Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333329 nr. 5

33 329 Wijziging van de Wet op de naburige rechten in verband met de omzetting van Richtlijn 2011/77/EU van het Europees Parlement en de Europese Raad van 27 september 2011 tot wijziging van de Richtlijn 2006/116/EG betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en bepaalde naburige rechten

Nr. 5 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 24 april 2013

Algemeen

1. Inleiding

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de opmerkingen en vragen van de leden van de fracties van VVD, PvdA, PVV, SP, CDA en D66. De vragen die deze leden hebben gesteld, beantwoord ik hieronder.

Het wetsvoorstel strekt tot implementatie van Richtlijn 2011/77/EU van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 tot wijziging van de Richtlijn 2006/116/EG betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en bepaalde naburige rechten (hierna: wijzigingsrichtlijn). De wijzigingsrichtlijn moet op 1 november 2013 in Nederlands recht zijn omgezet. Zij verlengt de beschermingstermijn van de naburige rechten van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen van 50 naar 70 jaar. Artikel 1 onderdeel c Wet op de naburige rechten bepaalt dat een fonogram is: iedere opname van uitsluitend geluiden van een uitvoering of andere geluiden. Uit artikel 1, onderdeel b van de Wet op de naburige rechten volgt dat opnemen is: geluiden voor de eerste maal vastleggen. Daaronder moeten mastertapes worden verstaan, maar ook vastleggingen in de zin van opnamen die een klankbewerking hebben ondergaan. Het laatste is bijvoorbeeld aan de orde in het geval van remastering. Voor de aanvang van de beschermingstermijn is telkens beslissend het moment waarop het eerste, originele fonogram werd gemaakt.

Voor de verlenging van de beschermingstermijn zijn door de Europese Commissie in elk geval twee redenen aangevoerd. De eerste is dat uitvoerende kunstenaars worden geconfronteerd met wat in de wijzigingsrichtlijn een inkomensgat wordt genoemd. Gedoeld wordt op de omstandigheid dat de uitvoerende kunstenaars bij de bestaande beschermingstermijn niet gedurende hun hele leven kunnen (mee)profiteren van de opbrengst die met hun uitvoering kan worden gegenereerd. Uitvoerende kunstenaars beginnen hun carrière gewoonlijk op jonge leeftijd terwijl mensen steeds ouder worden. Daardoor neemt het aantal gevallen toe waarin bij het verstrijken van de bestaande beschermingstermijn van 50 jaar de uitvoerende kunstenaar nog in leven is. Doordat deze termijn verlengd wordt naar 70 jaar kan de uitvoerende kunstenaar gedurende een groter deel van zijn leven over een inkomstenbron beschikken, zo wordt in de richtlijn aangegeven. De tweede reden is dat het geld dat de fonogrammenproducenten in de verlengde termijn ontvangen kan worden besteed aan de ontwikkeling van nieuw talent.

Naast de verlenging van de beschermingstermijn beoogt de richtlijn de instelling van een fonds waaruit sessiemuzikanten die bij de opname van een fonogram voor een eenmalig bedrag afstand van hun rechten hebben gedaan een aanvullende vergoeding kunnen ontvangen. De gedachte waarop de instelling van dit fonds berust is dat dit ook de sessiemuzikanten die voor een eenmalig bedrag zijn afgekocht in de gelegenheid stelt mee te profiteren van de verlengde beschermingstermijn.

Een belangrijk gedeelte van de door de leden van bovengenoemde fracties gestelde vragen heeft betrekking op dit fonds. Die vragen betreffen meer in het bijzonder het punt wanneer sessiemuzikanten recht hebben op een aanvullende vergoeding uit het fonds alsmede of actief moet worden gezocht naar sessiemuzikanten die recht hebben op een aanvullende vergoeding.

De wijzigingsrichtlijn stelt slechts dat een fonds moet worden ingesteld dat moet worden beheerd door een daartoe aangewezen rechtspersoon alsmede dat in dat fonds door de rechthebbenden tot de exploitatie van een fonogram ouder dan 50 jaar waaraan sessiemuzikanten hebben meegewerkt in de verlengde beschermingstermijn jaarlijks 20% van de met dat fonogram behaalde inkomsten moet worden gestort. Voor het overige bevat de wijzigingsrichtlijn geen regeling. Teneinde het fonds zo goed mogelijk uitvoerbaar te maken, is om informatie gevraagd aan SENA, het Platform Makers en de NVPI. Het Platform Makers is het samenwerkingsverband van belangen- en beroepsorganisaties van auteurs en uitvoerende kunstenaars. De NVPI is de branchevereniging van de entertainmentindustrie. Uit de verstrekte informatie volgt dat mede in het licht van de te vooralsnog te verwachten geringe instroom in het fonds een praktische benadering wenselijk is. Het lijkt aangewezen de belangrijkste elementen van die benadering uiteen te zetten alvorens toe te komen aan de beantwoording van de afzonderlijke vragen die door de betreffende leden zijn gesteld.

Het verkrijgen van een aanvullende vergoeding uit het fonds, dat zal worden beheerd door SENA, is mogelijk indien aan drie voorwaarden is voldaan, namelijk: (i) de uitvoerende kunstenaar heeft meegewerkt aan een uitvoering en zijn rechten op die uitvoering tegen een éénmalig bedrag overgedragen, (ii) de betreffende uitvoering is opgenomen op een fonogram en (iii) 50 jaar zijn verstreken nadat het fonogram is openbaar gemaakt dan wel op andere wijze rechtmatig in het verkeer gebracht.

Deze voorwaarden volgen uit het in dit wetsvoorstel voorgestelde artikel 9b Wet op de naburige rechten. Met die bepaling wordt artikel 1 lid 2 sub c van de wijzigingsrichtlijn geïmplementeerd. Dat artikel introduceert op zijn beurt een nieuw artikel 3 lid 2ter van de richtlijn naburige rechten (Richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten, Pb. L 372/12). Daarin staat: «Wanneer in een contract houdende overdracht of toekenning aan de uitvoerende kunstenaar het recht op een niet-periodieke vergoeding wordt toegekend, heeft de uitvoerende kunstenaar recht op een jaarlijkse aanvullende vergoeding van de producent van fonogrammen voor ieder volledig jaar direct volgend op het 50ste jaar nadat het fonogram op geoorloofde wijze is gepubliceerd of, indien het fonogram niet op geoorloofde wijze is gepubliceerd, het 50ste jaar nadat het op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld.

