33 335 Regels met betrekking tot het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer en in het rechtsverkeer (Wet gebruik Friese taal)

C MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 13 september 2013

1. Inleiding

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/ Algemene Zaken en Huis van de Koning inzake het wetsvoorstel gebruik Friese taal. Het verheugt mij dat de leden van de VVD-fractie de inhoud van het wetsvoorstel instemmend begroeten en dat de leden van de CDA-fractie de doelstelling van het wetsvoorstel onderschrijven. Op de vragen van deze fracties ga ik in het navolgende, mede namens mijn ambtgenoot van Veiligheid en Justitie, graag in.

2. Fries in het bestuurlijk verkeer en in het rechtsverkeer

De leden van de VVD-fractie hebben een aantal vragen over de taalvaardigheidseisen die worden gesteld aan degenen die werkzaam zijn in het bestuurlijk verkeer en in het rechtsverkeer. Zij vragen zich af of die eisen voor alle functionarissen gelden en of er sprake is van een overgangstermijn. Ook vragen zij zich af wat de vaardigheidscriteria zijn, waar die zijn vastgelegd en wat de consequenties zijn als iemand niet aan deze criteria blijkt te voldoen, meer in het bijzonder bij gekozenen in het openbaar bestuur.

Vooropgesteld zij dat ook nu al regels zijn vastgelegd over het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer en het rechtsverkeer (de artikelen 2:7 tot en met 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk de Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer). Het is daarom niet nieuw dat (een deel van de) mensen die in deze domeinen werkzaam zijn de Friese taal in meer of mindere mate machtig moeten zijn indien zij werkzaam zijn in de provincie Fryslân of Fryslân als werkgebied hebben. De criteria die aan de taalvaardigheid worden gesteld, zijn niet geformaliseerd of gestandaardiseerd. In de praktijk wordt per functie gekeken welke Friese taalvaardigheid er vereist wordt om een functie goed te kunnen uitoefenen. Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen het passief (kunnen verstaan) en actief (kunnen spreken en eventueel lezen/schrijven) beheersen van het Fries. In het algemeen wordt van medewerkers niet gevraagd dat zij de Friese taal actief beheersen. In vacatures wordt wel regelmatig vermeld dat passieve beheersing van het Fries een pré is of kan er een positieve grondhouding ten aanzien van het Fries gevraagd worden, bijvoorbeeld de bereidheid om de taal te leren. In een enkel geval is het noodzakelijk om het Fries machtig te zijn, bijvoorbeeld bij een receptiefunctie. Cursussen kunnen hierbij uitkomst bieden. Het is bekend dat een aantal gemeenten in de provincie Fryslân taalcursussen aanbiedt aan hun medewerkers, op verschillende niveaus. De faciliteiten om het Fries te leren zijn in ieder geval ruimschoots aanwezig.

Het onderhavige wetsvoorstel voorziet niet in (rechtspositionele) consequenties indien een medewerker, werkzaam op het terrein van het bestuurlijk verkeer en rechtsverkeer, de Friese taal niet beheerst. Er zijn mij ook geen gevallen bekend waarbij er in de praktijk consequenties worden verbonden aan het feit dat een medewerker de Friese taal niet (voldoende) machtig is.

Van gekozenen in het openbaar bestuur wordt niet geëist dat zij de Friese taal machtig zijn. Het is evident dat (in ieder geval) passieve beheersing van de Friese taal tot aanbeveling strekt voor wie op bestuurlijk niveau in de provincie Fryslân actief wil zijn. Er bestaat ook een praktijk dat gekozenen lessen Fries volgen indien zij de taal niet of niet in voldoende mate beheersen. De bereidheid en inspanning om het Fries te leren volstaat echter.

Een andere vraag van de VVD-fractie is of het Rijk of de provincie verantwoordelijk is voor de borging van de kwaliteitseisen en het stellen van criteria aan het onderwijs in de Friese taal en of het toezicht hierop integraal onder de onderwijsinspectie valt of dat ook de provincie daarin wordt betrokken.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt de kwaliteitseisen voor het onderwijs vast. Voor wat betreft het funderend onderwijs vloeit dit onder andere voort uit de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra en voor het hoger onderwijs vloeit dit voort uit de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Scholen zijn primair verantwoordelijk voor de eigen kwaliteit. Daarop wordt toezicht gehouden door de Inspectie van het Onderwijs onder verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Wel kan in dit verband nog worden vermeld dat er een wetsvoorstel is ingediend bij de Tweede Kamer dat er toe strekt de vaststelling van de kerndoelen Fries in het onderwijs onder voorwaarden bij de provincie Fryslân te beleggen1.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering er niet voor heeft gekozen om de opneming van het Fries als officiële taal te regelen in de Algemene wet bestuursrecht.

Doel van het wetsvoorstel is te komen tot één integrale wet over het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer en in het rechtsverkeer. Dit betreft dus niet alleen het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer en gaat derhalve de reikwijdte van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te buiten. Artikel 31a van het wetsvoorstel voorziet er daarom in dat de huidige bepalingen in de Awb over het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer vervallen, omdat deze worden overgeheveld naar de nieuwe Wet gebruik Friese taal. Daarbij is mede van belang dat het krachtens dit wetsvoorstel in te stellen Orgaan voor de Friese taal taken zal hebben op het terrein van zowel het bestuurlijk verkeer als het rechtsverkeer.

3. Eedbepalingen in het Fries

De leden van de CDA-fractie vragen waarom in hoofdstuk 5 van het wetsvoorstel niet eveneens zijn opgenomen de Friese formuleringen inzake eed en belofte, zoals thans in het Nederlands geformuleerd in de Wet beëdiging Ministers en leden Staten-Generaal, respectievelijk de Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning.

Ingevolge artikel 10 van het wetsvoorstel gebruik Friese taal is hij die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, bevoegd in plaats van de wettelijk voorgeschreven woorden de daarmede in de Friese taal overeenkomende woorden uit te spreken. Het tweede lid van artikel 10 regelt de formulering die moet worden gebruikt door degene die de eed, belofte of bevestiging in het Fries aflegt. Deze bepaling is niet territoriaal beperkt tot de provincie Fryslân, dus overal in Nederland mag degene die beëdigd wordt de Friese formulering gebruiken. Er is dus geen belemmering voor degene die op grond van de door de CDA-fractie genoemde wetten een eed, belofte of bevestiging moet afleggen om dit in de Friese taal te doen. Het voorgestelde artikel 10 is overgenomen uit artikel 1 van de huidige Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer (met dien verstande, dat de in die bepaling nog opgenomen uitzondering voor het geval de woorden van de eed, belofte of bevestiging (mede) bij de Grondwet zijn vastgesteld, is geschrapt).

De eedbepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het wetsvoorstel zien op gevallen waarin het afleggen van de eed ook op locaties binnen de provincie Fryslân kunnen plaatsvinden, waar zowel Fries als Nederlands als officiële talen gelden. De beëdiging van Ministers en Kamerleden en de beëdiging en inhuldiging van de Koning vindt echter altijd buiten de provincie Fryslân plaats, waar het Fries niet als officiële taal geldt. Om die reden is er niet voor gekozen de wetgeving die ziet op die eden aan te passen in die zin dat de Friese bewoordingen worden vastgelegd.

4. Het Nedersaksisch

De leden van de VVD-fractie stellen een aantal vragen over de bescherming van het Nedersaksisch en de positie van de rijksoverheid en de provinciale overheden hierin. Voorts wordt gevraagd of het hierbij gaat om het Nedersaksisch als een verzamelbegrip, of dat dit (ook) geldt voor de vele te onderscheiden Nedersaksische dialecten.

Het Nedersaksisch is erkend als streektaal onder deel II van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Hiermee erkent de regering de streektaal Nedersaksisch als een verrijking van ons cultureel erfgoed en dit brengt inspanningsverplichtingen voor de Nederlandse overheid met zich mee. De rol om het Nedersaksisch verder te bevorderen is hoofdzakelijk bij de decentrale overheid belegd. Een belangrijke reden hiervoor is dat het Nedersaksisch een niet-gestandaardiseerde taal is. De streektaal, zoals die erkend is onder deel II van het Europees Handvest, is inderdaad een verzamelbegrip die uiteenlopende varianten kent, waaronder het IJssellands, het Gronings, het Achterhoeks, het Urks, het Drents, het Veluws, het Stellingwerfs, het Twents en het Sallands.2 Gezien deze verschillen, is ervoor gekozen om de bevordering van het Nedersaksisch bij de decentrale overheid te beleggen, die het dichtst bij de streektaal sprekende burger staat en zo de daar levende behoeften het beste kan inschatten. De provincies en gemeenten die het Nedersaksisch bevorderen, worden door de regering uitgenodigd om die inspanningen te continueren en indien mogelijk uit te breiden.

De variëteit binnen de streektaal Nedersaksisch heeft ook tot gevolg dat het problematisch is ter zake uniform rijksbeleid te voeren. Daarbij wordt dit door de regering, mede gezien de wens tot het leveren van maatwerk door de decentrale overheden, ook niet wenselijk geacht. Voor wat betreft het onderwijs geldt dat het Rijk geen onderwijsbeleid met betrekking tot het Nedersaksisch voert en dat er ook geen voornemens zijn om een dergelijk beleid te gaan voeren. De bevoegdheid om onderwijsbeleid vast te stellen is overigens specifiek bij het Rijk belegd; de decentrale overheden hebben hiertoe geen bevoegdheid.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Kamerstukken II 2012/13, 33 618, nrs. 1–3)

X Noot
2

Herweijer, M & Jans, J.H., Nedersaksisch waar het kan, blz. 2, Groningen, 2009.

Naar boven