33 367 Aanpassing van de Wet op de ondernemingsraden in verband met wijziging van de financiering van het scholingssysteem voor leden van de ondernemingsraad en enkele andere wijzigingen van deze wet

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 5 april 2013

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het wetsvoorstel, met uitzondering van de aanvulling in de beweegredenen en de wijziging in artikel 9, tweede lid, sub b, die bij amendement in de wet zijn gekomen. Zij hebben naar aanleiding daarvan nog enige vragen.

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorgenomen wijziging van de financiering van het scholingssysteem voor leden van de ondernemingsraad. Graag maken zij van de gelegenheid gebruik de regering hierover enkele vragen te stellen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsontwerp. De oorspronkelijke wet kan hun instemming verkrijgen, maar het amendement-Van Weyenberg (33 367, nr. 7) roept wel enige vragen bij hen op.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben nog vragen naar aanleiding van het in Tweede Kamer aangenomen amendement.

Amendement-Van Weyenberg

De regering heeft het amendement-Van Weyenberg naar de mening van de leden van de VVD-fractie terecht ontraden. De leden van deze fractie vernemen echter graag waarom de minister zich bij de behandeling in de Tweede Kamer niet krachtdadiger heeft verzet. De minister ontraadt het amendement, maar zegt desondanks te begrijpen dat de indiener zijn amendement handhaaft. De leden van de VVD-fractie begrijpen dit in het geheel niet en zijn van mening dat de beweegredenen voor dit amendement op gebrek aan kennis, dan wel een onjuiste interpretatie, van de wet berusten en dat de consequenties van deze wetswijziging kunnen zijn dat oneigenlijke, persoonlijke, belangen een rol gaan spelen bij de beslissing om zich kandidaat te stellen voor de OR, te weten de ontslagbescherming van artikel 7:670a BW.

De huidige Wet op de Ondernemingsraden (WOR) regelt in artikel 9, lid 2, sub b dat een kandidatenlijst kan worden ingediend door een derde gedeelte of meer van de in de onderneming werkzame kiesgerechtigde personen die geen lid zijn van een vakbond die een kandidatenlijst heeft ingediend, echter met dien verstande dat voor het indienen van een kandidatenlijst met 30 handtekeningen kan worden volstaan. Uit dit artikel blijkt dat 30 handtekeningen sowieso genoeg zijn, en dus een maximum is en niet een minimum, zoals tijdens de behandeling in de Tweede Kamer door de indiener van het amendement werd beweerd. Dit laatste heeft de regering ook tegengesproken en is ook al eerder door de voorzieningenrechter bevestigd. Daar komt nog bij dat het huidige artikel 9, lid 2, sub b ook inhoudt dat ongeorganiseerde (of elders georganiseerde) werknemers die zich kandidaat willen stellen genoeg hebben aan ondersteuning door 1/3 van de ongeorganiseerde werknemers. Heeft een bedrijf 15 ongeorganiseerde werknemers dan zijn dus 5 handtekeningen voldoende en heeft een bedrijf 150 ongeorganiseerde werknemers dan zijn 30 handtekeningen voldoende. Is de regering het ermee eens dat er dus geen enkele reden is voor deze wetswijziging?

De leden van de VVD-fractie vernemen gaarne of de regering het met hen eens is dat de beweegredenen voor dit amendement niet juist zijn. Deelt de regering voorts de mening van deze leden dat dit onderdeel van de wet potentieel de medezeggenschap kan ondermijnen, doordat de mogelijkheid bestaat dat werknemers die geen enkel draagvlak hebben in de organisatie lid worden van de OR? Tot slot vernemen zij graag hoe de regering denkt te gaan voorkomen dat er om oneigenlijke redenen van de ontslagbescherming gebruik gemaakt kan worden.

De leden van de PvdA-fractie vragen aandacht voor de brief van de Stichting van de Arbeid van 25 februari 20132 waarin grote bezwaren worden geuit tegen het amendement-Van Weyenberg. Naar de mening van de Stichting van de Arbeid brengt het amendement met zich mee dat het voor mensen met particuliere belangen veel eenvoudiger wordt in de OR te komen. Bovendien zal de WOR als gevolg van het amendement verschillende eisen stellen aan verkiesbare medewerkers. Voor vakbondsmedewerkers geldt het voordrachtsprincipe, voor kandidaten op vrije lijsten is er een drempelloze toegang tot de OR zonder dat enig draagvlak onder collega’s vereist is. De Stichting van der Arbeid concludeert dat het aannemen van het amendement-Van Weyenberg tot gevolg zal hebben dat de medezeggenschap in Nederlandse ondernemingen fundamenteel en potentieel ondermijnend wijzigt. Onderschrijft de regering deze conclusie? Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie een gedetailleerde reactie op de individuele punten van zorg zoals hierboven beschreven.

De Stichting van de Arbeid schetst in voornoemde brief een aantal alternatieven. Zij is van opvatting dat dit onderwerp het verdient om te worden geagendeerd voor de overlegagenda van de sociale partners, teneinde na een zorgvuldig overleg tot een passende regeling te komen en wijst op de mogelijkheid om de Commissie Bevordering Medezeggenschap van de SER om advies te vragen. Deelt de regering deze opvatting van de Stichting van de Arbeid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen is zij bereid te zetten?

De leden van de CDA-fractie horen graag hoe de regering het amendement-Van Weyenborg beoordeelt. Zij zouden daarbij graag tevens de reactie van de regering vernemen op de brief van de Stichting van de Arbeid over dit onderwerp. Welke mogelijkheden ziet de regering om na opname van bedoeld amendement in de WOR te borgen dat leden van de Ondernemingsraad voldoende draagvlak in de onderneming hebben?

De leden van de fractie van de SP hebben kennisgenomen van de brief van de Stichting van de Arbeid, die zij naar aanleiding van het wetsvoorstel en het in de Tweede Kamer aangenomen amendement hebben ontvangen. Zij vragen de regering te reageren op de in deze brief genoemde punten, in het bijzonder op het probleem dat werkgevers en werknemers hebben met het genoemde amendement, en ontvangen van de kant van de regering graag een voorstel om dit probleem op te lossen.

Scholing

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de regering voornemens is om het huidige subsidiesysteem voor scholing van OR-leden af te schaffen en te vervangen door een nieuwe financieringsmethodiek. Waarom, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, heeft de regering er ter vervanging niet voor gekozen om scholing van OR-leden te financieren uit de CAO-ruimte? Graag krijgen zij een onderbouwde reactie op dit punt.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat in de memorie van toelichting en antwoorden van de regering in de nota naar aanleiding van het verslag een nogal rooskleurig beeld over zelfregulering en de houding van de ondernemer jegens de OR wordt geschetst. Hoe valt het te rijmen dat in de wet expliciet zal worden vastgelegd dat er voor de ondernemer een betalingsplicht bestaat voor de tussen hem en de OR afgesproken scholing, maar dat een daadwerkelijk budget afhangt van de ondernemer, zo vragen de leden van de PvdA-fractie aan de regering. De OR kan een budget blijkbaar niet afdwingen. Waar zit naar de mening van de regering de prikkel vanuit de ondernemer om een goed geïnformeerde en opgeleide OR in zijn bedrijf te hebben? En welke mogelijkheden ziet de regering voor OR- leden die niet tot overeenstemming met de ondernemer kunnen komen?

Medezeggenschap in internationale concerns

Uit de consultatieronde die gehouden is ter voorbereiding van het kabinetsstandpunt Medezeggenschap 2009 is gebleken dat alle betrokken partijen onderkennen dat de OR niet altijd weet hoe de zeggenschapsverhoudingen in een internationaal concern liggen. De beoogde wetswijziging heeft dan ook tevens betrekking op de informatieplicht in het kader van internationale concernverhoudingen. De leden van de fractie van de PvdA informeren of de regering van mening is dat de problemen voor een OR in een internationaal concern kunnen worden opgelost door het verstrekken van meer informatie. En meent de regering dat de informatie-achterstand van OR-leden hiermee weggenomen wordt? Acht de regering het, met de leden van de PvdA-fractie, wenselijk dat andere vormen van advies aangewend worden voor ondernemingsraden van internationaal concerns? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke mogelijkheden ziet zij daartoe?

De leden van de commissie zien de beantwoording met belangstelling tegemoet. Zij ontvangen de reactie bij voorkeur binnen vier weken.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Sylvester

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling: Holdijk (SGP), Kneppers-Heijnert (VVD), Putters (PvdA), Terpstra (CDA), Sylvester (PvdA), (voorzitter), Thissen (GL), Witteveen (PvdA), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Elzinga (SP), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Flierman (CDA), Hoekstra (CDA), Scholten (D66), Backer (D66), De Lange (OSF), Sent (PvdA), Postema (PvdA), Van Dijk (PVV), (vice-voorzitter), Sörensen (PVV), Ester (CU), De Grave (VVD), Beckers (VVD), Swagerman (VVD) en Kok (PVV).

X Noot
2

Ter inzage gelegd onder griffienummer 152294

Naar boven