De aanvullende vergoeding die kan worden verkregen indien aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan, behelst 20% van de jaarlijkse inkomsten die met het betreffende fonogram in de verlengde termijn worden behaald. Dat bedrag moet in het fonds worden gestort. De passage dat de uitvoerende kunstenaar recht heeft op een aanvullende vergoeding van de producent van fonogrammen moet niet zodanig worden begrepen dat altijd de oorspronkelijke fonogrammenproducent de vergoeding verschuldigd is. Juist voor oudere fonogrammen is het gebruikelijk dat in de loop der jaren licentiëring en herlicentiëring plaatsvindt of de rechten van de producent worden overgedragen. Wanneer de oorspronkelijke fonogrammenproducent altijd de vergoeding verschuldigd zou zijn, zou dat leiden tot de onredelijke situatie dat de partij die niet (langer) over het exploitatierecht beschikt wel de aanvullende vergoeding moet betalen. Aldus moet als verschuldigde tot de afdracht van de met het fonogram behaalde inkomsten worden beschouwd degene die in Nederland het recht heeft om het fonogram te exploiteren op het moment van de betalingsplicht. Dit kunnen ook meerdere partijen zijn, bijvoorbeeld de producent en de licentiehouder. In het navolgende zal ten aanzien van het fonds daarom worden gesproken van «degenen die zijn gerechtigd tot de exploitatie van het fonogram.»

Het in dit wetsvoorstel voorgestelde artikel 15g lid 1 Wet op de naburige rechten bepaalt dat een daartoe aan te wijzen rechtspersoon met uitsluiting van anderen is belast met de inning en de verdeling van de aanvullende vergoeding. Deze rechtspersoon is SENA. Aldus vertegenwoordigt SENA in die hoedanigheid de uitvoerende kunstenaars die recht hebben op een aanvullende vergoeding wat betreft de vaststelling en de inning van die vergoeding. Hieruit vloeit voort dat de aanvullende vergoeding uit het fonds moet worden aangemerkt als een vorderingsrecht jegens SENA van de uitvoerende kunstenaar die recht op de aanvullende vergoeding heeft. Het uitgangspunt van het recht is dat hij die een vordering stelt te hebben, daarvoor bewijs moet leveren (vgl. artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De sessiemuzikant die meent een vorderingsrecht jegens SENA te hebben moet dat in beginsel dus zelf bewijzen. Dat kan door genoegzaam jegens SENA aan te tonen dat hij aan het fonogram – of eigenlijk de daarop opgenomen uitvoering – heeft meegewerkt en daarbij voor een eenmalig bedrag is afgekocht. Ten aanzien van de fonogrammen die nog op uitgebreide schaal worden geëxploiteerd geldt overigens dat de sessiemuzikanten die daaraan hebben meegewerkt maar daarbij voor een eenmalig bedrag zijn afgekocht veelal bij SENA bekend zijn.

In dit wetsvoorstel is er dus niet voor gekozen om SENA of de rechthebbenden tot de exploitatie van het fonogram te verplichten om de sessiemuzikanten die recht hebben op een aanvullende vergoeding actief te achterhalen. Dit zou niet stroken met het uitgangspunt dat wie een vordering stelt te hebben, daarvoor ook het bewijs moet leveren. Bovendien zou het tot gevolg kunnen hebben dat de lasten van het achterhalen van de betreffende sessiemuzikanten in bepaalde gevallen de vergoeding overstijgen. Daarmee zou voorbij worden gegaan aan het doel van de wijzigingsrichtlijn, namelijk het bewerkstelligen van een aanvullende vergoeding voor uitvoerende kunstenaars die voor een éénmalig bedrag zijn afgekocht.

In de gekozen opzet van het fonds zal tevoren niet duidelijk zijn hoeveel sessiemuzikanten op het fonds een beroep zullen doen. In dat kader ligt de volgende gang van zaken voor de hand. In het geval van fonogrammen uit de periode ouder dan 50 jaar waaraan sessiemuzikanten hebben meegewerkt waarvan de gegevens bekend zijn, storten de rechthebbenden tot de exploitatie van die fonogrammen elk jaar 20% van de inkomsten die zij met die fonogrammen behalen in het fonds. Daarbij geven zij aan om welke fonogrammen het gaat en welke inkomsten met de betreffende fonogrammen zijn behaald en welke sessiemuzikanten recht hebben op de aanvullende vergoeding. De betreffende gelden kunnen dan door SENA worden gereparteerd over de betreffende sessiemuzikanten.

In het geval van fonogrammen waarvan onbekend is of er sessiemuzikanten aan hebben meegewerkt die tegen een eenmalig bedrag zijn afgekocht alsmede in het geval van fonogrammen waaraan tegen een eenmalige vergoeding sessiemuzikanten hebben meegewerkt van wie de gegevens onbekend zijn, storten de rechthebbenden tot de exploitatie ook 20% van de met deze fonogrammen behaalde inkomsten in het fonds. Op dat moment is echter nog niet bekend aan wie de betreffende gelden zullen moeten worden gereparteerd. Het kan dan ook voorkomen dat zich geen sessiemuzikant meldt die recht heeft op een aanvullende vergoeding. Omdat aan een fonogram veelal meerdere sessiemuzikanten meewerken, bestaat voorts de mogelijkheid dat niet alle sessiemuzikanten een vergoeding uit het fonds claimen of dat niet op hetzelfde moment doen. Aldus ligt het voor de hand dat de sessiemuzikanten die wel hebben geclaimd de aanvullende vergoeding ontvangen volgens een vaste verdeelsleutel. Indien zich voor het einde van de door SENA in het repartitiereglement vast te stellen termijn waarbinnen de vordering tot een aanvullende vergoeding kan worden aangemeld vervolgens (andere) sessiemuzikanten melden met een bewijsbaar recht op een aanvullende vergoeding dan wel erfgenamen van dergelijke sessiemuzikanten, kunnen zij de aanvullende vergoeding ook ontvangen. Indien zich geen (andere) sessiemuzikanten melden, kunnen de gelden die overblijven worden verdeeld over degenen die al hadden geclaimd nadat zij gedurende een bepaalde termijn gereserveerd zijn gebleven. Deze werkwijze wordt thans ook al door SENA gevolgd ten aanzien van de uitvoerende kunstenaars waarover zij vergoedingen verdeelt: vergoedingen die niet kunnen worden uitgekeerd blijven op grond van het repartitiereglement gedurende vijf jaar gereserveerd.

Indien zich met betrekking tot een bepaald fonogram in het geheel geen personen melden met een bewijsbaar recht op een aanvullende vergoeding, geldt dat de gelden die door de tot betaling verschuldigden in het fonds zijn gestort na de reserveringstermijn aan hen kunnen worden gerestitueerd. Eventueel zouden die gelden dan met instemming van degenen die ze hebben gestort kunnen worden verdeeld over alle sessiemuzikanten.

Overweging 12 van de wijzigingsrichtlijn biedt voor de hiervoor omschreven werkwijze ruimte nu daarin is opgenomen dat de nationale voorschriften inzake niet verdeelbare gelden mogen worden toegepast.

De leden van de PVV fractie vragen welke bezwaren er aan de wijzigingsrichtlijn kleven.

De leden van de D66-fractie vragen wat de positie van Nederland was in de onderhandelingen die hebben geleid tot de richtlijn. Zij willen weten of de Nederlandse overheid een voortrekker was of juist lange tijd kritisch. Ook willen deze leden vernemen hoe eerdere versies van de richtlijn eruit zagen.

Op 23 september 2008 is er een BNC-fiche aan uw Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2008/09, 22 112, nr. 705) Daarin werd de positie van het toenmalige kabinet ten aanzien van het richtlijnvoorstel beschreven. In het fiche is uiteengezet dat Nederland niet overtuigd was van de economische of culturele noodzaak van de verlenging van de beschermingsduur zoals die in het voorstel voor de wijzigingsrichtlijn was voorzien. Door de verlenging van de beschermingstermijn komen muziekwerken later beschikbaar in het publieke domein. Voor Nederland was niet duidelijk of de inkomensverbetering van de uitvoerende kunstenaar door de verlenging zou opwegen tegen dit later vrijkomen van muziekwerken in het publieke domein. In het fiche is voorts aangegeven dat Nederland van mening was dat ten aanzien van de inrichting en het beheer van het fonds voor uitvoerende kunstenaars waarin de wijzigingsrichtlijn voorziet veel onduidelijkheden bestonden. Om deze reden is in het fiche aangegeven dat Nederland zich kritisch ten aanzien van de wijzigingsrichtlijn zou opstellen. Zowel uw Kamer als de Eerste Kamer steunden die positie.

Tijdens de onderhandelingen over de wijzigingsrichtlijn heeft Nederland gevraagd welk interne marktprobleem met het voorstel voor de richtlijn werd opgelost alsmede wat het voorstel de uitvoerende kunstenaar zou opleveren. Nederland heeft zich in het bijzonder kritisch opgesteld ten aanzien van de omvang van de verlenging van de duur van de bescherming. In eerste instantie voorzag het voorstel voor de wijzigingsrichtlijn in een verlenging van 50 naar 95 jaar. Een meerderheid van de lidstaten, waaronder Nederland, vond die verlenging te ver gaan. Dat leidde ertoe dat door het toenmalige voorzitterschap uiteindelijk een compromis is voorgesteld inhoudend een verlenging van de beschermingsduur van naburige rechten van zowel uitvoerende kunstenaars als van fonogrammenproducenten van 50 jaar naar 70 jaar. Dat compromis is uiteindelijk aanvaard door de benodigde meerderheid van de lidstaten. Nederland maakte daarvan echter geen deel uit. Nederland was van mening dat de verlengde beschermingstermijn zich slechts tot uitvoerende kunstenaar zou moeten uitstrekken aangezien dit zou stroken met de doelstelling van de wijzigingsrichtlijn om de positie van de uitvoerende kunstenaar te versterken. Nederland zag voor een verlenging van de beschermingstermijn van de fonogrammenproducent geen aanleiding omdat deze met 50 jaar voldoende tijd heeft gehad om zijn investering terug te verdienen.

In de verdere onderhandelingen over de wijzigingsrichtlijn is een aantal onduidelijkheden helaas niet weggenomen. Hierboven kwam al aan de orde dat een belangrijk deel van de onduidelijkheid betreft de inrichting en het beheer van het fonds voor sessiemuzikanten; de richtlijn bevat daaromtrent slechts summiere bepalingen. Een van de belangrijkste punten was daarbij de wijze waarop sessiemuzikanten die recht menen te hebben op een aanvullende vergoeding uit het fonds dat recht kunnen effectueren. Hoe dat gaat, is hierboven reeds uiteengezet. Op de overige aspecten zal ik ingaan bij de beantwoording van de vragen die op die aspecten betrekking hebben.

De leden van de fractie van D66 vragen of het klopt dat Nederlandse uitvoerende kunstenaars minder vaak worden geconfronteerd met een inkomensgat omdat het in Nederland gebruikelijk is om een (aanvullend) pensioen op te bouwen.

Met de verlenging van de beschermingsduur beoogt de wijzigingsrichtlijn te bereiken dat uitvoerende kunstenaars voor langere tijd kunnen (mee)profiteren van de opbrengsten die met een fonogram worden gegenereerd. Dit is een ander doel dan het doel dan het doel dat gewoonlijk ten grondslag ligt aan het opbouwen van een (aanvullend)pensioen, dat is namelijk te garanderen dat men nadat men is gestopt met werken over een voldoende en stabiel inkomen kan beschikken. Het verschil is daarin gelegen dat het bij de verlengde beschermingsduur gaat om het meeprofiteren van de eventuele opbrengst, waarvan niet zeker is dat deze wordt gegenereerd, terwijl het bij een (aanvullend) pensioen gaat om een reserve die gedurende het werkzame leven wordt opgebouwd. Van een verband tussen het opbouwen van een (aanvullend) pensioen en het gedurende langere tijd profiteren van de met het fonogram gegenereerde opbrengsten is aldus geen sprake. Er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat het opbouwen van een (aanvullend) pensioen ertoe leidt dat minder behoefte bestaat aan een aanvullende vergoeding.

2. Verlenging van de beschermingsduur en reikwijdte van de richtlijn

De leden van de VVD-fractie vragen hoe vaak het gebeurt dat een kunstenaar op jonge leeftijd iets heeft geproduceerd en na 50 jaar wordt geconfronteerd met het door de makers van de richtlijn gevreesde inkomensgat. Zij willen weten of de verwachting is dat deze ontwikkeling nog zal toenemen nu de leeftijd waarop met succes elektronische muziek ten gehore kan worden gebracht steeds verder lijkt te dalen.

Een antwoord op de vraag hoeveel uitvoerende kunstenaars thans (potentieel) onder de reikwijdte van de richtlijn vallen is niet in algemene zin te geven. Ook het impact assessment van de Europese Commissie geeft hierover geen duidelijkheid. Opnamen van uitvoerende kunstenaars die niet meer populair zijn, zullen in de regel niet meer worden geëxploiteerd. In dat geval wordt met die opnamen ook geen opbrengst gegenereerd. De uitvoerende kunstenaar loopt dan ook geen inkomen mis. Van de wijzigingsrichtlijn zullen vooral uitvoerende kunstenaars profiteren van wie de opnamen na 50 jaar nog populair zijn. Voor uitvoerende kunstenaars die hebben meegewerkt aan repertoire waarvoor de 50-jaar termijn nu reeds is verstreken, geldt dat dit repertoire dateert van voor 1963.

Hoewel moet worden aangetekend dat het aanbod op de radio niet zonder meer representatief is, kan bij bestudering van het huidige radio-aanbod worden geconstateerd dat het aandeel van het repertoire uit de periode ouder dan 50 jaar beperkt is. Het aantal kunstenaars dat wordt geconfronteerd met de in de richtlijn bedoelde gemiste inkomsten lijkt thans dan ook beperkt.

