Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333400-VII nr. 80

33 400 VII Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) en van de begrotingsstaten van Wonen en Rijksdienst (XVIII) voor het jaar 2013

Nr. 80 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2013

Op 13 juni jl. heeft de Vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken een brief gestuurd, met het verzoek om in te gaan op mijn verantwoordelijkheden, en om tot informatieafspraken te komen over de drie decentralisatieprojecten in het sociale domein.

In deze brief zal ik ingaan op uw verzoek om nadere invulling te geven aan mijn (systeem)verantwoordelijkheid en coördinerende verantwoordelijkheid. Op de overige punten uit uw brief en de bijgevoegde notitie, zal ik schriftelijk terugkomen na uw zomerreces. Hierin zal ik tevens de toezegging betrekken die de minister-president deed tijdens het verantwoordingsdebat van 15 mei 2013. De toezegging hield in dat ik schriftelijk reageer op de toelichting die de Algemene Rekenkamer in haar brief van 14 mei 2013 geeft op haar verwachting bij de vormgeving van een informatiearrangement in het sociaal domein. Dit verzoek komt overeen met hetgeen u in uw bijlage bij uw brief aan mij voorlegt.

Tevens maak ik van de gelegenheid gebruik om u te melden dat er de afgelopen maanden mede vanwege het sociaal akkoord en het zorgakkoord wijzigingen zijn opgetreden in de Participatiewet en de nieuwe WMO. Om de bijbehorende financiële gegevens goed mee te kunnen laten nemen door het CPB en gezien het belang dat zowel het kabinet als de VNG hechten aan een zorgvuldig verlopend proces, is het CPB verzocht zijn eerste, globale rapportage met betrekking tot de kansen en risico’s van de decentralisaties in het sociaal domein (uitvoering motie Schouw, Kamerstuk 33 400 B/33 400 C, nr. 13) niet zoals oorspronkelijk voorzien voor het zomerreces, maar eind augustus op te leveren. De rapportage van het CPB zal in de eerste week van september vergezeld van een inhoudelijke reactie aan uw Kamer worden aangeboden.

Verantwoordelijkheden en coördinatie

In de bijlage bij uw brief wordt verzocht om nadere duiding van mijn positie en de relatie tot de andere beleidsterreinen in het sociaal domein. Ik zal dit hieronder nader toelichten.

Gemeenten zijn de aangewezen bestuurslaag om de gewenste zelfredzaamheid van mensen te faciliteren en te stimuleren. Het kabinet heeft met de decentralisaties goede gezondheid en actieve deelname aan de maatschappij voor ogen. Gemeenten kunnen voorzien in de noodzakelijke integraliteit en maatwerk en kunnen beter inspelen op de rol van het sociale netwerk rond de burger. Hulpmoet zo effectief en efficiënt mogelijk worden ingezet. Dit vergt een aanpassing van de huidige wetgeving, organisatie en werkwijzen, zodat zowel mensen als gemeenten niet te maken krijgen met tijdrovende processen of ingewikkelde regels.

Als coördinerend minister voor de decentralisatie, kijk ik naar de randvoorwaarden, zoals het kabinet in de decentralisatiebrief van 19 februari 2013(Kamerstuk 33 400 VII, nr. 59) heeft neergelegd. De randvoorwaarden zijn een belangrijke succesfactor voor de gewenste integrale aanpak door gemeenten. Dat betekent ook dat een integrale en gezamenlijke aanpak door het Rijk is vereist. Dit uitgangspunt geeft inhoud aan mijn coördinerende rol.

Ik hanteer de decentralisatiebrief van het kabinet als leidraad voor de bespreking van de uitwerking en voortgang van de decentralisaties in de Ministeriële Commissie Decentralisaties, waarvoor ik coördinerend minister ben. Deze wordt voorgezeten door de minister-president.

Zoals in de decentralisatiebrief is aangegeven, houden bewindspersonen de eigen verantwoordelijkheid voor de in wetgeving vastgelegde taken op het sociale domein en leggen zij hiervoor verantwoording af aan het parlement.

Dit betekent dat elke bewindspersoon er zorg voor draagt dat de wetgeving optimaal bijdraagt aan het bereiken van de beleidsdoelstellingen van integraliteit en maatwerk. Iedere minister heeft daarom belang bij samenhang van het geheel aan wet- en regelgeving waarmee het beleid wordt vormgegeven. Het kabinet draagt dit gezamenlijke belang nadrukkelijk uit. Deze gezamenlijkheid komt ook tot uiting in de coördinerende rol die ik vervul.

Bij het uitwerken van de wet- en regelgeving in dit domein, ben ik nauw betrokken. Ik let op de samenhang en vanuit mijn portefeuille in het bijzonder op de werking van het openbaar bestuur; de bestuurlijke verhoudingen en de regelgeving omtrent het uitvoeringstoezicht en de informatielast. Ik zal actie ondernemen om privacy, hergebruik van informatie, standaardisatie, ICT en het verminderen van regeldruk en administratieve lasten te optimaliseren.

Ik ben als vakminister voorts samen met de staatssecretaris van Financiën verantwoordelijk voor het gemeentefonds. Vanuit deze rol organiseer ik samen met de betrokken bewindspersonen de uitwerking van het financiële arrangement voor het sociaal domein.

Iedere bewindspersoon zet tevens de benodigde stappen om er voor te zorgen dat gemeenten op tijd klaar zijn met hun transitieopgave, dat de informatie-uitwisseling op orde is, dat het duidelijk is wat de resultaten na de transitie moeten zijn, en wat de verschillen tussen gemeenten zijn opdat daar de nodige aandacht aan kan worden besteed. Ook deze implementatieopgave vraagt om samenhang en met mijn ambtgenoten draag ik hiervoor zorg.

Met gemeenten en VNG wil ik vaststellen waar de behoefte aan ondersteuning ligt en hier adequaat op inspelen. In samenspraak met de andere departementen blijf ik toetsen of er vanuit onze gezamenlijke integrale doelstelling voor deze decentralisatieopgave, actie nodig is.

Ook zal ik gemeenten maximaal ondersteunen bij het realiseren van de transformatie. Dit komt tot uiting in de ondersteuning die ik de gemeentelijke bestuurders en ambtenaren bied. De ondersteuning van gemeenten waar ik nu en het komende jaar met prioriteit op inzet, is gericht op het vergroten van de bestuurskracht van gemeenten om de decentralisaties goed uit te kunnen voeren. Dit betekent onder meer het stimuleren en ondersteunen van congruente samenwerkingsverbanden. Medio juli 2013 ontvangt u hierover een aparte voortgangsbrief.

Tevens vind ik het van belang om leerkringen en experimenten te stimuleren, bestaande kennis en instrumenten te verbeteren en verder te verspreiden, die gemeenten helpen bij hun taak. Ook rond het thema professionalisering en inzetbaarheid van ambtenaren zal ik ondersteuning bieden vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het functioneren van de lokale democratie. Ten slotte is het, gezien het grote belang van de decentralisaties en de omvang van de opgaven die in dat kader op de gemeentebesturen afkomen, van belang ook politieke ambtsdragers optimaal op de nieuwe taken voor te bereiden. Ik ga daarover in gesprek met de betrokken partijen, waaronder de diverse beroepsverenigingen van politieke ambtsdragers.

Ik vertrouw erop hiermee mijn (systeem)verantwoordelijkheid en coördinerende verantwoordelijkheid te hebben verhelderd, in relatie tot de verantwoordelijkheden van andere leden van het kabinet. Langs deze lijnen wordt momenteel uitwerking gegeven aan monitoring en de informatievoorziening ten behoeve van het parlement. Zoals aangegeven zal ik u hierover na het reces nader informeren.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk