Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333325 nr. 7

33 325 Voorstel van wet van het lid Bosman houdende regulering van de vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland (Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland)

Nr. 7 VERSLAG

Vastgesteld 10 september 2013

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

INHOUDSOPGAVE

Blz.

   

I

ALGEMEEN

 
     

1.

Algemeen deel

 

2.

Feitelijke achtergrond

 

3.

Historische schets

 

4.

Verhouding tot het recht op verblijf op het grondgebied

 

5.

Hoofdlijnen van de voorgestelde regeling

 

6.

Rechtsbescherming

 
     

II

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

 

I ALGEMEEN

1. Algemeen deel

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige initiatiefwetsvoorstel en zijn voorstander van het reguleren van de vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten in Nederland. Zij hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggend initiatiefwetsvoorstel. Zij delen de opvatting dat het van belang blijft dat Nederland zich blijft richten op de integratie van Nederlanders afkomstig uit Aruba, Curaçao en Sint-Maarten en op het verbeteren van arbeidsparticipatie en maatschappelijk bevorderende maatregelen. Deze leden zijn van mening dat voorkomen moet worden – zowel vanuit het oogpunt van de Antilliaanse Nederlanders zelf als vanuit het oogpunt van de Nederlandse samenleving – dat zich Antilliaanse Nederlanders zonder voldoende toekomstperspectief in Nederland vestigen en dat daarbij niet alleen het stellen van toegangseisen een middel kan zijn. Welke mogelijkheden ziet de initiatiefnemer om te bevorderen dat de kansen van Antilliaanse Nederlandse zowel op de eilanden als ook in Nederland zullen toenemen?

De aan het woord zijnde leden vragen of de initiatiefnemer zijn (concept)wetsvoorstel ter consulatie aan andere betrokken partijen, instanties of personen heeft voorgelegd. Zo ja, wat waren daarop de reacties? Zo nee, waarom niet? Heeft de initiatiefnemer met de kabinetten of staten van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten contact gehad? Zo ja, wat was de mening van deze organen over het conceptwetsvoorstel of het voorliggend wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet en acht de initiatiefnemer deze meningen alsnog relevant voor de verdere behandeling van zijn wetsvoorstel in het Nederlandse parlement?

Deze leden vragen voorts of de initiatiefnemer al bekend is met de reactie van het parlement van Sint-Maarten op zijn wetsvoorstel? Wat is de mening van de initiatiefnemer over deze reactie? Ziet hij naar aanleiding daarvan aangrijpingspunten om zijn wetsvoorstel aan te passen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?

Heeft de initiatiefnemer kennisgenomen van de standpunten van de fracties en onafhankelijke leden van de Staten van Aruba die zij op 4 september 2013 aan de Tweede Kamer hebben gestuurd? Kan de initiatiefnemer punt voor punt ingaan op de daarin geopperde bezwaren over zijn voorstel?

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van het Overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCaN) op het voorliggend wetsvoorstel. Heeft de initiatiefnemer zelf eerder contact gehad met het OCaN? Zo nee, waarom niet? Wat is de mening van de initiatiefnemer op de stelling van het OCaN dat er met zijn wetsvoorstel sprake is van raswetgeving en daarmee de introductie van apartheid? Kan de initiatiefnemer puntsgewijs ingaan op de overige punten die het OCaN noemt?

De aan het woord zijnde leden lezen in de memorie van toelichting dat er wordt verwezen naar de andere landen van het Koninkrijk die al een nationale toelatingsregeling hebben. Daarbij verwijst initiatiefnemer ook naar de uiteenlopende redenen die landen kunnen hebben bij het stellen van vestigingseisen. De initiatiefnemer gaat echter niet in op de omvang van de bevolking van de eilanden en de relatief grotere impact op de samenleving van de eilanden indien er een ongelimiteerde instroom van Nederlanders zou zijn toegestaan. Is het in het licht van de omvang van de eilanden niet beter voorstelbaar dat die eilanden toelatingseisen stellen dan Nederland (waar de van oorsprong Antilliaanse bevolking nog geen 1% van de totale bevolking uitmaakt)? Zijn in dat kader de vestigingseisen die de eilanden stellen niet eerder proportioneel ten opzichte van het gestelde doel dan Nederlandse vestigingseisen? Deze leden vragen tevens in te gaan op wat het parlement van Sint-Maarten in reactie op de initiatiefwet opmerkt over de nationale toelatingseisen die de eilanden hanteren, namelijk dat die toelatingseisen de economie van die landen moeten beschermen. Deelt de initiatiefnemer de mening dat de laatste toelatingseisen een andere aard hebben dan de toelatingseisen die de initiatiefnemer in zijn voorstel heeft opgenomen? Zo ja, in hoeverre zijn die verschillen van belang voor de proportionaliteit van de toelatingseisen die de initiatiefnemer voorstelt? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de initiatiefnemer een belangrijke reden om de vestiging te reguleren ziet in het voorkomen dat sociale voorzieningen onevenredig worden gebruikt door personen die op geen enkele wijze hebben bijgedragen aan de opbouw van de gemeenschappelijke welvaartsvoorzieningen in Nederland. Is de initiatiefnemer van mening dat dit ook zou moeten gelden voor Nederlanders die jarenlang buiten het Koninkrijk hebben gewoond en die zich in Nederland willen vestigen en evenmin aan de welvaartsvoorzieningen hebben bijgedragen? Zo nee, waarom niet en hoe rechtvaardigt de initiatiefnemer op dit punt het verschil tussen Nederlanders afkomstig van de Antillen en Nederlanders die zich buiten het Koninkrijk wonen?

