33 328 Voorstel van wet van de leden Snels en Sneller houdende regels over de toegankelijkheid van informatie van publiek belang (Wet open overheid)

35 112 Voorstel van wet van de leden Snels en Sneller tot wijziging van het voorstel van wet van de leden Snels en Sneller houdende regels over de toegankelijkheid van informatie van publiek belang (Wet open overheid) (Wijzigingswet Woo)

AP1 VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 april 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken2 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de voortgang van de uitvoering maatregelen en toezeggingen Wet open overheid. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 27 januari 2026.

  • De antwoordbrief van 31 maart 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 27 januari 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en heeft tijdens haar commissievergadering van 13 januari 2026 haar leden gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen over uw brief van 13 november 2025 over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen en toezeggingen inzake de Wet open overheid (Woo).3 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de BBB en D66 hebben van de geboden mogelijkheid gebruikgemaakt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

Uit uw beantwoording blijkt de onderstaande tijdslijn van de ambtelijke en bestuurlijke werkzaamheden en besluitvorming en de informatievoorziening aan de Eerste Kamer.

Jaar

Maand

Gebeurtenis/besluiten

Info aan Eerste Kamer

2021

     

28 september

Debat over Wetsvoorstel Open Overheid

Toezegging Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties:

in kaart te brengen welke (juridische) belemmeringen er zijn om het Verdrag van Tromsø te kunnen ondertekenen.

Vanaf 28 september

Ambtelijke analyse juridische knelpunten.

2022

 

8 juli 2022

 

Brief aan EK met eerste beeld van juridische belemmeringen en aankondiging nader onderzoek.

oktober 2022

Ambtelijke uitvraag bij alle ministeries.

28 november

beantwoording van Kamervragen

Brief aan EK dat Minister prioriteit geeft aan ander WOO-werkzaamheden namelijk verbetering uitvoering WOO en de standpuntbepaling te willen betrekken bij beleidsbrief die voorzien is in 2024.

2023

Begin 2023

Einde reactietermijn voor reactie diverse ministeries.

Eind 2023

Ambtelijke conclusie van onderzoek dat er nadere beoordeling door juridische experts nodig is. Deze capaciteit is niet beschikbaar.

Onderzoek komt stil te liggen.

In 2024 is een rappelverzoek gedaan vanuit de Eerste Kamer. Daarop werd gemeld dat «het onderzoek naar de mogelijke ratificatie van het verdrag is gestart» en dat de terugkoppeling van de uitkomsten vertraagd is.1

2024

2025

21 mei

Motie Flach en Van der Plas een in tweeminutendebat

4 juli 2025

Kamerbrief met aankondiging het onderzoek te laten rusten.

X Noot
1

Kamerstukken I 2023/24, 36 410 VII/36 410 IV, I.

Uit deze reconstructie blijkt dat in de periode van eind 2022 tot en met juli 2025 geen inhoudelijke informatie is gedeeld met de Eerste Kamer over de toezeggingen of onderzoeken. Dat is een periode van ruim 2,5 jaar. De leden hebben begrip voor het feit dat uw voorganger eind 2022 aangeeft eerst prioriteit te geven bij het verbeteren van de uitvoering van de Woo.4 In diezelfde brief wordt aangegeven het onderzoek te betrekken bij de beleidsbrief Woo (en dus hiervoor af te ronden) die gepland stond voor 2024.

De berichtgeving aan de Kamer bleef uit tot medio 2025 en bleef beperkt tot een melding over het stoppen van het onderzoek. De leden zijn bijzonder teleurgesteld, en voelen zich nauwelijks serieus genomen, in het antwoord dat u van mening bent dat de Kamer al die jaren inhoudelijk adequaat geïnformeerd is. Zij verzoeken u nogmaals naar de tijdsplanning en informatievoorziening van de Kamer te kijken en te reflecteren op dit standpunt.

De bijlage Vergelijking Verdrag van Tromsø en de bijzondere openbaarmakingsregimes bij uw brief van 13 november 2025 geeft een heel goed inzicht in wetgeving met veel verschillende openbaarmakingsregimes. Los van het Verdrag van Tromsø biedt dit overzicht ook kansen om wetgeving op het gebied van openbaarmakingsregimes te uniformeren. Hoe beoordeelt u de voor- en nadelen van het uniformeren van openbaarmakingsregimes? Kunt u dit kwantitatief en kwalitatief duiden? Graag in uw reactie ook de adviezen van de Regeringsfunctionaris informatievoorziening ten aanzien van uniforme openbaarmakingsregimes betrekken. Wat is de ambitie van de regering ten aanzien van het uniformeren van openbaarheidsregimes? In hoeverre brengt deze ambitie om te uniformeren de doelstellingen van, en overeenstemming met, het Verdrag van Tromsø dichterbij?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De VNG en het IPO wilden het gesprek over de werkelijke kosten voor de Woo uitstellen, omdat eerdere ramingen niet voldeden; kunt u garanderen dat medeoverheden volledig financieel gecompenseerd worden als uit de huidige monitoring blijkt dat de kosten vele malen hoger uitvallen dan de inschattingen uit 2019? Graag ontvangen de leden een toelichting.