Ten aanzien van de vraag betreffende de relatie tussen de steeds jongere leeftijd waarop met succes elektronische muziek ten gehore kan worden gebracht en het moment waarop de beschermingstermijn eindigt, geldt het volgende. De beschermingstermijn gaat in met ingang van 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de opname op rechtmatige wijze in het verkeer wordt gebracht of is openbaar gemaakt (vgl. het voorgestelde artikel 12 lid 3 Wet op de naburige rechten). De bestaande beschermingstermijn loopt gedurende 50 jaar. De gewijzigde beschermingstermijn zal gedurende 70 jaar lopen. De gewijzigde termijn verandert niets aan de wetmatigheid dat hoe jonger de uitvoerende kunstenaar is wanneer de beschermingstermijn een aanvang neemt, hoe jonger hij is wanneer de beschermingstermijn afloopt. Met de gewijzigde beschermingstermijn van 70 jaar zal het in de meeste gevallen echter zo zijn dat de uitvoerende kunstenaar gedurende het grootste deel van zijn leven kan profiteren van zijn naburige rechten.

De leden van de fracties van VVD en CDA vragen om een bevestiging dat het onderscheid tussen bescherming van 50 en 70 jaar de vraag betreft of bij de vastlegging sprake is van beelden. Deze leden veronderstellen dat wanneer sprake is van beelden (al dan niet met geluid) de bescherming 50 jaar blijft, maar wanneer sprake is van geluid zonder beelden de beschermingsduur 70 jaar wordt. De leden van de PvdA-fractie hebben een vraag van gelijke aard. Zij willen weten waarom dit onderscheid is gemaakt alsmede of daarover misverstand mogelijk is. Ook de leden van de SP-fractie vragen waarom de verlenging niet ziet op andere muziekwerken en films.

De verlengde beschermingstermijn geldt slechts voor fonogrammen en op fonogram vastgelegde uitvoeringen. Daarmee geldt zij alleen voor geluidsopnamen zonder beelden en niet voor andere door naburige rechten beschermde werken, zoals vastleggingen waarbij sprake is van beelden. De beschermingstermijn voor naburige rechten op vastleggingen waarbij sprake is van beelden blijft 50 jaar en de beschermingstermijn voor naburige rechten op vastleggingen waarbij geen sprake is van beelden wordt 70 jaar.

Het onderscheid tussen vastleggingen met en zonder beelden wordt door sommigen als enigszins arbitrair beschouwd (zie bijvoorbeeld S.J. van Gompel, AMI 2008–6, p. 169–180) en is tijdens de onderhandelingen over de richtlijn aan de orde gesteld. De Europese Commissie heeft daarbij aangegeven dat zij had vastgesteld dat de positie van producenten van fonogrammen en artiesten van op fonogrammen vastgelegde uitvoeringen in economisch, juridisch en sociaal opzicht afwijkt van de positie van omroepen, filmproducenten en overige uitvoerende kunstenaars. Het verschil is met name daarin gelegen dat juist de muziekindustrie voor de richtlijn tot stand kwam verlies had geleden als gevolg van peer-to-peer gebruik en zich daardoor geconfronteerd had gezien met een beperking van de mogelijkheden om in nieuw talent te investeren. De richtlijn beoogt op dit punt een compensatie te bieden. Tijdens de verdere loop van de onderhandelingen is door omroepen, filmproducenten en overige uitvoerende kunstenaars niet (meer) kenbaar gemaakt dat zij desondanks onder de reikwijdte van de wijzigingsrichtlijn wilden vallen.

3. Aanvullende maatregelen

De wijzigingsrichtlijn voorziet in de instelling van een fonds waaruit uitvoerende kunstenaars een jaarlijkse vergoeding kunnen krijgen indien zij bij de opname van hun uitvoering voor een éénmalig bedrag afstand van hun rechten hebben gedaan.

De leden van de VVD-fractie merken op dat het volgens het voorgestelde artikel 9b gaat om uitvoerende kunstenaars die aan het betreffende fonogram hebben meegewerkt. Deze leden merken op dat pas ten minste 50 jaar na dato door een artiest aanspraak op het fonds kan worden gemaakt. In veel gevallen zou het dan gaan om erfgenamen omdat de betreffende artiest al is overleden. Deze leden vragen of het zo is dat het voorgestelde artikel 9b strikt dient te worden geïnterpreteerd dan wel of sessiemuzikanten meer in het algemeen aanspraak kunnen maken op het fonds. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen of sessiemuzikanten die zijn afgekocht pas na 50 jaar aanspraak kunnen maken op het fonds. Zij willen weten of dit een beoogd effect van de wijzigingsrichtlijn was en vragen naar de reden daarvoor.

Deze leden verwijs ik graag naar hetgeen hierboven in het algemene deel is uiteengezet met betrekking tot de vormgeving van het fonds. Daaruit volgt dat het inderdaad zo is dat uitvoerende kunstenaars pas 50 jaar na dato aanspraak op het fonds kunnen maken. In het geval de uitvoerende kunstenaar op dat moment is overleden, kunnen zijn erfgenamen op de vergoeding aanspraak maken. Dat vloeit voort uit de omstandigheid dat de aanspraak op de aanvullende vergoeding moet worden beschouwd als een vorderingsrecht. Erfopvolging leidt tot verkrijging onder algemene titel (artikel 3:80 lid 2 BW). Daardoor treden de erfgenamen in de rechten van de erflater. Aldus treden de erfgenamen van een uitvoerende kunstenaar met aanspraak op een aanvullende vergoeding in diens rechten en kunnen zij de aanspraak op de aanvullende vergoeding doen gelden.

De reden voor de keuze om slechts uitvoerende kunstenaars onder de reikwijdte van het fonds te laten vallen waarvan de fonogrammen 50 jaar geleden op rechtmatige wijze in het verkeer zijn gebracht of openbaar zijn gemaakt is dat zij op deze wijze kunnen meeprofiteren van de verlengde beschermingstermijn. Ten aanzien van uitvoerende kunstenaars van wie de fonogrammen van hun uitvoeringen minder dan 50 jaar geleden op rechtmatige wijze in het verkeer zijn gebracht of openbaar gemaakt geldt dat zij nog in de bestaande beschermingstermijn vallen. Verondersteld moet worden dat het bedrag waarvoor zij worden afgekocht zich over die termijn uitstrekt.

De leden van de fractie van de PvdA vragen voorts wie aanspraken op het fonds kunnen maken. Deze leden wensen te vernemen of het uitvoerende kunstenaars betreft uit landen die partij zijn bij de Conventie van Rome, dan wel ook uitvoerende kunstenaars uit andere landen.