Voornoemde leden vragen of de initiatiefnemer nog landen buiten het Koninkrijk bekend zijn die één nationaliteit en paspoort met andere landen delen en die vestigingseisen ten opzichte van elkaar kennen? Zo ja welke landen zijn dat en wat is de aard van de vestigingseisen? Is het de initiatiefnemer bekend of deze vestigingseisen aan het nationale recht van die landen of het internationale recht zijn getoetst? Zo ja, wat was de uitkomst daarvan?

De leden van de PVV-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel betreffende de regulering van vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Zij hebben over het voorstel een aantal vragen en opmerkingen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben hierover een aantal vragen en opmerkingen. Zij willen graag uiteengezet zien welke toelatingsregels de andere landen van het Koninkrijk hanteren en hoe en waarom deze verschillen met de voorwaarden in dit wetsvoorstel. Tevens is zoveel mogelijk aangesloten bij de toelatingsregels voor EU-burgers. Kan de initiatiefnemer uiteenzetten welke verschillen er zijn (en waarom) tussen onderhavige toelatingsregeling en die voor EU-burgers, behalve de vrije vestigingstermijn?

Deze leden willen tevens graag een reactie horen op de kritiek van het OCaN en de Staten van Sint-Maarten zoals verwoord in hun brieven van respectievelijk 29 en 30 augustus 2013 aan de Tweede Kamer. Op welke manier kan objectief worden vastgesteld dat de toegangsvoorwaarden effectief zijn waar het gaat om bijvoorbeeld het oplossen van een integratieprobleem? Kan daarom uitgebreider in worden gegaan op de proportionaliteit? Waarom is er in de ogen van de initiatiefnemer geen sprake van discriminatie en daarmee strijd met het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van Rassendiscriminatie?

Voornoemde leden vragen of initiatiefnemer meent dat met dit wetsvoorstel geen afbreuk wordt gedaan aan paragraaf 3 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut), waarin onder andere is geregeld dat economische weerbaarheid wordt bevorderd door onderlinge hulp en bijstand. Zo nee, waarom niet?

Kan de initiatiefnemer reageren op de aanbevelingen over onder andere de aanpak van armoede, sociale uitsluiting en opvoeding in het Koninkrijk, zoals genoemd in het UNICEF-kinderrechtenrapport over de kinderrechten (2013)?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Gezien hun opstelling in het verleden ten opzichte van een toelatingsregeling, kunnen zij sympathie opbrengen voor het wetsvoorstel. Zij wijzen in dit verband op de, ook door de initiatiefnemer gememoreerde, aangenomen motie-Sterk (Kamerstuk 29 800 VI, nr. 79), waarin werd aangedrongen op een toelatingsregeling. Aan de andere kant vragen deze leden zich af wat anno 2013 de urgentie van een wetsvoorstel als het onderhavige is. Kan de initiatiefnemer hierop ingaan?

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige initiatiefwetsvoorstel. Uit de reacties van de landen van het Koninkrijk op het voorstel komt onmiskenbaar naar voren dat zij daar niet mee kunnen instemmen. Deze leden vragen of de initiatiefnemer uiteen kan zetten welke gevolgen het voorstel, mocht dit verheven worden tot wet, zal hebben voor de betrekkingen tussen de landen van het Koninkrijk en de samenwerking op het gebied van de bestrijding van goed bestuur, armoede, criminaliteit en werkloosheid. Voorts vragen deze leden de initiatiefnemer om aan te geven in hoeverre de medewerking van de andere landen in het Koninkrijk nodig is om de wet uit te kunnen voeren en hoe de regering zich volgens de initiatiefnemer van deze medewerking zou moeten verzekeren. Kan de initiatiefnemer uiteenzetten of en zo ja welke contacten hij gevoerd heeft met de vertegenwoordigers van de regeringen van andere landen in het Koninkrijk bij het opstellen van zijn initiatiefvoorstel?

De aan het woord zijnde leden hebben grote twijfels aan de evenredigheid en de effectiviteit van het middel van de vestigingseis voor de opgesomde problematiek. Kan initiatiefnemer nader uiteen zetten welke resultaten hij beoogt te behalen met deze wetgeving? Welke alternatieven die een minder vergaande inbreuk vormen op de fundamentele rechten van Nederlanders heeft de initiatiefnemer overwogen om deze doelstellingen te realiseren? Is het voorstel ter advies voorgelegd aan het College voor de Rechten van de Mens? Zo nee, is de initiatiefnemer bereid om dit alsnog te doen voor de parlementaire behandeling?

De leden van de D66-fractie zouden graag een toelichting willen op hoe artikel 43, tweede lid van Statuut (dat bepaalt dat het waarborgen van de fundamentele mensenrechten, de rechtszekerheid en het bestuur in alle landen van het koninkrijk een aangelegenheid van het Koninkrijk is) zich verhoudt tot het onderhavige voorstel? Nu in het voorstel onderscheid wordt gemaakt tussen Nederlanders op grond van etniciteit vragen deze leden of dit voorstel wel een louter Nederlandse aangelegenheid betreft en het voldoende is dat dit in een Nederlandse wet wordt geregeld. De aan het woord zijnde leden vragen de initiatiefnemer in te gaan op deze kwestie en te beargumenteren waarom niet gekozen is voor een initiatiefvoorstel van rijkswetgeving? Deze leden verwijzen onder andere naar wat hierover is uiteen gezet in het artikel van mr. Dr. Mito Croes in het Antilliaans Dagblad van dinsdag 20 augustus 2013. Heeft de initiatiefnemer kennisgenomen van dit artikel en zou hij op de hierin naar voren gebrachte argumenten willen reageren?

Voornoemde leden vragen voorts of de initiatiefnemer uitgebreider in kan gaan op de achtergrond van de toelatingseisen in andere landen van het Koninkrijk en hoe initiatiefnemer hierin de rechtvaardiging vindt om voor Nederland een vestigingseis in te stellen.

De leden van ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel dat voorziet in de regulering van de vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten in Nederland. Zij constateren dat het wetsvoorstel een onderscheid maakt tussen Nederlanders op basis van hun afkomst of afstamming en hebben vragen over de uitgangspunten, de proportionaliteit en de effectiviteit van het wetsvoorstel. Deze leden vinden de gelijkwaardigheid van alle burgers in het Koninkrijk een belangrijk uitgangspunt bij het beoordelen van dit wetsvoorstel.

De aan het woord zijnde leden vragen de initiatiefnemer toe te lichten waarom hij het tot stand komen van rijkswetgeving op dit thema een verder onbegaanbare weg acht. Zij vragen de initiatiefnemer welke alternatieven hij zelf heeft onderzocht alvorens te kiezen voor deze nationale wetgeving.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat in andere landen van het Koninkrijk eveneens vestigingsregels gelden. Deze leden merken echter op dat de bevolkingsomvang en de beperkte oppervlakte van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten een verklaring kan bieden voor de vestigingsregels die aldaar gelden voor Nederlanders uit andere landen van het Koninkrijk, namelijk enkel en alleen om de eigenheid van het land te behouden. Zij vragen de initiatiefnemer dit verschil, in het licht van zijn opvatting over artikel 3, eerste lid, sub f, van het Statuut te wegen, nu een dergelijke grondslag voor Nederland niet van toepassing is.

Voornoemde leden constateren dat de Raad van State eerder heeft geadviseerd dat de oplossing van de problemen niet mogelijk is zonder goede samenwerking tussen de regeringen van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. De initiatiefnemer geeft te kennen het terugdringen van de problemen op de eilanden buiten de scope van dit voorstel te willen plaatsen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de initiatiefnemer echter hoe hij desondanks een goede samenwerking voor ogen heeft, indien dit wetsvoorstel van kracht wordt. Zij vragen voorts om een reactie op de inbreng van de vertegenwoordigende organen in het Caribische deel van het Koninkrijk.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij onderschrijven de ernst van de problemen die de initiatiefnemer benoemt. Zij hebben enkele vragen over de voorgestelde oplossingsrichting die met het wetsvoorstel gekozen wordt.

2. Feitelijke achtergrond

De leden van de PvdA-fractie zien in de statistieken ten aanzien van arbeidsparticipatie of criminaliteit dat de groep Antilliaanse Nederlanders ten opzichte van de autochtone bevolking minder goed uit de verf komt, maar zij zien ook positieve cijfers. Zo blijkt uit het Jaarrapport Integratie 2012 (Kamerstuk 32 824, nr. 7) dat de schoolprestaties van Antilliaanse Nederlanders in Nederland relatief goed zijn, dat de instroom van Antillianen in het hoger onderwijs goed is en dat het aandeel van het aantal Antilliaanse jongeren zonder startkwalificatie laag is. Deelt de initiatiefnemer de mening dat dit hoopgevende signalen zijn? Zo ja, zegt dit naar zijn mening dan ook iets over de kansen van deze groep Antilliaanse Nederlanders?