De Raad van State noemde de lijst van 17 informatiecategorieën destijds al «problematisch» vanwege de complexiteit; desondanks wilt u het aantal categorieën niet terugbrengen naar vijf. Bent u wel bereid vereenvoudiging van deze complexe wet te onderzoeken? Graag ontvangen de leden een toelichting.

Het platform PLOOI is gesneuveld door technische beperkingen; wat doet u om te voorkomen dat de nieuwe «modulaire» Generieke Woo-voorziening niet eenzelfde lot ondergaat? De volledige overheidsbrede dekking van de digitale infrastructuur is verschoven naar 2027, in hoeverre is dit haalbaar en realistisch? Graag ontvangen de leden een toelichting.

De openbaarmaking van gegevens ligt gevoelig voor bijvoorbeeld agrariërs wiens bedrijfsadres ook hun woonadres is; wanneer verwacht u en duidelijke afbakening op Europees niveau zodat de persoonlijke levenssfeer en veiligheid van boeren en burgers geborgd is onder de Woo?

Kleine gemeenten en waterschappen hebben vaak maar een beperkte capaciteit. Hoe voorkomt u dat complexe Woo-verzoeken ten koste gaan van het werk dat zij in de dagelijkse praktijk behoren te doen? Er wordt nu gewerkt aan een «stappenplan met afwegingskaders» en «beleidslijnen» voor de inspanningsverplichting. Bent u ook bereid te investeren in meer middelen en mensen voor de uitvoering?

Ministeries hebben een gemiddelde doorlooptijd van 188 dagen (oftewel een half jaar) voor een Woo-verzoek; wat zegt dit over de praktische uitvoerbaarheid en de kosten van deze wet in de huidige vorm? Moet niet gekeken worden naar zaken die de uitvoerbaarheid van de wet vergroten zoals bijvoorbeeld de (her) invoering van het begrip «belanghebbende» om een Woo-verzoek te kunnen doen? Graag ontvangen de leden een toelichting.

Er wordt gewerkt aan producten rondom de «omgang met misbruik en oneigenlijk gebruik» van de Woo. Wordt er ook gewerkt aan juridische sancties en strafbaarstelling? Graag ontvangen de leden een toelichting.

Er zijn inmiddels al ruim 600.000 documenten vindbaar via de index, kunt u aangeven hoe de gemiddelde burger hier zijn voordeel mee kan doen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De D66-fractieleden hebben met belangstelling kennisgenomen van het verslag van een nader schriftelijk overleg betreffende de voortgang van de uitvoering van de maatregelen en toezeggingen die verband houden met de Wet open overheid. Het merendeel van de antwoorden heeft verduidelijking gegeven aan de vragen die bij deze leden leefden. De antwoorden op de vraag betreffende de wens van de regering om het begrip «emissiegegevens» in te perken, hebben echter een aantal vervolgvragen opgeroepen.

In de voortgangsbrief heeft u aangegeven te streven naar het vergaren van steun om het begrip emissiegegevens in te perken. Hier hebben de leden een aantal vragen over gesteld. In de beantwoording lezen de leden dat het inperken van het begrip emissiegegevens geen doel op zich is, maar dat het begrip wel verder afgebakend moet worden. Waarom had u eerst het streven om het begrip in te perken en is het nu geen doel op zich? De leden verzoeken u bovendien te verduidelijken wat het verschil is tussen inperken en afbakenen? Kunt u garanderen dat afbakening niet leidt tot een versmalling en daarmee inperking van het begrip?

Deze leden vragen u bovendien nogmaals in te gaan op de uitspraak van de Raad van State die stelt dat «de wet geen ruimte biedt om persoonlijke belangen van veehouders mee te wegen bij een verzoek om emissiegegevens openbaar te maken». In de voortgangsbrief wordt echter wel het beschermen van de persoonsgegevens van agrarische ondernemers genoemd als een van de overwegingen om het begrip in te perken. Bent u van mening dat het inperken of afbakenen van het begrip emissiegegevens ten koste gaat van de openbare informatievoorziening rondom dit begrip? Kunt u bovendien duiden in hoeverre het beschermen van persoonsgegevens van veehouders past binnen de ruimte die de Raad van State heeft geboden door te stellen dat «de wet geen ruimte biedt om persoonlijke belangen van veehouders mee te wegen bij een verzoek om emissiegegevens openbaar te maken»?