Ik begrijp de vraag van deze leden aldus dat zij wensen te vernemen of uitvoerende kunstenaars zijn beschermd als hun uitvoeringen zijn vastgelegd op fonogrammen die uit hoofde van artikel 32 lid 2 van de Wet op de naburige rechten beschermd zijn. Het antwoord op deze vraag luidt gelet op het bepaalde in artikel 32 lid 1 onderdeel b van de Wet op de naburige rechten bevestigend; zelfs wanneer die uitvoerende kunstenaars geen onderdanen zijn van landen die bij de Conventie van Rome zijn aangesloten genieten zij bescherming. Dit is nadrukkelijk zo geregeld in die Conventie van Rome, waarbij Nederland partij is. Uitvoerende kunstenaars die aldus voor bescherming in aanmerking komen, kunnen aanspraak maken op de bescherming waarin de Wet op de naburige rechten voorziet, waaronder, maar niet beperkt tot, het fonds. Uiteraard dienen de uitvoerende kunstenaars voor een beroep op het fonds nog te voldoen aan de daarvoor geldende vereisten die behelzen dat (i) de uitvoerende kunstenaar heeft meegewerkt aan een uitvoering en zijn rechten op die uitvoering tegen een éénmalig bedrag overgedragen, (ii) de betreffende uitvoering is opgenomen op een fonogram en (iii) dat 50 jaar zijn verstreken nadat het fonogram is openbaar gemaakt dan wel op andere wijze rechtmatig in het verkeer gebracht.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts hoe invulling gegeven gaat worden aan de rechten die sessiemuzikanten op uitkeringen uit het fonds hebben. Zij duiden daarbij op het probleem dat mogelijk kan ontstaan als bijvoorbeeld na 50 jaar nog informatie moet worden verkregen over gerechtigde sessiemuzikanten. Deze leden willen weten hoe een platenmaatschappij kan weten wie gerechtigde is. Zij vragen of platenmaatschappijen voor individuele opnamen die artiesten moeten gaan zoeken en wensen te vernemen of dit wenselijk en praktisch uitvoerbaar wordt geacht.

Ik verwijs deze leden graag naar hetgeen hierboven in het algemene deel is opgemerkt ten aanzien van de vormgeving van het fonds. In de gekozen opzet rust op platenmaatschappijen geen verplichting tot het actief achterhalen van individuele uitvoerende kunstenaars die tegen een eenmalig bedrag zijn afgekocht.

De leden van de PVV-fractie merken op dat wordt voorgesteld een fonds op te richten voor sessiemuzikanten die eenmalig meespelen bij een studio-opname en waarvan de rechten zijn afgekocht met een éénmalig bedrag. Zij vragen om een uiteenzetting wie hiervoor in aanmerking komen, en willen weten of ook de erfgenamen van sessiemuzikanten een beroep kunnen doen op het fonds. Voorts willen deze leden weten welke artiesten uit welke landen een beroep kunnen doen op het fonds.

Voor het antwoord op de vraag wie voor een aanvullende vergoeding uit het fonds in aanmerking komen verwijs ik deze leden graag naar hetgeen daaromtrent hierboven in het algemene deel is uiteengezet. In antwoord op een van de leden van de VVD-fractie afkomstige vraag van gelijke strekking is hierboven aangegeven dat indien de betreffende uitvoerende kunstenaar niet meer in leven is, zijn erfgenamen aanspraak kunnen maken op de aanvullende vergoeding. Voor het antwoord op de vraag welke artiesten uit welke landen een beroep op het fonds kunnen doen, verwijs ik deze leden graag naar het hierboven gegeven antwoord op een gelijkluidende vraag van de leden van de fractie van de PvdA.

De leden van de CDA-fractie merken op dat het voorgestelde artikel 9b lijkt te impliceren dat uitvoerende kunstenaars steeds pas ten minste vijftig jaar na dato aanspraak kunnen maken op het fonds. Zij vragen of het artikel inderdaad zo strikt geïnterpreteerd moet worden.

Op de vergoeding kan, zoals hierboven in het algemene deel is uiteengezet, inderdaad eerst aanspraak worden gemaakt zodra 50 jaar zijn verstreken nadat het fonogram is openbaar gemaakt dan wel op andere wijze rechtmatig in het verkeer is gebracht.

4. Beleidsruimte

De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel SENA aanwijst als collectieve beheersorganisatie die het fonds gaat beheren waaruit een aanvullende vergoeding voor sessiemuzikanten wordt betaald. Zij merken op dat SENA heeft laten weten uitsluitend die fonogrammen te hebben geadministreerd die voor commerciële doeleinden zijn uitgebracht. Deze leden willen weten of SENA ervan uit mag gaan dat het fonds uitsluitend ziet op voor commerciële doeleinden uitgebrachte fonogrammen.

Het belangrijkste doel van het fonds is om uitvoerende kunstenaars die bij de opname voor een éénmalig bedrag afstand hebben gedaan van hun rechten te laten meeprofiteren van de inkomsten die in de verlengde termijn met het fonogram worden behaald. Voor zover fonogrammenproducenten met een fonogram inkomsten behalen, moeten zij daarvan melding maken bij SENA. Het ligt echter niet in de rede dat met voor niet-commerciële doeleinden uitgebrachte fonogrammen 50 jaar nadat zij zijn openbaar gemaakt of op andere wijze in het verkeer zijn gebracht nog inkomsten worden gegenereerd. In dat kader mag SENA er inderdaad van uitgaan dat het fonds in de praktijk slechts ziet op voor commerciële doeleinden uitgebrachte fonogrammen.

5. Administratieve lasten en nalevingskosten

De leden van de PVV-fractie willen weten op welke wijze sessiemuzikanten die 50 jaar geleden zijn afgekocht kunnen worden teruggevonden. Zij vragen of dit niet leidt tot een onwenselijke lastenverzwaring.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik deze leden graag naar hetgeen hierboven in het algemene deel is opgemerkt ten aanzien van de vormgeving van het fonds.

De leden van de PVV-fractie vragen vervolgens hoe wordt aangekeken tegen het voorstel van de NVPI om het fonds voor sessiemuzikanten een praktische invulling te geven in die zin dat sessiemuzikanten ongeacht het jaar van opname aanspraak kunnen maken op het fonds.

De aan het voorstel van de NVPI ten grondslag liggende gedachte komt sympathiek voor: zij zou ertoe leiden dat het fonds alle sessiemuzikanten ten goede komt. De wijzigingsrichtlijn voorziet echter in een fonds waarop een beroep kan worden gedaan door sessiemuzikanten die aan bepaalde voorwaarden voldoen, namelijk dat (i) zij hebben meegewerkt aan een uitvoering tegen een éénmalig bedrag hebben meegewerkt aan een uitvoering, (ii) die uitvoering is opgenomen op een fonogram en (iii) dat fonogram meer dan 50 jaar geleden is openbaar gemaakt dan wel op andere wijze rechtmatig in het verkeer is gebracht. Indien het fonds zo zou worden ingericht dat het ten goede komt aan alle sessiemuzikanten in plaats van specifiek die sessiemuzikanten waarop de wijzigingsrichtlijn ziet, zou dit tot gevolg hebben dat een grotere groep uitvoerende kunstenaars een beroep op het fonds kan doen dan in de wijzigingsrichtlijn voorzien. Zulks zou ertoe leiden dat voor de door de wijzigingsrichtlijn beoogde uitvoerende kunstenaars (zij die hebben meegewerkt aan repertoire ouder dan 50 jaar) per saldo minder geld beschikbaar is. Dit lijkt niet verenigbaar met het doel van de wijzigingsrichtlijn. Een dergelijke regeling zou daarmee voorts nationaal van aard zijn en zich aldus niet laten verenigen met het uitgangspunt dat implementatiewetgeving beperkt blijft tot het omzetten van EU-regelgeving.

Hierboven is al opgemerkt dat het voor de hand ligt dat rechthebbenden tot de exploitatie van fonogrammen uit de periode ouder dan 50 jaar 20% van alle inkomsten die met die fonogrammen worden behaald aan het fonds afdragen voor zover het fonogrammen betreft waaraan onbekende sessiemuzikanten hebben meegewerkt. Indien zich dan sessiemuzikanten melden die aantoonbaar een bijdrage aan het betreffende fonogram hebben geleverd, kunnen zij worden voldaan uit het fonds, zoals door de wijzigingsrichtlijn beoogd. In het algemene deel is reeds uiteengezet dat indien en voor zover zich geen sessiemuzikanten melden die aanspraak maken op een uitkering uit het fonds, het afgedragen geld aan de betreffende betalingsplichtige kan worden gerestitueerd. Betalingsplichtigen kunnen er – al dan niet in onderling overleg – echter voor kiezen dat de na het verstrijken van de termijn voor verdeling over rechthebbende sessiemuzikanten die zich niet hebben gemeld overblijvende gelden worden verdeeld over alle bij SENA ingeschreven sessiemuzikanten.

De leden van de CDA-fractie begrijpen uit het wetsvoorstel dat de verwachting is dat platenmaatschappijen alle benodigde informatie bijhouden over sessiemuzikanten, ook van 50 jaar geleden. Zij vragen om een nadere argumentatie en wijzen erop dat deze sessiemuzikanten juist zijn afgekocht. Deze leden vragen hoe sessiemuzikanten kunnen worden gevonden wanneer zij 50 jaar geleden zijn afgekocht. Tevens willen deze leden weten of een en ander leidt tot lastenverzwaringen.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik deze leden graag naar hetgeen hierboven in het algemene deel is opgemerkt over de vormgeving van het fonds, namelijk dat sessiemuzikanten zelf bij SENA moeten aantonen dat zij recht hebben op een uitkering uit het fonds alsmede dat dit niet leidt tot een onevenredige lastenverzwaring voor SENA of de platenmaatschappijen.

II Artikelen

A

Artikel 9b

De leden van de VVD-fractie vragen waarom is bepaald dat de vergoeding waarop de uitvoerende kunstenaar die voor een eenmalig bedrag is afgekocht na vijftig jaar aanspraak kan maken 20% is. Deze leden willen weten waarom voor 20% is gekozen en niet voor een ander percentage. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waar het percentage van 20% op is gebaseerd.

Het percentage van 20% is gekozen bij het opstellen van de wijzigingsrichtlijn. De verklaring die in de toelichting is gegeven voor de keuze van dit percentage is dat dit percentage redelijk is omdat het leidt tot een passend evenwicht tussen de rentabiliteit van tijdens de verlengingsperiode uitgebrachte fonogrammen en de totstandbrenging van bijkomende voordelen voor uitvoerende kunstenaars. Nederland heeft hieromtrent tijdens de onderhandelingen opgemerkt dat het in het licht van de aan de wijzigingsrichtlijn ten grondslag liggende doelstelling, het verbeteren van de positie van uitvoerende kunstenaars, voor de hand zou liggen om de vergoeding waarop de uitvoerende kunstenaar in de verlengde termijn aanspraak kan maken op 50% te stellen temeer daar de fonogrammenproducent zijn investering gedurende de eerste 50 jaar al heeft kunnen terugverdienen. Dit voorstel heeft echter niet geleid tot een aanpassing van de wijzigingsrichtlijn. Het percentage van 20% is gehandhaafd.

B

De leden van de VVD-fractie merken op dat de richtlijn voorziet in een verlenging van de bescherming van een vastlegging van een uitvoering op een fonogram van 50 naar 70 jaar. Vastleggingen van uitvoeringen niet op een fonogram blijven 50 jaar beschermd, zo signaleren deze leden terecht. Zij merken op dat de memorie van toelichting daarbij als voorbeeld geeft dat dit zou gelden voor de mastertape. Deze leden merken op dat dit onjuist is. Zij geven aan dat een mastertape een fonogram is omdat het de eerste vastlegging van een uitvoering is. Deze leden vragen of de stelling uit de memorie van toelichting dat een mastertape geen fonogram is zal worden gecorrigeerd.

Deze vraag biedt de gelegenheid te verduidelijken dat een mastertape wel degelijk een fonogram is. Zoals deze leden terecht opmerken, is in artikel 1, onderdeel c van de wet op de naburige rechten fonogram gedefinieerd als iedere opname van uitsluitend geluiden van een uitvoering of andere geluiden alsmede dat in onderdeel b van hetzelfde artikel opnemen is gedefinieerd als voor de eerste maal vastleggen. Aldus kan worden geconcludeerd dat een mastertape inderdaad een fonogram is.

Volgens de leden van de VVD-fractie lijkt het zo te zijn dat Nederland een andere terminologie hanteert dan de richtlijn en de Conventie van Rome, waarin gesproken wordt van vastlegging, terwijl in Nederland gesproken wordt van «opname», die wordt gedefinieerd als een eerste vastlegging. Deze leden vragen naar de onderbouwing van deze keuze.

De wijzigingsrichtlijn en daarmee het wetsvoorstel voorziet in een verlenging van de beschermingstermijn voor fonogrammen. In artikel 3 sub b van de Conventie van Rome is bepaald dat onder een fonogram wordt verstaan iedere uitsluitend hoorbare vastlegging van klanken van een uitvoering of van andere klanken. In artikel 1 onderdeel c van de Wet op de naburige rechten is bepaald dat een fonogram is iedere opname van uitsluitend geluiden van een uitvoering of andere geluiden. Uit artikel 1 onderdeel b van de Wet op de naburige rechten volgt dat opnemen op zijn beurt is geluiden voor de eerste maal vastleggen. Aldus lopen de definities die in de Conventie van Rome en de Wet parallel behalve dat in de Nederlandse definitie het woord «eerste» is opgenomen. In de definitie die in de Conventie van Rome wordt gegeven ontbreekt dat woord.

Deze leden lijken met hun vraag te willen vernemen of dit verschil maakt. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. De in het wetsvoorstel gehanteerde terminologie sluit aan bij de terminologie van de Wet op de naburige rechten. Deze is op punten anders dan de terminologie van de Conventie van Rome. Die keuze is gemaakt bij de ratificatie van de Conventie van Rome. Van wezenlijk inhoudelijke verschillen is geen sprake.

De leden van de VVD-fractie wensen vervolgens te vernemen wanneer de bescherming van een bepaalde opname begint. Zij willen weten of remastering of remixing betekent dat een nieuw beschermd fonogram ontstaat. De leden van de fracties van PvdA en PVV hebben een vergelijkbare vraag.

Artikel 12 lid 1 Wet op de naburige rechten bepaalt dat de rechten van uitvoerende kunstenaars vervallen door verloop van 50 jaar te rekenen vanaf de 1e januari van het jaar volgend op dat waarin de uitvoering heeft plaatsgehad. Indien binnen die termijn van de uitvoering een opname op een fonogram is gemaakt en dat fonogram op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht of openbaar gemaakt, vervallen de rechten op dat fonogram echter na verloop van 70 jaar, zo volgt uit het voorgestelde artikel 12 lid 3.

Artikel 1 onderdeel c Wet op de naburige rechten bepaalt dat een fonogram is iedere opname van uitsluitend geluiden van een uitvoering of andere geluiden. Uit artikel 1 onderdeel b van de Wet op de naburige rechten volgt dat opnemen is: geluiden voor de eerste maal vastleggen. Voor het begin van de beschermingstermijn is dus van belang het moment waarop het eerste fonogram wordt opgenomen. Wanneer niet een nieuw fonogram ontstaat, gaat geen nieuwe beschermingstermijn lopen. Remastering is niet voldoende onderscheidend om een nieuw fonogram op te leveren. Bij remixing kan dit wel het geval zijn wanneer sprake is van evidente toevoegingen en het resultaat van de remixing daardoor voldoende onderscheidend is van het oorspronkelijke fonogram. In dat geval ontstaat een nieuw beschermd fonogram en vangt een nieuwe beschermingstermijn aan.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er in het wetsvoorstel bewust is gekozen voor een andere terminologie dan in de Conventie van Rome waar het gaat om de termen vastlegging dan wel opname.

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord dat hierboven is gegeven op een vergelijkbare vraag van de leden van de VVD-fractie. Dat antwoord behelst dat in het wetsvoorstel wordt aangesloten bij de terminolgie van de Wet op de naburige rechten en van wezenlijk inhoudelijke verschillen met de Conventie Rome geen sprake is.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de richtlijn voorziet in een verlenging van de bescherming van een vastlegging van een uitvoering op een fonogram van 50 jaar naar 70 jaar. Zij constateren terecht dat vastleggingen van uitvoeringen niet op een fonogram 50 jaar beschermd blijven. Daarbij signaleren zij dat in dit kader in de toelichting de mastertape als voorbeeld wordt genoemd. Zij vragen om een verzekering dat dit correct is. Volgens hen is een mastertape juist een fonogram in de zin van artikel 1 sub c Wet op de naburige rechten nu het de eerste vastlegging van een uitvoering bevat.

In het algemene deel en naar aanleiding van een vergelijkbare vraag van de leden van de VVD-fractie is reeds opgemerkt dat een mastertape inderdaad een fonogram is. De leden van de CDA-fractie hebben het met hun constatering dus bij het rechte eind.

De leden van de CDA-fractie willen vervolgens weten op welk moment de bescherming van een bepaalde opname begint. Zij vragen of remastering of remixing betekent dat een nieuw fonogram ontstaat.

Voor het antwoord op deze vraag worden deze leden verwezen naar het hierboven gegeven antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de fracties van VVD, PvdA en PVV. De strekking van dat antwoord is dat remastering niet voldoende onderscheidend is om een nieuw fonogram op te leveren en dus ook niet leidt tot een nieuwe beschermingstermijn terwijl dat bij remixing wel mogelijk is indien sprake is van de toevoeging van wezenlijk nieuwe elementen.

De leden van de fractie van D66 hebben een vraag over de interpretatie van enkele begrippen uit het wetsvoorstel. Volgens hen is de interpretatie van de begrippen opname, vastlegging en fonogram niet geheel helder. Deze leden merken op dat wanneer een remastering een nieuwe opname doet ontstaan, van feitelijke afdracht aan het fonds voor aanvullende vergoedingen nauwelijks sprake zal zijn. Zij wijzen er daarbij op dat vrijwel alle exploitaties van oudere opnames geschieden in de vorm van geremasterde versies. Deze leden willen graag horen wanneer sprake is van een nieuwe opname, een nieuwe vastlegging of een nieuw fonogram. Zij willen ook graag weten of een digitalisering of een remastering een nieuw fonogram oplevert. Ten slotte merken zij op dat wellicht een aanpassing van het wetsvoorstel nodig is teneinde het onderscheid tussen deze begrippen te verduidelijken.

Hierboven is naar aanleiding van een vraag van de VVD-fractie uiteengezet dat de in het wetsvoorstel gehanteerde terminologie aansluit bij de terminologie van de Wet op de naburige rechten. Daarbij is aangegeven dat artikel 1 onderdeel c Wet op de naburige rechten bepaalt dat een fonogram is iedere opname van uitsluitend geluiden van een uitvoering of andere geluiden en uit artikel 1 onderdeel b van de wet op de naburige rechten volgt dat opnemen is geluiden voor de eerste maal vastleggen. Daarbij is uiteengezet dat «voor de eerste maal vastleggen» niet slechts in letterlijke zin moet worden verstaan maar daaronder ook moeten worden begrepen bestaande opnamen die een klankbewerking hebben ondergaan.

Naar aanleiding van vergelijkbare vragen van de fracties van VVD, PvdA, CDA en PVV is geantwoord dat voor het begin van de beschermingstermijn van belang is het moment waarop het eerste fonogram wordt opgenomen. Wanneer niet een nieuw fonogram ontstaat, gaat geen nieuwe beschermingstermijn lopen. Remastering is niet voldoende onderscheidend om een nieuw fonogram op te leveren en dus ook niet om een nieuwe beschermingstermijn te doen aanvangen. Bij remixing kan dit wel het geval zijn wanneer sprake is van evidente toevoegingen en het resultaat van de remixing daardoor voldoende onderscheidend is van het oorspronkelijke fonogram. In dat geval ontstaat een nieuw beschermd fonogram en gaat een nieuwe beschermingstermijn lopen.

Met deze verduidelijkingen is een aanpassing van het wetsvoorstel niet aangewezen.

C

Artikel 15g

De leden van de VVD-fractie hebben een vraag met betrekking tot de aanwijzing van SENA als rechtspersoon die belast is met het beheer van het fonds waaruit uitvoerende kunstenaars die voor eenmalig bedrag zijn afgekocht in de verlengde beschermingstermijn een aanvullende vergoeding kunnen ontvangen. Zij merken op dat het wetsvoorstel geen administratieve lasten met zich brengt en vragen of de aanwijzing van SENA ook geen administratieve lasten voor SENA met zich brengt. Ook willen deze leden weten hoe SENA eventuele administratieve lasten gaat delgen. Zij vragen voorts welke eisen aan SENA worden gesteld ten aanzien van het bereiken van uitkeringen aan rechthebbenden alsmede over de wijze waarop SENA haar eigen kosten delgt. Ten slotte willen deze leden weten wat er gebeurt met een eventueel overschot.

SENA is belast met beheer van het fonds waaruit sessiemuzikanten die aan een fonogram hebben meegewerkt en daarbij voor een eenmalig bedrag zijn afgekocht in de verlengde beschermingstermijn een uitkering kunnen ontvangen. Daartoe moeten de rechthebbenden tot het betreffende fonogram jaarlijks 20% van de met dat fonogram verworven inkomsten in het fonds storten. SENA verdeelt dit geld vervolgens onder de bij haar bekende uitvoerende kunstenaars, danwel hun erfgenamen. De verdeling zal geschieden volgens een daartoe door SENA op te stellen repartitiereglement. Voor de lasten die voortvloeien uit het opstellen van dit reglement, uit het beheer van het fonds en uit de repartitie over de uitkeringsgerechtigden, kan SENA beheerskosten in rekening brengen. Deze beheerskosten, waarvan niet uit te sluiten valt dat zij bij aanvang en in de opstartfase van het fonds enigszins hoger uitvallen dan wanneer het fonds eenmaal operationeel is, kunnen in mindering gebracht worden op de uit te keren aanvullende vergoeding.

In dit kader is van belang dat op 1 juli 2013 in werking zal treden de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten (Stb. 2013, 97). Deze wet voorziet in aanscherping van de eisen die worden gesteld aan cbo’s (waaronder SENA) en in versterking van de bevoegdheden van het College van Toezicht.

Ook SENA zal aan deze wettelijke (deels aangescherpte) eisen moeten voldoen. Ten aanzien van de wijze waarop SENA haar eigen kosten delgt, geldt dat de nieuwe Wet toezicht bepaalt dat cbo’s gebonden zijn aan een – binnenkort bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen – drempel. Bij overschrijding van deze drempel is uitleg vereist in het jaarverslag dat wordt voorgelegd aan het College van Toezicht. Tevens bepaalt de nieuwe Wet toezicht dat collectieve beheersorganisaties een doelmatig financieel beleid voeren en de geïnde vergoedingen in de drie kalenderjaren volgend op het kalenderjaar van inning onder de rechthebbenden moeten verdelen. De vaststelling of wijziging van een repartitiereglement is onderworpen aan de voorafgaande schriftelijke instemming van het College van Toezicht. Bij niet-naleving is het College van Toezicht vanaf 1 juli a.s. bevoegd om een boete of een last onder dwangsom op te leggen. Ten aanzien van de niet-verdeelbare gelden geldt dat uit overweging 12 van de wijzigingsrichtlijn volgt dat ten aanzien van niet-verdeelbare gelden de nationale voorschriften kunnen worden toegepast.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het amendement dat ziet op één factuur voor ondernemers uit hoofde van alle collectieve beheersorganisaties (Kamerstukken II, 31 766, nr. 20)

De regeling voor één factuur voor ondernemers ziet op de relatie tussen een cbo en haar gebruikers en op het terugdringen van de lasten voor gebruikers als gevolg van afdrachten aan cbo’s. De regeling voor één factuur staat los van de wijzigingsrichtlijn en het onderhavige wetsvoorstel, waarin de relatie tussen de cbo en de rechthebbende uitvoerende kunstenaars centraal staat. De positie van platenmaatschappijen die moeten bijdragen aan het fonds voor sessiemuzikanten is enigszins vergelijkbaar met de ondernemer die een vergoeding moet betalen voor het gebruik van beschermde werken. Van meerdere facturen zal richting deze platenmaatschappijen geen sprake zijn, omdat alleen SENA wordt aangewezen voor het beheren van het fonds.

De leden van de VVD-fractie merken voorts op dat SENA in haar administratie uitsluitend de voor commerciële doeleinden uitgebrachte fonogrammen heeft. Zij vragen of SENA ervan uit mag gaan dat het fonds uitsluitend ziet op voor commerciële doeleinden uitgebrachte fonogrammen.

Hierboven is op een gelijkluidende vraag van de leden van de CDA-fractie geantwoord dat het fonds in de praktijk alleen zal zien op voor commerciële doeleinden uitgebrachte fonogrammen. Zoals de leden van de VVD-fractie zelf reeds aangeven, ligt het niet in de rede dat met voor niet-commerciële doeleinden uitgebrachte fonogrammen 50 jaar nadat zij zijn openbaar gemaakt of op andere wijze in het verkeer zijn gebracht nog inkomsten worden gegenereerd.

De leden van de VVD-fractie merken op dat platenmaatschappijen ingevolge het voorgestelde artikel 9b lid 2 inkomsten afdragen over de uitsluitende rechten op reproductie, verspreiding en beschikbaarstelling van het fonogram. Zij merken op dat dit volgens de toepassingscriteria in artikel 32 lid 1 onderdeel c Wet op de naburige rechten ook betreft fonogrammen uit staten van buiten de Conventie van Rome, zoals de Verenigde Staten. Zij geven daarbij aan dat volgens artikel 31 lid 5 Wet op de naburige rechten het mandaat van SENA is beperkt tot landen uit de Conventie van Rome. Deze leden vragen of het de bedoeling is dat Amerikaanse artiesten een aanspraak kunnen doen op het fonds.

Ik begrijp de vraag van deze leden aldus dat zij wensen te vernemen of buitenlandse uitvoerende kunstenaars zijn beschermd als hun uitvoeringen zijn vastgelegd op fonogrammen die uit hoofde van artikel 32 lid 2 van de Wet op de naburige rechten beschermd zijn. Voor een antwoord op die vraag verwijs ik deze leden naar het bevestigende antwoord op een gelijkaardige vraag van de leden van de fractie van de PvdA.

De leden van de fractie van VVD vragen ten slotte hoe gerechtigden tot uitkering uit het fonds kunnen worden achterhaald indien zij 50 jaar geleden voor een eenmalig bedrag zijn afgekocht, juist om administratieve rompslomp te voorkomen. Deze leden vragen of dit niet juist leidt tot een lastenverzwaring.

Ik verwijs de leden van de VVD-fractie graag naar hetgeen in het algemene deel is opgemerkt ten aanzien van de vormgeving van het fonds. Dat komt erop neer dat sessiemuzikanten die recht menen te hebben op een uitkering uit het fonds, zelf moeten bewijzen dat zij hebben meegewerkt aan een uitvoering die op een fonogram is opgenomen en daarbij tegen een eenmalig bedrag zijn afgekocht. Op de platenmaatschappijen of op SENA rust geen verplichting om hen actief te achterhalen. Daarmee is van een lastenverzwaring voor de platenmaatschappijen of SENA geen sprake.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven