Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 mei 2013
Bij de plenaire behandeling van het Voorstel van wet van de leden Voordewind, Van
der Staaij, Bouwmeester en Bruins Slot houdende wijziging van de Drank- en Horecawet
teneinde enkele leeftijdsgrenzen te verhogen van 16 naar 18 jaar en de preventie en
handhaving te verankeren, heeft mevrouw Kooijman (SP) de regering verzocht het toezicht
op de naleving van de regels omtrent de leeftijdsgrens in rekening te brengen van
de alcoholsector. Mevrouw Keijzer (CDA) heeft gevraagd of het mogelijk is het aanbieden
van alcohol onder een bepaalde prijs, de zogenoemde happy hours, te verbieden.
Ik heb toegezegd de Tweede Kamer bij brief te informeren over de wijze waarop het
toezichtsysteem in elkaar zit en welke regels daaromtrent bestaan. Tevens heb ik toegezegd
samen met mijn collega van Economische Zaken te bespreken wat de mogelijkheden zijn
het stunten met prijzen voor alcoholhoudende dranken tegen te gaan. Hieronder ga ik
op beide toezeggingen in.
Uitgangspunten voor het doorberekenen van toezichtkosten
Het nationale kader voor de doorberekening van toezichtkosten is neergelegd in het
uit 1996 stammende rapport «Maat houden» (Stcrt. 2000, 90). Daarbij is het uitgangspunt dat preventieve of repressieve handhaving van wet-
en regelgeving uit de algemene middelen wordt gefinancierd. Toezichthandelingen van
de overheid die voor de onderneming een individueel toerekenbaar profijt opleveren
worden wel aan het bedrijfsleven doorberekend. Dit is bijvoorbeeld het geval bij toelating.
Een voorbeeld van toelating is het verlenen van erkenningen en vergunningen. Zo moeten
tattooshops een vergunning hebben om hun activiteiten te kunnen uitvoeren. De GGD
inspecteert of aan de eisen voor het verkrijgen van een vergunning is voldaan. Deze
kosten worden vervolgens doorberekend aan de eigenaar van de tattooshop. Preventieve
of repressieve inspecties die de NVWA vervolgens bij de tattooshops uitvoert worden
gefinancierd uit de algemene middelen.
Het toezichtsysteem bij de alcoholsector werkt volgens dezelfde principes.
De preventieve en repressieve inspecties, bijvoorbeeld om na te gaan of de leeftijdsgrenzen
goed worden nageleefd, worden uit de algemene middelen gefinancierd. Een uitzondering
betreft de doorberekening van de kosten die worden gemaakt bij het verstrekken van
een vergunning. Voor horeca en slijters geldt een vergunningstelsel. De kosten voor
het verstrekken van een vergunning worden door de gemeente verhaald op de eigenaar
van de slijterij of het café dat de vergunning aanvraagt, via de zogenaamde leges.
Er zijn enkele uitzonderingen op bovengenoemde uitgangspunten, bijvoorbeeld als Europese
regelgeving het anders voorschrijft. De uitzonderingen zijn in dit geval niet van
toepassing op de alcoholsector.
Van de verstrekkers van alcoholhoudende dranken verwacht ik vooral dat ze investeren
in maatregelen om de naleving op orde te brengen, zoals het goed opleiden van personeel,
het voorkomen van overlast en het drukken van folders en andere informatiematerialen.
Daarnaast zijn er boetebepalingen die oplopen naarmate de overtredingen oplopen.
Uitgangspunten voor prijsbeleid alcohol
Het uitgangspunt van de Drank- en Horecawet is dat het alcoholbeleid op lokaal niveau
wordt uitgevoerd, ook ten aanzien van het stunten met alcohol.
De gemeenteraad kan bij lokale verordening bepalen dat het stunten met prijzen voor
alcoholhoudende dranken niet is toegestaan.
In aanvulling op de lokale bevoegdheden kan ook de alcoholbranche zelf verantwoordelijkheid
nemen. Hiertoe ben ik in overleg met het Ministerie van Economische Zaken getreden.
Het Ministerie heeft uitgezocht welke kaders het mededingingsrecht aan de sector stelt
om gezamenlijke maatregelen te nemen om prijsacties met alcoholhoudende dranken tegen
te gaan. Het gaat daarbij immers om gezamenlijke afspraken, die mogelijk in strijd
komen met het kartelverbod uit de Mededingingswet. Of daadwerkelijk sprake is van
verboden afspraken, hangt van de specifieke economische en juridische omstandigheden
van het geval af.
De beoordeling of prijsacties onder het mededingingsrecht zijn toegestaan, ligt bij
de sector zelf. De mededingingswet gaat in eerste instantie uit van self-assesment.
Indien de Autoriteit Consument en Markt, die toezicht houdt op naleving van de Mededingingswet,
evenwel vermoedt dat er sprake is van verboden kartelafspraken, dan kan zij daarnaar
een onderzoek starten en optreden tegen overtredingen. Deze uitkomst zal met de alcoholsector
in het Directeuren Overleg Alcohol worden besproken.
De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.J. van Rijn