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas MDR

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 maart 2026

Hierbij stuur ik u mijn reactie op de vragen over de voortgang en uitvoering van maatregelen en toezeggingen in het kader van de Wet open overheid, die de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken bij brief van 27 januari 2026 heeft voorgelegd. Helaas is het niet gelukt deze beantwoording binnen de termijn van vier weken naar uw Kamer te sturen.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van der Burg

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vervolgvragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB en D66. Hieronder treft u de beantwoording aan op volgorde van de inbreng bij uw brief van 27 januari 2026.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

Uit uw beantwoording blijkt de onderstaande tijdslijn van de ambtelijke en bestuurlijke werkzaamheden en besluitvorming en de informatievoorziening aan de Eerste Kamer.

Jaar

Maand

Gebeurtenis/besluiten

Info aan de Eerste Kamer

2021

28 september

Debat over Wetsvoorstel open overheid

Toezegging Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: in kaart te brengen welke (juridische) belemmeringen er zijn om het Verdrag van Tromsø te kunnen ondertekenen.

Vanaf 28 september

Ambtelijke analyse juridische knelpunten.

2022

   

8 juli

Brief aan EK met eerste beeld van juridische belemmeringen en aankondiging nader onderzoek.

Oktober

Ambtelijke uitvraag bij alle ministeries.

28 november

Beantwoording van Kamervragen

Brief aan EK dat Minister prioriteit geeft aan ander Woo-werkzaamheden namelijk verbetering uitvoering Woo en de standpuntbepaling te willen betrekken bij beleidsbrief die voorzien is in 2024.

2023

Begin 2023

Einde reactietermijn voor reactie diverse ministeries.

 

Eind 2023

Ambtelijke conclusie van onderzoek dat er nadere beoordeling door juridische experts nodig is. Deze capaciteit is niet beschikbaar.

Onderzoek komt stil te liggen.

In 2024 is een rappelverzoek gedaan vanuit de Eerste Kamer. Daarop werd gemeld dat «het onderzoek naar de mogelijke ratificatie van het verdrag is gestart» en dat de terugkoppeling van de uitkomsten vertraagd is.1

2024

2025

21 mei

Motie Flach en Van der Plas een in twee-minutendebat

 

4 juli

Kamerbrief met aankondiging het onderzoek te laten rusten.

X Noot
1

Kamerstukken I 2025/26, 33 328/35 112, AO.

Uit deze reconstructie blijkt dat in de periode van eind 2022 tot en met juli 2025 geen inhoudelijke informatie is gedeeld met de Eerste Kamer over de toezeggingen of onderzoeken. Dat is een periode van ruim 2,5 jaar. De leden hebben begrip voor het feit dat uw voorganger eind 2022 aangeeft eerst prioriteit te geven bij het verbeteren van de uitvoering van de Woo.5 In diezelfde brief wordt aangegeven het onderzoek te betrekken bij de beleidsbrief Woo (en dus hiervoor af te ronden) die gepland stond voor 2024.

De berichtgeving aan de Kamer bleef uit tot medio 2025 en bleef beperkt tot een melding over het stoppen van het onderzoek. De leden zijn bijzonder teleurgesteld, en voelen zich nauwelijks serieus genomen, in het antwoord dat u van mening bent dat de Kamer al die jaren inhoudelijk adequaat geïnformeerd is. Zij verzoeken u nogmaals naar de tijdsplanning en informatievoorziening van de Kamer te kijken en te reflecteren op dit standpunt.

Antwoord

Laat ik vooropstellen dat het nooit de bedoeling kan zijn dat de Kamer inhoudelijk niet adequaat wordt geïnformeerd. In de door u genoemde periode van eind 2022 tot en met juli 2025 is uw Kamer op verschillende momenten geïnformeerd. U refereert aan de brief van 28 november 2022, waarin standpuntbepaling over het verdrag was voorzien in 2024. Op 7 mei 2024 is, naar aanleiding van een rappel, verzocht de toezegging te verschuiven naar 31 december 2024, waarmee u op 28 mei 2024 heeft ingestemd. Op 9 januari 2025 is opnieuw verzocht de datum te verschuiven naar 1 juli 2025; hiermee heeft u op 11 februari 2025 ingestemd. In de voortgangsbrief Open Overheid van 17 maart 2025 is uw Kamer geïnformeerd dat nadere informatie in de eerste helft van 2025 werd verwacht.6 Na de in mei 2025 aangenomen motie Flach (SGP) en Van der Plas (BBB) is besloten het onderzoek naar ratificatie voorlopig te laten rusten, waarover uw Kamer bij brief van 4 juli 2025 is geïnformeerd.7

Bij gebrek aan voortgang op de nadere analyse zijn er tussentijds geen relevante stappen gezet en is de informatievoorziening beperkt gebleven tot de bovengenoemde berichtgevingen. Wel was er in de door u genoemde periode sprake van tal van andere ontwikkelingen op het terrein van de Woo, zoals het uitkomen van de invoeringstoets Woo in 2023 en de kabinetsreactie hierop in 2024, inclusief een omvangrijk pakket aan het ministerie te ondernemen activiteiten.8 Daarnaast is in het tijdvak dat u noemt gewerkt aan de verplichte actieve openbaarmaking van de eerste tranche informatiecategorieën en aan verdere invulling van de inspanningsverplichting (art. 3.1 Woo). Met andere woorden, hiermee is prioriteit uitgegaan naar de uitvoering van de Woo en verbetering daarvan.

De bijlage Vergelijking Verdrag van Tromsø en de bijzondere openbaarmakingsregimes bij uw brief van 13 november 2025 geeft een heel goed inzicht in wetgeving met veel verschillende openbaarmakingsregimes. Los van het Verdrag van Tromsø biedt dit overzicht ook kansen om wetgeving op het gebied van openbaarmakingsregimes te uniformeren. Hoe beoordeelt u de voor- en nadelen van het uniformeren van openbaarmakingsregimes? Kunt u dit kwantitatief en kwalitatief duiden? Graag in uw reactie ook de adviezen van de Regeringsfunctionaris informatievoorziening ten aanzien van uniforme openbaarmakingsregimes betrekken. Wat is de ambitie van de regering ten aanzien van het uniformeren van openbaarheidsregimes? In hoeverre brengt deze ambitie om te uniformeren de doelstellingen van, en overeenstemming met, het Verdrag van Tromsø dichterbij?

Antwoord

Allereerst wil ik het uitgangspunt benadrukken dat de Woo het algemene kader biedt voor de toegang tot overheidsinformatie en dat bijzondere openbaarmakingsregimes altijd de uitzondering dienen te zijn. De vraag of al dan niet moet worden overgegaan tot het uniformeren van openbaarmakingsregimes zal aan de orde komen in de wetsevaluatie van de Woo die bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) is belegd. In deze wetsevaluatie worden de doeltreffendheid, doelmatigheid en de effecten van de wet in de praktijk onderzocht en alle artikelen afzonderlijk geëvalueerd. Artikel 8.8 en de bijlage bij de Woo over de bijzondere openbaarmakingsregimes zijn dus ook onderdeel van deze wetsevaluatie en zullen ook geëvalueerd worden. Naar verwachting kan in het najaar van 2026 een eerste tussenrapportage met beide Kamers worden gedeeld. De volledige evaluatie wordt conform artikel 8.9 van de Woo uiterlijk 1 mei 2027 afgerond (vijf jaar na inwerkingtreding van de Woo) en aangeboden aan beide Kamers. Ik kan nu nog niet op vooruitlopen op de conclusies en aanbevelingen die uit de wetsevaluatie zullen volgen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De VNG en het IPO wilden het gesprek over de werkelijke kosten voor de Woo uitstellen, omdat eerdere ramingen niet voldeden; kunt u garanderen dat medeoverheden volledig financieel gecompenseerd worden als uit de huidige monitoring blijkt dat de kosten vele malen hoger uitvallen dan de inschattingen uit 2019? Graag ontvangen de leden een toelichting.

Antwoord

Zoals gebruikelijk, zal ik met de medeoverheden in gesprek gaan als blijkt dat de kosten hoger uitvallen dan de inschattingen uit 2019. Mijn inzet is daarbij altijd dat medeoverheden bij aanvullende taken afdoende gecompenseerd worden om deze taken uit te voeren. Op de eventuele uitkomsten daarvan kan ik echter niet vooruitlopen.

De Raad van State noemde de lijst van 17 informatiecategorieën destijds al «problematisch» vanwege de complexiteit; desondanks wilt u het aantal categorieën niet terugbrengen naar vijf. Bent u wel bereid vereenvoudiging van deze complexe wet te onderzoeken? Graag ontvangen de leden een toelichting.

Antwoord

Bij de wetsevaluatie van de Woo zal ook artikel 3.3, waarin de zeventien informatiecategorieën zijn vastgelegd, geëvalueerd worden. De wetsevaluatie is bij het WODC belegd en zij zoeken daarom naar een passende vorm voor het evalueren van artikel 3.3 Woo. Als de wetsevaluatie hiervoor aanleiding geeft, kan eventueel het wettelijk kader (waaronder de actieve openbaarmakingsverplichting) verbeterd worden.

Het platform PLOOI is gesneuveld door technische beperkingen; wat doet u om te voorkomen dat de nieuwe «modulaire» Generieke Woo-voorziening niet eenzelfde lot ondergaat? De volledige overheidsbrede dekking van de digitale infrastructuur is verschoven naar 2027, in hoeverre is dit haalbaar en realistisch? Graag ontvangen de leden een toelichting.

Antwoord

De ervaringen met PLOOI zijn een belangrijk uitgangspunt geweest bij de herinrichting van de digitale infrastructuur voor actieve openbaarmaking. PLOOI is destijds stopgezet omdat het ontwerp waarmee documenten op één plek zouden worden opgeslagen, een hoge mate van technische complexiteit kende en in de praktijk onvoldoende schaalbaar en beheersbaar zou zijn. Dat heeft geleid tot een fundamenteel andere benadering bij de ontwikkeling van de generieke Woo-voorziening (GWV). Daarbij is bewust gekozen voor een modulaire en gedecentraliseerde architectuur. Woo-documenten blijven in beginsel bij de bestuursorganen zelf gepubliceerd, die verantwoordelijk blijven voor publicatie en beheer.

De GWV faciliteert de vindbaarheid en toegankelijkheid van de documenten via open.overheid.nl, zonder dat documenten centraal hoeven te worden opgeslagen.

Open.overheid.nl verwijst via een link naar de oorspronkelijke publicatie bij het betreffende bestuursorgaan. Hiermee wordt de vindbaarheid van documenten wel centraal en overzichtelijk aangeboden. Ook wordt de technische complexiteit daarmee beperkt en sluit de voorziening beter aan op de uiteenlopende IT-landschappen bij overheden. Dit sluit aan bij het AcICT-advies om te kiezen voor versimpeling en decentrale opslag.

De afzonderlijke onderdelen van de GWV worden modulair ontwikkeld, zodat functionaliteit onafhankelijk kan worden ontworpen, getest en aangepast. Deze modulaire werkwijze maakt het mogelijk om voortgang te boeken zonder dat het hele stelsel afhankelijk is van één allesomvattende oplevering. Daarbij wordt gebruikgemaakt van open standaarden en bestaande, bewezen componenten binnen de rijksbrede ICT-architectuur, om maatwerk en technische afhankelijkheden te beperken.

Een belangrijk verschil met PLOOI is bovendien dat bestuursorganen en uitvoeringspraktijk structureel betrokken zijn bij de ontwikkeling. Keuzes over functionaliteit, tempo en implementatie worden niet alleen vanuit technisch perspectief gemaakt, maar expliciet getoetst op uitvoerbaarheid in de praktijk. Hiermee wordt beoogd het risico te verkleinen dat een voorziening technisch functioneert, maar in de uitvoering onvoldoende bruikbaar blijkt.

De verplichting tot actieve openbaarmaking van zeventien informatiecategorieën (artikel 3.3 Woo) wordt gefaseerd ingevoerd. Deze fasering vindt plaats in zogeheten tranches, waarbij per tranche een set informatiecategorieën verplicht wordt gesteld om actief openbaar te maken. De ontwikkeling van de GWV vindt zodanig plaats dat de beschikbare functionaliteit aansluit bij de behoeften die voortvloeien uit de verschillende tranches. Indien voor specifieke informatiecategorieën aanvullende functionaliteit nodig is, wordt daarmee in de doorontwikkeling van de GWV rekening gehouden. Zorgvuldigheid is van groot belang om te borgen dat de voorziening technisch robuust en uitvoerbaar is voor alle betrokken overheden. Er wordt stapsgewijs toegewerkt naar volledige overheidsbrede aansluiting.

