Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201633354 nr. 5

33 354 Voorstel van wet van het lid Taverne houdende een tijdelijke experimentenregeling voor het gebruik van elektronische voorzieningen bij verkiezingen (Tijdelijke experimentenwet elektronische voorzieningen bij verkiezingen)

Nr. 5 VOORSTEL VAN WET ZOALS GEWIJZIGD NAAR AANLEIDING VAN HET ADVIES VAN DE AFDELING ADVISERING VAN DE RAAD VAN STATE

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is tijdelijke regels vast te stellen voor experimenten met het gebruik van elektronische voorzieningen bij de stemming en de stemopneming ter vermindering van het aantal ongeldige stemmen, ter bevordering van de snelheid en betrouwbaarheid van de stemopneming en ter bevordering van het zelfstandig stemmen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 2

  • 1. Onze Minister kan besluiten dat experimenten plaatsvinden bij een stemming of stemopneming tijdens verkiezingen als bedoeld in de Kieswet en de Wet algemene regels herindeling of een referendum als bedoeld in de Wet raadgevend referendum, met als doel de invoering van elektronische voorzieningen ten behoeve van het gebruik in het stemlokaal, waardoor het aantal ongeldige stemmen wordt verminderd, de snelheid en betrouwbaarheid van de stemopneming worden bevorderd en het zelfstandig stemmen wordt bevorderd.

  • 2. Onze Minister kan, na instemming van de betrokken gemeenteraden, gemeenten aanwijzen waar een experiment wordt gehouden.

  • 3. Onze Minister wijst de elektronische voorzieningen aan die bij een experiment worden gebruikt ten behoeve van de stemming en de stemopneming.

Artikel 3

  • 1. De experimenten vinden voor zover mogelijk plaats overeenkomstig hetgeen bij en krachtens de Kieswet dan wel de Wet raadgevend referendum is bepaald.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de experimenten en de daarbij te gebruiken voorzieningen. Deze regels kunnen op het naastlagere niveau afwijken van het bepaalde bij en krachtens de volgende onderdelen:

    • a. artikel E 4, tweede en vierde lid, van de Kieswet, zodat bij een experiment nadere eisen gesteld kunnen worden aan de kennis en vaardigheden van stembureauleden op het terrein van de werking van de elektronische voorzieningen;

    • b. de artikelen J 4, eerste en vierde lid, J 4a, derde lid, J 6b, J 9, J 12, J 16, J 18 tot en met J 21, J 25, zevende en achtste lid, J 26, J 27, J 29, J 31, J 38, K 11, tweede lid, en L 17, derde lid, van de Kieswet en de artikelen 56, tweede lid, en 59 van de Wet raadgevend referendum met betrekking tot de leden van de stembureaus, het ter kennis brengen van de kandidatenlijsten, de werkwijze en samenstelling van het stembureau, de inrichting van het stemlokaal, de vormgeving en beschikbaarstelling van stembiljetten, de wijze waarop de stem wordt uitgebracht en de gang van zaken bij de stemming;

    • c. de artikelen J 1, vierde lid, N 2 tot en met N 5, N 7, N 8, N 9 tot en met N 13, O 3, P 21, P 22 en V 4, vierde lid, vijfde zin, van de Kieswet en de hoofdstukken 9 en 10 van de Wet raadgevend referendum met betrekking tot de stemopneming en de taken en werkwijze van het stembureau, de burgemeester, het hoofdstembureau en centraal stembureau bij de vaststelling van de verkiezingsuitslag;

    • d. de artikelen Y 2, Y 22a tot en met Y 23, Y 24 en Y 39, van de Kieswet zodat een experiment ook tijdens de verkiezing van de Nederlandse leden van het Europees parlement kan worden gehouden.

  • 3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 4

Een elektronische voorziening als bedoeld in artikel 2, derde lid, die ten behoeve van de stemming wordt gebruikt, wordt slechts aangewezen indien deze ten minste aan de volgende vereisten voldoet:

  • a. het geheime karakter van de stemming is voldoende gewaarborgd;

  • b. de transparantie, controleerbaarheid en integriteit van de verkiezing is voldoende gewaarborgd;

  • c. de stemming is voldoende toegankelijk voor de kiezer, en

  • d. voldoende is gewaarborgd dat iedere kiesgerechtigde per verkiezing één stem kan uitbrengen.

Artikel 5

  • 1. Een elektronische voorziening als bedoeld in artikel 2, derde lid, die ten behoeve van de stemopneming wordt gebruikt, wordt slechts aangewezen indien deze ten minste aan de volgende vereisten voldoet:

    • a. het geheime karakter van de stemming voldoende is gewaarborgd;

    • b. de transparantie, controleerbaarheid en integriteit van de verkiezing is voldoende gewaarborgd, en

    • c. voldoende is gewaarborgd dat een uitgebrachte stem eenmaal wordt meegeteld.

  • 2. Indien een elektronische voorziening ten behoeve van de stemopneming wordt gebruikt, wordt de juiste werking van die elektronische voorziening tijdens de stemopneming onderzocht. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 3, tweede lid, worden nadere regels gesteld over de methodiek van het onderzoek, de wijze en het moment waarop het onderzoek wordt uitgevoerd en de wijze van openbaarmaking en de gevolgen van de uitkomsten van het onderzoek.

Artikel 6

  • 1. Een elektronische voorziening beschikt over een certificaat waaruit blijkt dat zij voldoet aan de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet. De rapportage over het onderzoek ter verkrijging van het certificaat is openbaar.

  • 2. Tijdig voor de aanvang van de stemming wordt getest of de elektronische voorziening functioneert volgens de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet. De rapportage over de test is openbaar.

  • 3. Indien een elektronische voorziening niet beschikt over een certificaat of uit de test blijkt dat zij niet voldoet aan de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet, wordt zij niet gebruikt bij het experiment.

  • 4. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 3, tweede lid, worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de certificering, bedoeld in het eerste lid, en de test, bedoeld in het tweede lid, worden uitgevoerd en de wijze van openbaarmaking van de rapportage.

Artikel 7

Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 3, tweede lid, worden nadere regels gesteld over het vervoer en de opslag van de elektronische voorzieningen.

Artikel 8

  • 1. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 3, tweede lid, worden nadere regels gesteld voor de situatie waarin kort voor de aanvang van de stemming of tijdens de stemming de elektronische voorzieningen ten behoeve van de stemming in een of meerdere stembureaus niet of onvoldoende functioneren.

  • 2. Indien op de dag van de stemming de elektronische voorzieningen ten behoeve van de stemopneming niet of onvoldoende functioneren, verricht het stembureau de stemopneming handmatig.

Artikel 9

  • 1. Dit artikel is van toepassing indien Onze Minister voor een experiment een elektronische voorziening voor de stemming vaststelt waarbij logo’s van politieke groeperingen kunnen worden gebruikt.

  • 2. In het register, bedoeld in de artikelen de artikelen G 1, G 2, G 2a, G 3 of Y 2 juncto artikel G 1 van de Kieswet, worden tevens de logo’s van politieke groeperingen bijgehouden.

  • 3. Een politieke groepering kan het centraal stembureau verzoeken haar logo te registreren, dan wel haar geregistreerde logo te wijzigen. Verzoeken die zijn ontvangen na de tweeënveertigste dag voor de kandidaatstelling, blijven voor de daaropvolgende verkiezing buiten behandeling.

  • 4. Het centraal stembureau beschikt slechts afwijzend op het verzoek, indien:

    • a. bij dat centraal stembureau de aanduiding van de politieke groepering niet is geregistreerd en, indien van toepassing, een reeds ingediend verzoek tot registratie van de aanduiding wordt afgewezen;

    • b. het logo strijdig is met de openbare orde;

    • c. het logo geheel of in de hoofdzaak overeenstemt met een reeds geregistreerde logo van een andere politieke groepering, of met een logo waarvoor reeds eerder op grond van dit artikel een registratieverzoek is ontvangen, en daardoor verwarring te duchten is;

    • d. het logo anderszins misleidend is voor de kiezers;

    • e. het logo geheel of in hoofdzaak overeenstemt met dat van een rechtspersoon die bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak verboden is verklaard en deswege is ontbonden;

    • f. het verzoek op dezelfde dag bij het centraal stembureau is ingekomen als een ander verzoek, strekkende tot inschrijving van een geheel of in hoofdzaak overeenstemmend logo, tenzij dat andere verzoek reeds op een van de onder a tot en met e genoemde gronden moet worden afgewezen.

  • 5. Het centraal stembureau schrapt het logo van een politieke groepering wanneer het de aanduiding van die politieke groepering schrapt, dan wel op verzoek van die politieke groepering.

  • 6. De artikelen G 1, achtste lid, G 2, achtste lid, G 4, Y 10 en Y 11 van de Kieswet zijn van overeenkomstige toepassing. Een geregistreerd logo van een politieke groepering werkt tevens niet door voor zover de aanduiding van de politieke groepering niet doorwerkt.

  • 7. Artikel G 5 van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing op een besluit dat is genomen op grond van dit artikel.

  • 8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop een logo wordt overgelegd.

Artikel 10

  • 1. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting van die maatregel, anders dan als experiment.

  • 2. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 3, tweede lid, worden tevens de criteria voor de evaluatie van de experimenten geregeld.

Artikel 11

De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:

1. In bijlage 1 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

Tijdelijke experimentenwet elektronische voorzieningen bij verkiezingen: artikel 9.

2. In artikel 1 van bijlage 2 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

Tijdelijke experimentenwet elektronische voorzieningen bij verkiezingen: artikel 2.

3. In artikel 2 van bijlage 2 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

Tijdelijke experimentenwet elektronische voorzieningen bij verkiezingen: artikel 9.

Artikel 12

In bijlage 1 en de artikelen 1 en 2 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht vervallen de zinsneden met betrekking tot de Tijdelijke experimentenwet elektronische voorzieningen bij verkiezingen.

Artikel 13

  • 1. Deze wet, met uitzondering van artikel 12, treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervalt vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.

  • 2. Artikel 12 treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop deze wet vervalt.

Artikel 14

Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke experimentenwet elektronische voorzieningen bij verkiezingen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,