebonden nummer (Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs)

Nr. 26 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 oktober 2013

In vervolg op het constructief verlopen wetgevingsoverleg met uw Kamer van 30 september jongstleden (Kamerstuk 33 472, nr. 25) heeft het lid Bisschop van de SGP-fractie een amendement ingediend op het wetsvoorstel Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs (Kamerstuk 33 472, nr. 24). Het ingediende amendement dient ter vervanging van een eerder ingediend amendement (stuk nr. 21) waarover volgens een toezegging tijdens het wetgevingsoverleg nog contact is geweest tussen de SGP-fractie en juristen van mijn ministerie.

In vergelijking met het eerdere amendement is de inhoud aanzienlijk beperkt. Het consequent vervangen in artikel 9.51 van de WHW van het college van bestuur door het bestuur van de rechtspersoon die de bijzondere universiteit in stand houdt, maakt niet langer deel uit van het amendement. Ik waardeer dat zeer. Met dit voorstel zou, indien aanvaard, een belangrijk element uit de Wet versterking besturing hoger onderwijs uit 2010 zijn teruggedraaid. Volgens de toelichting van de heer Bisschop tijdens het wetgevingsoverleg was de bedoeling van het amendement in eerste instantie een technische verbetering van het wetsvoorstel.

Het amendement beoogt nu in vergelijking met het voorliggende wetsvoorstel de adressant van de aanwijzingsbevoegdheid te wijzigen in die zin dat de raad van toezicht wordt vervangen door het bestuur van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt.

In de toelichting op het amendement wordt aangegeven dat anders dan in de nota naar aanleiding van het verslag is gemeld «ook in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs het bevoegd gezag – de rechtspersoon – een bekostigingsrelatie met de overheid» heeft. Deze zin wekt de suggestie dat de rechtspersoon die de instelling in stand houdt het bevoegd gezag zou zijn. Hier is sprake van een misverstand. Volgens de WHW en de WEB is het college van bestuur, ook wel het instellingsbestuur, het bevoegd gezag van de instelling. Op dit punt bestaat er een wezenlijk verschil met de WPO, de WEC en de WVO waar voor het bijzonder onderwijs de rechtspersoon die de school in stand houdt het bevoegd gezag vormt.

Overigens wordt in de aangehaalde zinsnede terecht opgemerkt dat het bestuur van de rechtspersoon in tegenstelling tot wat is gemeld in de nota naar aanleiding van het verslag wel een bekostigingsrelatie heeft met de overheid. Die relatie bestaat formeel maar het bestuur van de rechtspersoon heeft geen bevoegdheden ten aanzien van hetgeen binnen de instelling gebeurt bijvoorbeeld op het gebied van het personeelsbeleid of het kwaliteitsbeleid. De leden van het college van bestuur worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht. Het is ook de raad van toezicht die tot taak heeft toe te zien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg.

Als het voorstel van het amendement wordt gevolgd en de aanwijzing zou gericht worden tot het bestuur van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, is die aanwijzing gericht tot een gremium dat daaraan binnen de wetgeving voor het HO en MBO zoals die nu geldt geen uitvoering kan geven omdat het niet over de bevoegdheid daartoe beschikt. De instantie die dat wel kan, is de raad van toezicht. De keuze in het wetsvoorstel voor de raad van toezicht als aanspreekpunt is naar mijn overtuiging daarom de enig juiste. Dat in een aantal gevallen leden van het bestuur van de rechtspersoon tevens lid zijn van de raad van toezicht doet daar niets aan af.

Alles afwegende kan ik het amendement van de heer Bisschop van de SGP-fractie op stuk nr. 24 niet zien als een technische verbetering van het voorliggende wetsvoorstel. Ik ontraad om deze reden het amendement.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Naar boven