De realisatie van de GWV verloopt trager dan eerder voorzien. Zoals recent aan de Tweede Kamer is gemeld, zijn bij de doorontwikkeling knelpunten naar voren gekomen die aanleiding zijn voor nadere analyse, waaronder een onafhankelijk onderzoek.9 Deze stap is gezet om beter inzicht te krijgen in de oorzaken van de vertraging en in de maatregelen die nodig zijn om de voortgang beheersbaar en realistisch te organiseren. Ook wordt daarbij bezien of de huidige richting met de GWV een passende manier is om de beleidsdoelstellingen van de Woo – het zo snel mogelijk actief openbaar maken van de zeventien informatiecategorieën en het duurzaam, toegankelijk en overzichtelijk aanbieden van deze informatie – te realiseren. In dit onderzoek wordt niet alleen gekeken naar de oorzaken van de vertraging, maar ook naar mogelijke alternatieve oplossingsrichtingen en naar aanbevelingen om de realisatie van actieve openbaarmaking te versnellen en beter uitvoerbaar te maken voor bestuursorganen. Daarmee wordt beoogd tijdig bij te sturen en te voorkomen dat structurele knelpunten zich opstapelen, zoals bij PLOOI het geval is geweest. Wanneer op basis van de verdere uitwerking en voortgang een realistische planning kan worden vastgesteld, zal uw Kamer daarover worden geïnformeerd.

De openbaarmaking van gegevens ligt gevoelig voor bijvoorbeeld agrariërs wiens bedrijfsadres ook hun woonadres is; wanneer verwacht u en duidelijke afbakening op Europees niveau zodat de persoonlijke levenssfeer en veiligheid van boeren en burgers geborgd is onder de Woo?

Antwoord

Ik beraad mij momenteel met mijn collega – de Staatssecretaris van I&W – die verantwoordelijk is voor de implementatie van het Verdrag van Aarhus en de milieu-informatierichtlijn, over de opvolging van de motie Flach (SGP) en Van der Plas (BBB). De motie verzoekt de regering steun te zoeken bij andere lidstaten voor een voorstel om de reikwijdte van het begrip «emissiegegevens» in de milieu-informatierichtlijn beter af te bakenen. In de eerder toegezegde brief over de openbaarmaking van emissiegegevens zal ik nader op de opvolging van deze motie ingaan.

Kleine gemeenten en waterschappen hebben vaak maar een beperkte capaciteit. Hoe voorkomt u dat complexe Woo-verzoeken ten koste gaan van het werk dat zij in de dagelijkse praktijk behoren te doen? Er wordt nu gewerkt aan een «stappenplan met afwegingskaders» en «beleidslijnen» voor de inspanningsverplichting. Bent u ook bereid te investeren in meer middelen en mensen voor de uitvoering?

Antwoord

Ik erken dat medeoverheden met een breed palet aan taken te maken hebben en dat dit uitdagingen met zich meebrengt. Tegelijkertijd is de uitvoering van de Woo, het verstrekken van informatie aan de samenleving en het transparant zijn over de uitvoering van publieke taken ook een primaire taak van de overheid. Zo kan de maatschappij de overheid immers controleren in haar taakuitoefening en kunnen burgers beter participeren. De inspanningsverplichting tot actieve openbaarmaking is hier een belangrijk onderdeel van.

Bij de inwerkingtreding van de Woo is fors geïnvesteerd in de implementatie en uitvoering van deze wet. Zo hebben medeoverheden hier structurele en incidentele middelen voor ontvangen. Dit laat onverlet dat (meerdere) complexe Woo-verzoeken of een sterke toename van het aantal Woo-verzoeken in een korte tijd met name voor kleinere overheidsorganisaties voor uitdagingen kunnen zorgen. Daarom zet ik ook in op maatregelen om de uitvoering en uitvoerbaarheid van de Woo te verbeteren.

Voor overheidsorganisaties zijn verschillende hulpmiddelen beschikbaar. Vanuit mijn ministerie is in samenwerking met een interbestuurlijke werkgroep een handreiking voor het gebruik van de antimisbruikbepaling ontwikkeld. Deze wordt deze maand gepubliceerd. Het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) maakt praktische werkwijzers, zoals de Samenwerkwijzer10, die handvatten geeft voor goed contact en overleg tussen Woo-behandelaars en verzoekers. Dit zijn voorbeelden van producten en hulpmiddelen die bestuursorganen concrete handvatten bieden om de uitvoering van de Woo te vereenvoudigen en daarmee de uitvoeringslasten terug te brengen en tegelijk verzoekers beter en sneller te helpen. Op basis van de resultaten van het onderzoek naar de uitvoeringslasten van Woo-verzoeken en de wetsevaluatie kunnen nadere maatregelen getroffen worden om de uitvoerbaarheid van de Woo verder te verbeteren.

Ministeries hebben een gemiddelde doorlooptijd van 188 dagen (oftewel een half jaar) voor een Woo-verzoek; wat zegt dit over de praktische uitvoerbaarheid en de kosten van deze wet in de huidige vorm? Moet niet gekeken worden naar zaken die de uitvoerbaarheid van de wet vergroten zoals bijvoorbeeld de (her) invoering van het begrip «belanghebbende» om een Woo-verzoek te kunnen doen? Graag ontvangen de leden een toelichting.

Antwoord

De doeltreffendheid, doelmatigheid en de effecten van de Woo in de praktijk komen aan bod in de al eerder aangehaalde wetsevaluatie die dit jaar wordt uitgevoerd. Het onderzoek naar de uitvoeringslasten van Woo-verzoeken vormt – samen met alle andere eerder uitgevoerde onderzoeken naar de Woo – input voor deze wetsevaluatie die bij het WODC is belegd. Naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen die uit de wetsevaluatie volgen, kan gekeken worden of er maatregelen en wijzigingen nodig zijn om de wet beter uitvoerbaar te maken.

In de tussentijd zitten we niet stil. Zo wordt er ingezet op goed contact met de Woo-verzoeker om beeld te krijgen bij de informatiebehoefte. Ook worden bij omvangrijke verzoeken eerst de 50–100 belangrijkste documenten beoordeeld om zo tijdig de meest relevante informatie openbaar te maken.

In de cijfers over de afhandeling van Woo-verzoeken bij het Rijk in 2025 is een positieve trendbreuk zichtbaar als het gaat om de afhandeltermijnen. Ondanks dat het aantal ingediende Woo-verzoeken bij ministeries opnieuw is toegenomen (7% ten opzichte van 2024), is het aantal verzoeken dat binnen de wettelijke of afgesproken termijn met verzoeker is afgehandeld met 10%-punt gestegen.

Er wordt gewerkt aan producten rondom de «omgang met misbruik en oneigenlijk gebruik» van de Woo. Wordt er ook gewerkt aan juridische sancties en strafbaarstelling? Graag ontvangen de leden een toelichting.

Antwoord

Nee, juridische sancties en strafbaarstelling zijn geen onderdeel van het beleid of de producten rondom misbruik en oneigenlijk gebruik van de Woo. Ik zie op dit moment ook geen aanleiding om tot dergelijke maatregelen over te gaan.

Er zijn inmiddels al ruim 600.000 documenten vindbaar via de index, kunt u aangeven hoe de gemiddelde burger hier zijn voordeel mee kan doen?

Antwoord

Een open overheid die actief inzicht biedt in overheidsbesluiten, beleid en uitvoering verbetert de transparantie van de overheid. Het stimuleert daarmee het beter functioneren van de democratie, biedt meer mogelijkheden om het handelen van de overheid te volgen en te controleren, leidt tot versterking van de verantwoordelijkheidsfunctie en het beter functioneren van de overheid.

Via open.overheid.nl zijn inmiddels meer dan 650.000 documenten actief openbaar gemaakt. Voor burgers betekent dit in de eerste plaats dat zij overheidsdocumenten op één centrale plek kunnen vinden en doorzoeken, zonder vooraf te hoeven weten waar of door welke overheidsorganisatie een document is gepubliceerd. Concreet helpt dit burgers bijvoorbeeld bij het:

  • volgen van beleid en besluitvorming die hen raakt, zoals plannen voor woningbouw, infrastructuur, milieu of zorg;

  • terugvinden van besluiten, rapporten en onderliggende documenten die eerder versnipperd over verschillende websites stonden;

  • beter kunnen controleren en begrijpen hoe overheden tot besluiten komen.

De meerwaarde zit daarbij niet alleen in het aantal documenten, maar vooral in de vindbaarheid en doorzoekbaarheid hiervan. Door centrale indexering kunnen documenten worden doorzocht op onder meer onderwerp, bestuursorgaan en publicatiedatum. Dit verlaagt de drempel om informatie te vinden, ook voor burgers die niet bekend zijn met de interne structuur van de overheid.

Daarnaast maken ook journalisten, onderzoekers en maatschappelijke organisaties gebruik van deze openbaar gemaakte informatie. Zij analyseren en duiden deze documenten en vertalen de inhoud naar nieuwsberichten, onderzoeksrapporten en publieke debatten. Daarmee draagt de actieve openbaarmaking niet alleen direct, maar ook indirect bij aan de informatiepositie van burgers.

De huidige omvang van het aantal opvraagbare documenten laat zien dat actieve openbaarmaking daadwerkelijk op gang is gekomen. De verdere doorontwikkeling van de generieke Woo-voorziening is erop gericht deze informatie steeds beter toegankelijk en begrijpelijk te maken voor burgers. Naarmate meer bestuursorganen aansluiten en meer documenten actief openbaar worden gemaakt, neemt de relevantie en bruikbaarheid voor burgers als professionele gebruikers verder toe. Daarbij zetten we in op betekenisvolle openbaarmaking, oftewel openbaarmaking van informatie die tegemoetkomt aan de informatiebehoefte van de samenleving. Deze informatie moet begrijpelijk, relevant, toegankelijk en bruikbaar zijn voor de burger die de informatie tot zich neemt. Bijvoorbeeld door informatie van context te voorzien door toevoeging van een tijdlijn.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De D66-fractieleden hebben met belangstelling kennisgenomen van het verslag van een nader schriftelijk overleg betreffende de voortgang van de uitvoering van de maatregelen en toezeggingen die verband houden met de Wet open overheid. Het merendeel van de antwoorden heeft verduidelijking gegeven aan de vragen die bij deze leden leefden. De antwoorden op de vraag betreffende de wens van de regering om het begrip «emissiegegevens» in te perken, hebben echter een aantal vervolgvragen opgeroepen.

In de voortgangsbrief heeft u aangegeven te streven naar het vergaren van steun om het begrip emissiegegevens in te perken. Hier hebben de leden een aantal vragen over gesteld. In de beantwoording lezen de leden dat het inperken van het begrip emissiegegevens geen doel op zich is, maar dat het begrip wel verder afgebakend moet worden. Waarom had u eerst het streven om het begrip in te perken en is het nu geen doel op zich? De leden verzoeken u bovendien te verduidelijken wat het verschil is tussen inperken en afbakenen? Kunt u garanderen dat afbakening niet leidt tot een versmalling en daarmee inperking van het begrip?

Antwoord

De toenmalig Minister van BZK heeft bij de appreciatie van deze motie aangegeven dat zij bereid was om te onderzoeken in hoeverre er steun is voor het idee om de reikwijdte van het begrip «emissiegegevens» in de milieu-informatierichtlijn zo af te bakenen dat woonadressen kunnen worden uitgezonderd. Zoals ik hiervoor heb aangegeven, beraadt het nieuwe kabinet zich nog over de opvolging van de motie Flach (SGP) en Van der Plas (BBB). In de toegezegde brief over de openbaarmaking van emissiegegevens zal ik hier nader op ingaan.

Deze leden vragen u bovendien nogmaals in te gaan op de uitspraak van de Raad van State die stelt dat «de wet geen ruimte biedt om persoonlijke belangen van veehouders mee te wegen bij een verzoek om emissiegegevens openbaar te maken». In de voortgangsbrief wordt echter wel het beschermen van de persoonsgegevens van agrarische ondernemers genoemd als een van de overwegingen om het begrip in te perken. Bent u van mening dat het inperken of afbakenen van het begrip emissiegegevens ten koste gaat van de openbare informatievoorziening rondom dit begrip? Kunt u bovendien duiden in hoeverre het beschermen van persoonsgegevens van veehouders past binnen de ruimte die de Raad van State heeft geboden door te stellen dat «de wet geen ruimte biedt om persoonlijke belangen van veehouders mee te wegen bij een verzoek om emissiegegevens openbaar te maken»?

Antwoord

Ja, een inperking van het begrip emissiegegevens zou inderdaad betekenen dat bepaalde gegevens, zoals woonadressen, niet of minder snel in aanmerking zouden komen voor openbaarmaking. Het klopt dat de Raad van State op basis van het huidige wettelijke kader heeft geoordeeld dat er inderdaad geen ruimte is om persoonlijke belangen van veehouders mee te wegen bij de openbaarmaking van emissiegegevens.


X Noot
1

De letters AP hebben alleen betrekking op 33 328.

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan-Kilic (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 33 328/35 112, AO.

X Noot
4

Kamerstukken I 2022/23, 33 328/35 112, AF.

X Noot
5

Kamerstukken I 2022/23, 33 328/35 112, AF.

X Noot
6

Kamerstukken II 2024/25, 32 802, 103.

X Noot
7

Kamerstukken I 2024/25, 33 328/35 112, AN

X Noot
8

Kamerstukken I 2023/24, 33 328/35 112, AK.

X Noot
9

Kamerstukken II, 2025/26, 32 802, nr. 138.


X Noot
1

De letters AP hebben alleen betrekking op 33 328.

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan-Kilic (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 33 328/35 112, AO.

X Noot
4

Kamerstukken I 2022/23, 33 328/35 112, AF.

X Noot
5

Kamerstukken I 2022/23, 33 328/35 112, AF.

X Noot
6

Kamerstukken II 2024/25, 32 802, 103.

X Noot
7

Kamerstukken I 2024/25, 33 328/35 112, AN

X Noot
8

Kamerstukken I 2023/24, 33 328/35 112, AK.

X Noot
9

Kamerstukken II, 2025/26, 32 802, nr. 138.

Naar boven