Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333450 nr. 2

33 450 Mariene Strategie voor het Nederlandse deel van de Noordzee

Nr. 2 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 april 2013

Op 24 april aanstaande staat de Mariene Strategie voor het Nederlandse deel van de Noordzee 2012–2020 Deel I (Kamerstuk 33 450, nr. 1) op de agenda van het Algemeen Overleg met uw Kamer over de Noordzee en Wadden. Het Kabinet heeft in de Mariene Strategie Deel I ook de problematiek van zwerfvuil op zee, waaronder microplastics (ook wel «Plastic Soep» genoemd), uiteengezet. Met deze brief wil ik u informeren over het handelingsperspectief dat er is om zwerfvuil op zee terug te dringen en de bijdrage die het ministerie daaraan levert.

Waar staan we nu

Een goede indicator voor de problematiek is de strandmonitoring. Gemiddeld worden per 100 meter strand tussen de 250 en 500 stukken afval aangetroffen, grotendeels bestaand uit plastics: 44% kan worden herleid naar scheepvaart en visserij, 30% naar bronnen op het land en 26% is afkomstig van onbekende (of meervoudige) bronnen. Er is geen toe- of afnemende trend van de hoeveelheid zwerfvuil waar te nemen.

Wat doen we al

Met een brief aan uw Kamer heeft de staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu haar bredere ambities voor het afvalbeleid toegelicht, zoals ook de stand van zaken van de uitvoering van toezeggingen die o.a. tijdens het algemeen overleg grondstoffen en afval van 29 januari 2013 (Kamerstuk 28 694 nr. 111) zijn gedaan (Kamerstuk 30 872, nr. 132). Afvalbeleid speelt een belangrijke rol bij het terugdringen van zwerfvuil op zee, de aanpak van zwerfvuil lift hier in belangrijke mate op mee. In deze brief wil ik toelichten welke aanvullende activiteiten specifiek gericht op zwerfvuil worden ondernomen.

Een belangrijk deel van de activiteiten vindt in internationaal verband plaats. Mede op initiatief van Nederland is op de 5de International Marine Debris Conference in 2011 (UNEP) als onderdeel van de «Global Initiative on Marine Litter» de Honolulu Strategie vastgesteld, die als doel heeft de impact van marien afval te reduceren. Als opvolging hierop is tijdens de Rio+20 Conferentie in 2012 de doelstelling aangenomen voor een significante reductie van marien zwerfvuil in 2025. Om deze reductie te bewerkstelligen is het Global Partnerschap on Marine Litter opgericht, waaraan Nederland zal deelnemen in de stuurgroep. Verder is afgesproken om regionale actieplannen op te zetten om het probleem van zwerfvuil op zee aan te pakken. Per 1 januari 2013 is mede op initiatief van Nederland de herziene Annex V van het MARPOL-verdrag van de International Maritime Organisation (IMO) in werking getreden. De herziening gaat uit van een totaalverbod op het lozen van vuilnis door schepen, met uitzondering van voedselrestanten. Verder is op initiatief van Nederland in de IMO afgesproken dat wereldwijd de cursus «marine environmental awareness» een verplicht onderdeel van maritieme opleidingen wordt.

Ook in nationaal verband gebeurt er al veel. Met het nationale beleid voor inzamelen en verwerken van afval is Nederland al op de goede weg. Naast de generieke afvalmaatregelen zijn er diverse initiatieven en campagnes die proberen het gedrag betreffende zwerfvuil te beïnvloeden, onder andere de verkiezing «Schoonste Strand» en de landelijke opschoondag die dit jaar op 9 maart is gehouden.

Hoe nu verder

Nationaal en internationaal wil het Kabinet zich meer inspannen voor terugdringing van het zwerfvuil op zee, waaronder microplastics. Concreet kader hiervoor is de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM, 2008), waarbinnen zwerfvuil één van de aspecten is die moet worden geadresseerd in de mariene strategieën van de lidstaten. Het Kabinet heeft in de Mariene Strategie Deel I de opgave geformuleerd om de hoeveelheid zwerfvuil op zee te reduceren en aanvullende preventieve maatregelen aangekondigd. Deze ambitie sluit aan bij die van de Europese Commissie, die de aanpak van zwerfvuil op zee als speerpunt heeft benoemd binnen het 7de Milieu Actie Programma.

De top tien van gevonden voorwerpen op het strand geeft richting voor de vervolgaanpak van zwerfvuil op zee. De voorwerpen omvatten restanten van visnetten, PUR-schuim, plasticvoorwerpen van verschillende grootte (bijvoorbeeld doppen) en herkomst, ballonen, chips -en snoepzakken en lollystokjes.

Er zijn al verschillende stappen genomen. In 2011 zijn in een quickscan 13 maatregelen geïdentificeerd, is met belanghebbende organisaties gesproken en is een voorlopige maatschappelijke kosten- en baten analyse (MKBA) gemaakt. In oktober 2012 vond een grote nationale stakeholderbijeenkomst plaats waarbij samen met de diverse betrokken partijen vanuit «zee» en «land» ongeveer 90 potentieel haalbare en effectieve maatregelen geïdentificeerd zijn. Een «top 16» is hierna verder uitgewerkt. De verdere uitwerking van mogelijke maatregelen zal vormgegeven worden langs de volgende zes sporen:

  • 1. Agendering en Bewustwording: betere voorzieningen voor en verwerking van huishoudelijk afval, bewustwordingscampagne over zwerfvuil, lespakketten, verleiden van publiek;

  • 2. Scheepvaart: inzet in Europa op een verdere optimalisering van de Europese Richtlijn Havenontvangstvoorzieningen (onder andere aanscherping afgifteplicht van schepen die naar een haven buiten Europa vertrekken, een Europees informatie- en monitoringssysteem, harmonisering handhavings- en financieringssystemen);

  • 3. Visserij: alternatieven onderzoeken voor «pluis» (beschermende nylon van visuitrusting staat op nummer 1 van zwerfvuil op strand), «Fishing for Litter»-initiatief internationaal uitbouwen;

  • 4. Stranden: bevorderen van campagnes zoals «Schoonste Strand» en «My-Beach / «Do it yourself beaches», aanvullende preventieve maatregelen samen met kustgemeenten en exploitanten;

  • 5. Stroomgebieden: agendering binnen de internationale rivierencommissies, afval opvangen bij sluizen, preventie bij de bron/aansluiten bij bestaand beleid op gemeentelijk niveau;

  • 6. Het beheer van de kunststof(afval)keten: end-of-life opties meenemen in het design van producten, terugdringen van gebruik van microplastics. In de brief over afvalbeheer (IENM/BSK-2013/69515) is uw Kamer geïnformeerd over microplastics in cosmeticaproducten. Hiervoor moeten afspraken worden gemaakt in Europa en met de betrokken sector.

De verkenning langs deze zes sporen vindt voor een belangrijk deel in internationaal verband plaats (VN, IMO, OSPAR, EU, rivierencommissies). Deze maand vond in Berlijn een door Duitsland en de Europese Commissie georganiseerde Conference on Marine Litter plaats waarin de concretisering van de mondiale reductiedoelstelling en de mogelijke inhoud van regionale actieplannen is verkend. Dit is de volgende stap in de uitwerking van de mondiale «Global Initiative on Marine Litter» mede in relatie tot de uitwerking van de KRM binnen Europa.

Microplastics vragen extra aandacht. Er is nog weinig bekend over de gevaren voor het mariene milieu en de mate waarin ze in de voedselketen terecht kunnen komen. De mogelijk toxische effecten van verontreinigende stoffen die zich in en op microplastics bevinden, zijn reden tot zorg. Er lopen diverse (Europese) onderzoeken om een volledig beeld te krijgen van de aanwezigheid van (micro)plastics en directe consequenties voor Nederland. Een specifiek onderwerp is hierbij microplastics in cosmetica. De verdere aanpak hiervan wordt in de brief over afvalbeheer nader toegelicht (IENM/BSK-2013/69515). Het verkennen en ontwikkelen van maatregelen om microplastics terug te dringen is onderdeel van de aanpak langs de zes sporen, in nationaal en internationaal verband.

De nationale planning is dat komend najaar de MKBA zal starten over mogelijke maatregelen voor het aanvullend maatregelenprogramma in het kader van de implementatie van de KRM. Besluitvorming in het Kabinet over het programma van maatregelen (Mariene Strategie Deel III) vindt plaats in de periode 2014–2015 als onderdeel van de besluitvormingsprocedure rondom de opvolger van het Nationaal Waterplan. Maatregelen worden waar mogelijk eerder genomen.

De minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus