Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-201433352 nr. E

33 352 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de verbetering van de aanpak van fraude met identiteitsbewijzen en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met verbetering van de regeling van de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden

E NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 4 maart 2014

1. Inleiding

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het nader voorlopig verslag met betrekking tot dit wetsvoorstel. De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de memorie van antwoord en hebben naar aanleiding daarvan nog enkele aanvullende vragen. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om hierna die vragen te beantwoorden.

2. Uitbreiding strafbaarstelling fraude met identiteitsbewijzen

Op de vraag van de leden van de fractie van de SP of het denkbaar is dat geslachtsverandering, zoals bedoeld in de Wet van 18 december 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens in verband met het wijzigen van de voorwaarden voor en de bevoegdheid ter zake van wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte1, onder omstandigheden aangemerkt zou kunnen worden als strafbare wijziging van biometrische kenmerken, is in de memorie van antwoord geantwoord dat dit inderdaad het geval kan zijn. Het zou geen strafbaar feit in de zin van artikel 231a Sr opleveren als er geen sprake is van kwade trouw. De leden van de SP-fractie vragen in dit verband wat de persoon die van geslacht is veranderd, kan doen om geen problemen te krijgen bijvoorbeeld bij grens- of andere controles.

Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand overeenkomstig het – bij de hiervoor aangehaalde wet – in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ingevoegde artikel 28b, eerste lid, het geslacht van betrokkene in zijn geboorteakte heeft veranderd, vervalt op grond van artikel 47, eerste lid, onder e, juncto artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet van rechtswege de geldigheid van het paspoort of de Nederlandse identiteitskaart. Het is immers van belang dat in die documenten die ook een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht zijn, dat gegeven correct vermeld staat. De houder dient zijn paspoort of Nederlandse identiteitskaart nadat de geslachtverandering is geformaliseerd, in te leveren en een nieuw document aan te vragen waarin zijn gewijzigde geslacht staat vermeld en uiteraard een gelijkende foto is opgenomen. Overigens wil een persoon wiens geslacht is gewijzigd, in de regel zo snel mogelijk een document met de nieuwe, juiste gegevens. Gelet op het vorenstaande schat ik de kans dat een persoon van wie het geslacht formeel is gewijzigd, zal gaan reizen of zich zal identificeren met zijn oude document en derhalve in de problemen komt bij een grenscontrole of een andere identiteitscontrole, nagenoeg nihil in.

3. BES-eilanden

De leden van de SP-fractie wijzen er voorts op dat afgesproken is dat, ingeval toepassing van nieuwe wetgeving ook op de BES-eilanden noodzakelijk wordt geacht, de bestuurscolleges van de BES-eilanden volgens de WolBES vooraf dienen te worden geïnformeerd, zodat zij in de gelegenheid zijn om daarover overleg te plegen. Deze leden zijn van mening dat indien de regering dat niet nodig vindt, zij een wetswijziging ook niet van toepassing dient te verklaren op de BES-eilanden.

Zij verwijzen in dit verband graag naar de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 december 2011 inzake de toezegging over het waarborgen van legislatieve terughoudendheid ten aanzien van de BES-eilanden2 en vragen of nog eens uitgelegd kan worden waarom die in het onderhavige geval niet is betracht.

Het is juist dat de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken in de hiervoor aangehaalde brief het belang heeft verwoord van legislatieve terughoudendheid ten aanzien van de BES-eilanden. Zij hechtte er gewicht aan dat deze eilanden gedurende ongeveer vijf jaar na de transitie op 10 oktober 2010 zouden kunnen wennen aan de nieuwe regelgeving waarmee zij rond dat jaar geconfronteerd werden. Tegelijk heeft zij aangegeven dat dat uitgangspunt niet absoluut is.

«Legislatieve terughoudendheid» betekent niet dat er in het geheel geen nieuwe regelgeving voor de BES-eilanden kan worden ingevoerd, maar dat vooral terughoudend dient te worden betracht met de totstandkoming van die wettelijke maatregelen die voor hen qua uitvoering belastend zijn. Een van de redenen om de wetgeving van de BES-eilanden aan te passen kan zijn dat zij onderhoud en verbeteringen vergt3. Van zo’n situatie is naar mijn mening in het onderhavige geval sprake. Gelet op het feit dat identiteitsfraude mondiaal steeds meer toeneemt, zijn er ook op de BES-eilanden strafrechtelijke instrumenten nodig met behulp waarvan adequaat tegen de dader van die vorm van fraude kan worden opgetreden als die zich voordoet. Burgers daar dienen hetzelfde niveau van strafrechtelijke bescherming te genieten tegen identiteitsfraude als de burgers in het Europese deel van Nederland. Vandaar dat de artikelen die in het Wetboek van Strafrecht BES verband houden met identiteitsfraude tot dusver gelijkluidend zijn aan de strafbaarstellingen die ter zake in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht zijn opgenomen en dat de aanpassingen en aanvullingen die bij dit wetsvoorstel in het Wetboek van Strafrecht van Nederland worden aangebracht, eveneens in het Wetboek van Strafrecht van de BES-eilanden worden verwerkt.

Tegen deze achtergrond zag ik geen aanleiding om in het onderhavige geval het openbaar bestuur van deze eilanden te informeren, alhoewel ik met de leden van de SP-fractie uiteraard belang hecht aan het verschaffen van informatie als dat aangewezen is. Niettemin ben ik bereid om toekomstige wijzigingen die in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht worden aangebracht waarvan het belangrijk is dat zij ook in het Wetboek van Strafrecht BES worden doorgevoerd, op hetzelfde moment waarop zij in Nederland aan de betrokken organisaties voor advies worden voorgelegd, aan de betrokken bestuurscolleges van de BES-eilanden of een instantie die voor deze representatief kan worden geacht, toe te sturen, opdat zij bijtijds zijn geïnformeerd en zo nodig overleg kunnen voeren.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Stb. 2014, 1.

X Noot
2

Kamerstukken I 2011/12, 33 000 VII, nr. C.

X Noot
3

Zie blz. 1 van de brief van 21 december 2011.