De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemer een overzicht kan geven van de immigratie- en emigratiecijfers van Nederlanders van Aruba, Curaçao, een Sint-Maarten in de afgelopen tien jaar. Ook vragen zij of de initiatiefnemer kan aangeven wat momenteel de stand van zaken is in de in de memorie van toelichting genoemde 21 Antillianengemeenten die te kampen hadden (hebben?) met problemen met Antillianen en of de situatie in die gemeenten is verbeterd. Kan een nadere duiding worden gegeven van de ontwikkeling in de afgelopen jaren van de door initiatiefnemer genoemde statistieken betreffende werkloosheid, uitkeringsafhankelijkheid en oververtegenwoordiging in criminaliteitsstatistieken?

De leden van de D66-fractie vragen of de initiatiefnemer in cijfers kan aangeven hoe sinds de wijziging van het Statuut het personenverkeer tussen de landen in het Koninkrijk zich per jaar ontwikkeld heeft.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten hoeveel Nederlanders afkomstig van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zich de afgelopen jaren in Nederland hebben gevestigd (uitgesplitst per jaar) en welke trend daarin valt te zien. Deze leden constateren dat de initiatiefnemer verwijst naar cijfers over Nederlanders van Antilliaanse afkomst dat de groep groter maakt dan de groep die dit wetsvoorstel omvat. Zij vragen daarom of de initiatiefnemer preciezer kan worden in zijn analyse van de ernstige en voortdurende problemen die hij constateert en hoe deze al dan niet in stand worden gehouden door een migratiestroom. Voornoemde leden merken op dat de initiatiefnemer niet duidelijk maakt waarom juist de duurzame vestiging deze problemen met zich brengt en waarom bijvoorbeeld als de initiatiefnemer spreekt over criminaliteit niet juist het kortdurende verblijf de aandacht krijgt van de initiatiefnemer. Bovendien vragen deze leden de initiatiefnemer hoe hij de omvang van dit probleem weegt, nu juist de specifieke rijksmiddelen voor de problemen met Antilliaanse jongeren stopgezet zijn en het samenwerkingsverband van 21 Antillianengemeenten is opgeheven. Deze leden wijzen daarbij op het vereiste van subsidiariteit.

De leden van de SGP-fractie vragen of de initiatiefnemer ten aanzien van de afgelopen tien jaar een overzicht kan geven van de aantallen Antillianen die in Nederland verblijven, evenals cijfers met de betrekking tot de instroom en terugkeer.

3. Historische schets

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat een eenzijdige regeling naar verwachting geen nadelige gevolgen zal hebben op de samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk. Waar is deze verwachting op gebaseerd?

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat het de voorkeur van de initiatiefnemer heeft de vestiging van Nederlanders in de verschillende landen op het niveau van het Koninkrijk te regelen. In dagblad Amigoe van 17 juli 2013 lazen deze leden ook dat de Nederlandse regering van plan is om nog tijdens de huidige kabinetsperiode met een Rijkswet personenverkeer of een eigen wetsvoorstel rondom de vestiging van Antilliaanse Nederlanders in Nederland te komen. Bovendien heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een verslag van zijn reis aan Aruba de Tweede Kamer (brief van 17 juni 2013, Kamerstuk 33 400-IV, nr. 36) laten weten dat tot de werkgroepen in het kader van de volgende Koninkrijksconferentie weer zullen worden gereactiveerd, waaronder ook de werkgroep die de mogelijkheden van een Rijkswet interlandelijk personen- en goederenverkeer gaat onderzoeken. Kan de initiatiefnemer in het licht van het bovenstaande en zijn eigen voorkeur voor een regeling op rijksniveau nader ingaan op de urgentie van een toelatingsregeling zoals in het initiatiefwetsvoorstel wordt voorgesteld? Waarom zou niet eerst afgewacht kunnen worden of er alsnog een genoemde rijksregeling tot stand kan worden gebracht? Bovendien vragen deze leden hoe kan worden voorkomen dat de parlementaire behandeling van het voorliggende initiatiefwetsvoorstel de bespreking van de genoemde werkgroep en de kansen van een rijksregeling doorkruist. Hoe oordeelt de initiatiefnemer in dit verband over het standpunt van de AVP-fractie van de Staten van Aruba dat het initiatiefwetsvoorstel nadelige gevolgen zal hebben over de samenwerking binnen het Koninkrijk? Is de initiatiefnemer van mening dat indien er een rijksregeling voor personenverkeer tot stand is gekomen, dat dan toegangsregelingen voor Nederlanders tussen de landen van het Koninkrijk overbodig zijn geworden? Zo ja, is de initiatiefnemer dan bereid een dergelijke intrekkingsbepaling in zijn wetsvoorstel op te nemen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SGP-fractie constateren dat voor de initiatiefnemer vooral het uitblijven van de Rijkswet personenverkeer (na eerdere pogingen) aanleiding is geweest het onderhavige wetsvoorstel in te dienen. Deze achtergrond laat onverlet dat initiatiefnemer ook voor het indienen van een Rijkswet had kunnen kiezen, zodat meteen een definitieve rijksbrede regeling getroffen had kunnen worden. Zij vernemen graag waarom hiervoor niet gekozen is.

Voorts vragen deze leden in hoeverre de betrokken landen van het koninkrijk bij de ontwikkeling van het wetsvoorstel inbreng hebben gehad. Zij lezen dat de initiatiefnemer geen problemen verwacht als gevolg van het wetsvoorstel, aangezien het om beperkte aantallen gaat. Desondanks kunnen zij zich voorstellen dat betrokkenheid van de landen waarop het wetsvoorstel betrekking heeft positief kan werken.

4. Verhouding tot het recht op verblijf op het grondgebied

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de initiatiefnemer van mening is dat het belang van integratie van Antilliaanse Nederlanders wordt ondergraven als er nieuwe personen die niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien of die ernstige misdrijven plegen, zich in Nederland zou kunnen vestigen. Deze leden vragen waarom de initiatiefnemer verband ziet tussen enerzijds de integratie van de al in Nederland gevestigde Antilliaanse Nederlanders en anderzijds de komst van nieuwe Antilliaanse Nederlanders?

De aan het woord zijnde leden hebben ook kennisgenomen van het advies van de afdeling Advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Zij begrijpen dat de initiatiefnemer het wetsvoorstel naar aanleiding van dat advies drastisch heeft aangepast. De kritiek van de Afdeling was echter zo fundamenteel dat de aan het woord zijnde leden zich afvragen of het inmiddels gewijzigde wetsvoorstel nu wel de toets der kritiek zou kunnen doorstaan. Vooral op het punt van het onderscheid maken tussen Nederlanders en de juridische ruimte voor een toelatingsregeling vragen deze leden wat het oordeel van de Afdeling nu zou zijn. Deze leden hechten uiteraard aan een juridisch houdbaar wetsvoorstel in de zin van dat het een rechterlijke toets in Nederland of Europa doorstaat. Op grond waarvan is de initiatiefnemer van mening dat na de wijziging van het wetsvoorstel er nu wel juridische ruimte is voor een toelatingsregeling? Heeft de initiatiefnemer overwogen om zijn gewijzigd wetsvoorstel opnieuw aan de Afdeling voor te leggen? Zo ja, welke overwegingen had hij om het wetsvoorstel niet opnieuw aan de Raad voor te leggen? Zo nee, waarom heeft hij dat niet overwogen?

De leden van de PvdA-fractie constateren dat naar aanleiding van het advies van de Afdeling de initiatiefnemer zijn wetsvoorstel zodanig heeft gewijzigd dat in ieder geval voorkomen moet worden dat Antilliaanse Nederlanders in een nadeliger positie komen dan EU-burgers. Blijft er met het gelijkstellen van vestigingseisen aan Antilliaanse Nederlanders met EU-burgers niet toch sprake van het maken van onderscheid tussen Nederlanders? Wordt door het stellen van eisen aan een groep Nederlanders niet altijd per definitie onderscheid gemaakt? Zo ja, is dat onderscheid dan wel proportioneel ten opzichte van het gestelde doel? In dit licht verwijzen de aan het woord zijnde leden naar de elders gemaakte opmerkingen ten aanzien van de inspanningen om de integratie van Antilliaanse Nederlanders in Nederland te bevorderen. Acht de initiatiefnemer die mogelijkheden zodanig uitgeput dat enkel nog een toelatingsregeling en daarmee het maken van onderscheid tussen Nederlanders kan helpen om de integratie te bevorderen? Hoe oordeelt de initiatiefnemer de stelling van het OCaN dat minder ingrijpende maatregelen duurzamer bijdragen aan het terugdringen van uitkeringsafhankelijkheid en criminaliteit onder Caribische Nederlandse nieuwkomers? Deze leden verwijzen daarbij naar de brief die het OCaN stuurde aan de Tweede Kamer op 29 augustus 2013.

De leden van de SP-fractie willen weten hoe het komt dat de verschillende maatregelen van de overheid in de afgelopen 20 jaar niet hebben geleid tot voldoende integratie van Antilliaanse Nederlanders. Op welke manier draagt onderhavig wetsvoorstel hier wel aan bij? Indien dat niet het geval is, erkent de initiatiefnemer dat het van belang is dat de problemen die verband houden met al hier verblijvende Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten een aandachtspunt zijn? Waarom is hier in onderhavig voorstel geen rekening mee gehouden en op welke manier wil de initiatiefnemer de integratie van de huidige generatie dan wel bevorderen? Is onderzocht op welke minder ingrijpende wijze het doel van onderhavig wetsvoorstel kan worden bereikt? Zo ja, wat is hieruit gekomen? Zo nee, waarom niet? Kan worden toegelicht waarom niet verwacht wordt dat er alsnog een toelatingsregeling op Koninkrijksniveau komt?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de initiatiefnemer op de kritische kanttekeningen die de Afdeling heeft geplaatst bij het oorspronkelijke voorstel. De initiatiefnemer heeft daarop zijn initiatiefwetsvoorstel, zoals hij zelf stelt, ingrijpend gewijzigd. De eisen die worden gesteld aan Nederlanders uit de landen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zijn in het gewijzigde voorstel gelijkgesteld met eisen gelden ten aanzien van EU-onderdanen. Daarnaast worden voorzieningen opgenomen voor teruggeleiding en vervalt strafbaarstelling van verblijf zonder verblijfsvergunning. Deze leden vragen of zij het nu zo moeten begrijpen dat de initiatiefnemer van mening is dat hij hiermee, en met enkele ander verduidelijkingen in de memorie van toelichting, volledig is tegemoet gekomen aan alle kritiekpunten van de Afdeling.

Voornoemde leden merken op dat dat de initiatiefnemer refereert aan een arrest van de Hoge Raad inzake de toelatingsregelingen die de andere landen van het Koninkrijk kennen. In het betreffende arrest stelt de Hoge Raad dat de bescherming van economische belangen van de Antilliaanse inwoners is aan te merken als een legitiem doel en dat het gebruikte middel niet disproportioneel is. De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemer van oordeel is dat voor het treffen van een toelatingsregeling door Nederland de bescherming van de Nederlandse belangen van de openbare orde van eenzelfde zwaarwegendheid is te beschouwen als de bescherming van economische belangen.

De leden van de D66-fractie merken op dat het OCaN bij brief van 29 augustus 2013 aan de Tweede Kamer een aantal zwaarwegende juridische bezwaren tegen het voorstel naar voren heeft gebracht. Kan de initiatiefnemer een reactie geven op de strijdigheid van het wetsvoorstel met artikel 7a Algemene wet gelijke behandeling, artikel 13c, eerste lid, Huisvestingswet, artikel 1 van de Grondwet, de Wet bescherming persoonsgegevens, artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de uitspraak van het Hof van Justitie inzake de commissie tegen Nederland van 31 mei 1991, nr. C68/89, RV 91, no.86?

De leden van de ChristenUnie-fractie missen de objectieve en redelijke rechtvaardiging die het maken van dit onderscheid tussen Nederlanders rechtvaardigt. Waardoor het beoogd te maken onderscheid op etnische gronden in strijd is met het Statuut, de Nederlandse Grondwet en verscheidene internationale verdragen. Genoemde leden vragen daarbij specifiek naar de omvang van het probleem dat de initiatiefnemer schetst.

Deze leden vragen de initiatiefnemer voorts toe te lichten welke waarde hij toekent aan het Statuut nu in dit wetsvoorstel de maatstaf van proportionaliteit wordt gelegd bij de rechten die EU-burgers in Nederland hebben, in plaats van de gelijkwaardigheid van alle burgers binnen het Koninkrijk der Nederlanden.

5. Hoofdlijnen van de voorgestelde regeling

Het valt de leden van de PvdA-fractie op dat de initiatiefnemer er alsnog van af ziet om het verblijf zonder vestigingsvergunning strafbaar te stellen. Hij acht bij nader inzien het strafbaar stellen van een dergelijk verblijf niet effectief omdat het te weinig bijdraagt aan het beëindigen van het ongewenste verblijf. In plaats van de strafbaarstelling van verblijf zonder vestigingsvergunning van vergunningplichtige Antillianen, stelt de initiatiefnemer een terugkeergeleidingsregeling voor deze groep voor. Van deze regeling wordt alleen gebruik gemaakt indien er sprake is van een actuele en ernstige dreiging van de Nederlandse openbare orde. Wanneer is er sprake van een dergelijke dreiging? Begrijpen deze leden het goed dat als een persoon niet langer in staat is in zijn eigen onderhoud te voorzien, dat uiteindelijk geen reden voor teruggeleiding kan zijn?

Voorts vragen de aan het woord zijnde leden of de initiatiefnemer kan aangeven welk deel van de Antilliaanse Nederlanders die zonder vestigingsvergunning in Nederland zullen gaan verblijven uiteindelijk teruggeleid zullen moeten worden. Welk deel van de groep Antilliaanse Nederlanders zonder vestigingsvergunning zal zich kunnen onttrekken aan terugkeer en dus zonder een vestigingsvergunning toch blijvend of voor langere duur dan zes maanden in Nederland kunnen vestigen? In welke mate zal de voorgestelde terugkeerregeling er toe bijdragen dat Antilliaanse Nederlanders zonder eigen bron van inkomsten of met criminele antecedenten daadwerkelijk Nederland zullen verlaten? Welke middelen zijn er om Antilliaanse Nederlanders zonder een verplicht vestigingsvergunning op te sporen? Hoe groot schat de initiatiefnemer de effectiviteit van de terugkeerregeling in?

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat de vergunning tot vestiging alleen nodig is voor Nederlanders afkomstig van Aruba, Curaçao of Sint-Maarten. Deze leden vragen hoe in de praktijk, bijvoorbeeld door gemeenten, moet worden gecheckt of de Nederlander die in aanmerking wil komen voor een vergunning tot vestiging van een van de genoemde eilanden afkomstig is? Andersom is de vraag hoe kan worden vastgesteld dat een Nederlander die zich bijvoorbeeld vanuit Canada weer in Nederland wil vestigen niet van een van de genoemde eilanden afkomstig is? Moeten alle Nederlanders die zich vanuit het buitenland in Nederland willen vestigen aantonen in welk land zij voorheen woonachtig waren? Geldt voor een Nederlander afkomstig van bijvoorbeeld Sint-Maarten en die zich voor korte tijd heeft gevestigd in een ander land, ook de plicht tot een vergunning tot vestiging in Nederland?

De leden van de PVV-fractie merken op dat dat de initiatiefnemer ervoor heeft gekozen het onderhavige wetsvoorstel uitsluitend te laten zien op het reguleren van de vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten in Nederland, en niet op de toelating van de voornoemde categorieën tot Nederland. De reismogelijkheden naar Nederland blijven volgens de initiatiefnemer onverkort mogelijk, met dien verstande dat wanneer Nederlanders van Aruba, Curaçao of Sint-Maarten langer dan zes maanden in Nederland willen blijven, zij verplicht worden zich in te schrijven bij de gemeente. Voor een verblijf korter dan zes maanden heeft dit voorstel dus geen consequenties, met uitzondering van diegenen die eerder vanuit Nederland zijn teruggeleid naar Aruba, Curaçao of Sint-Maarten. De genoemde inschrijving bij de gemeente is alleen mogelijk wanneer door hen wordt voldaan aan een aantal criteria. Deze leden vragen welke redenen ten grondslag liggen aan het besluit om het onderhavige wetsvoorstel niet eveneens dergelijke voorwaarden te laten stellen aan de toelating van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten tot Nederland.

De leden van de SP-fractie constateren dat verblijf zonder vestigingsvergunning in eerste instantie door initiatiefnemer strafbaar was gesteld. Dit is gewijzigd, omdat het de effectiviteit van de regeling in de weg zit. Hoe verhoudt deze redenering zich tot het aanhangige wetsvoorstel van strafbaarstelling van illegaliteit? Zal de betreffende strafbaarstelling ook gaan gelden voor de Nederlanders uit overzeese gebiedsdelen die ongewenst verblijf hebben? Is het waar dat een Nederlander die ongewenst verblijf heeft in het Europese deel van Nederland nooit illegaal kan zijn omdat hij of zij onderdaan blijft van het Koninkrijk Nederland?

De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre het uitgangspunt van wederkerigheid voor initiatiefnemer leidend is, gezien de door initiatiefnemer ingediende motie (Kamerstuk 33 000-IV, nr. 21)

Voorts vragen deze leden in hoeverre het wetsvoorstel voldoende effectief is. Zij vragen een reactie op het risico dat veel Antilliaanse Nederlanders in strijd met de bedoeling en bepalingen van het wetsvoorstel informeel verblijf zullen houden bij bijvoorbeeld familieleden en vrienden, waardoor het nemen van maatregelen moeilijk zal zijn. Op welke wijze zijn zulke situaties tegen te gaan?

6. Rechtsbescherming

De leden van de D66-fractie vragen de initiatiefnemer wat de gevolgen zullen zijn van dit voorstel voor de werkdruk bij de rechterlijke macht. Heeft initiatiefnemer hierover overleg gevoerd met de Raad voor de rechtspraak? Welke kosten zal dit voorstel met zich meebrengen voor de rechtsbijstand?

II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

De leden van de VVD-fractie hebben voor de artikelsgewijze behandeling nog enkele vragen van technische aard. Kan aangenomen worden dat de daarin genoemde discrepanties abusievelijk in de tekst van het initiatiefwetsvoorstel terecht zijn gekomen? Deze geconstateerde discrepanties zullen onder de relevante artikelen behandeld worden, tezamen met de inhoudelijke opmerkingen.

Artikel 1

De leden van de VVD-fractie merken op dat in artikel 1 gezinsleden worden gedefinieerd: «de partner met wie de Nederlander op wie de paragrafen 3 en 6 van deze wet van toepassing is een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft.» Met welke middelen kan de duurzame relatie deugdelijk bewezen worden? Wat wordt verstaan onder duurzame relatie?

Artikel 2

De leden van de VVD-fractie merken op dat de beschrijving van het derde en vierde lid van artikel 2 in de memorie van toelichting komt niet overeen met de wettekst. De wet zondert Nederlanders, geboren uit Europees-Nederlandse ouders uit in het derde lid en niet in het vierde lid zoals in de memorie van toelichting staat. Het vierde lid bepaalt dat de wet niet meer van toepassing is indien iemand vijf jaar vestiging heeft gehad op grond van deze wet, niet het derde zoals in de memorie van toelichting staat.

De wet zondert Nederlanders, geboren uit Europees-Nederlandse ouders uit. Met de ruime formulering van artikel 2, derde lid, valt een Nederlander geboren uit een Europees-Nederlandse ouder die slechts op vakantie was in de landen Aruba, Curaçao of Sint-Maarten ook onder de reikwijdte van dit artikel. Is dit de bedoeling of ligt een uitzondering specifiek voor de kinderen van Nederlandse uitgezondenen meer voor de hand?

Het is de leden van de PvdA-fractie niet duidelijk waarom Nederlanders geboren uit Europees-Nederlandse ouders van de wet en de daarin opgenomen toelatingseisen zijn uitgesloten. Waarom zouden deze Nederlanders, als zij niet in staat zijn in hun eigen onderhoud te voorzien of als zij een gevaar vormen voor de openbare orde, wel een vrij recht op vestiging in Nederland houden en Nederlanders afkomstig van de Aruba, Curaçao of Sint-Maarten niet? Geldt deze uitzondering alleen voor kinderen van Nederlandse uitgezondenen naar de genoemde landen of raakt het ook kinderen van Europees-Nederlandse ouders die om andere redenen in een van de genoemde landen zijn gaan wonen?

Voornoemde leden lezen merken ook op dat de wet niet van toepassing wordt op Nederlanders van wie de vader of moeder in het Europese deel van Nederland door afstamming of optie het Nederlanderschap heeft verkregen of aan wie het Nederlanderschap is verleend. Deze leden vragen of ook voor een kind dat in Nederland is geboren uit ouders die zelf het Nederlanderschap bezitten en op de Antillen geboren zijn, deze wet niet van toepassing zal zijn? Zo nee, waarom niet? Is het in dit geval van belang of de ouder het Nederlanderschap in het Europees deel van Nederland heeft gekregen? Zo ja, waarom zou dit van belang moeten zijn? Voorts nemen deze leden aan dat de uitzondering zoals opgenomen in artikel 2, derde lid, ook van toepassing is indien slechts één van beide ouders in het Europees deel van Nederland is geboren. Is deze aanname correct? Wordt er in het voorliggend wetsvoorstel op enige wijze onderscheid gemaakt tussen kinderen van Antilliaanse Nederlanders die op de Antillen zelf zijn geboren of kinderen van Antilliaanse Nederlanders die buiten het Koninkrijk zijn geboren? Zo ja, waar bestaat dat onderscheid dan uit en waarom wordt dat gemaakt? Wordt er in het voorliggend wetsvoorstel op enige wijze onderscheid gemaakt tussen kinderen van Antilliaanse Nederlanders die buiten het Koninkrijk zijn geboren en kinderen van Europese Nederlanders die buiten het Koninkrijk zijn geboren? Zo ja, waar bestaat dat onderscheid dan uit en waarom wordt dat gemaakt?

Artikel 3

De leden van de VVD-fractie vragen of het een voorwaarde is voor verlening van toelating tot verblijf dat de aanvrager zes maanden onafgebroken in Nederland moet hebben verbleven. Zo ja, waar wordt deze eis gesteld? Iedere Nederlander heeft recht op toelating tot verblijf voor maximaal zes maanden. Waarom wordt hier aangesloten bij de termijn die geldt in de Caribische landen en niet bij de termijn die geldt voor EU-onderdanen? Welke consequenties heeft deze keuze? Welke rechten kunnen er in zes maanden wel worden opgebouwd die niet in drie maanden kunnen worden opgebouwd? Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen de eisen die de Caribische landen aan Europese-Nederlanders stellen en vice versa?

De leden van de SP-fractie willen graag weten op welke wijze kan worden gecontroleerd of iemand geen hoofdverblijf in Nederland heeft, waardoor vanaf moment van inwerkingtreding van onderhavig voorstel de zes maanden vrije termijn gaan lopen. Hoe wordt bijgehouden wie zes maanden verblijf heeft? Moet een ieder zich inschrijven bij bijvoorbeeld de vreemdelingenpolitie? Hoe wordt gecontroleerd of deze zes maanden voorbij zijn? Gebeurt dit preventief of reactief?

Artikel 5

De leden van de SP-fractie constateren dat wanneer iemand een vestigingsvergunning krijgt voor vijf jaar, diegene niet meer onder onderhavig wetsvoorstel valt. Is vanaf dan, net als nu het geval is, het paspoort van het Nederlandse Koninkrijk onverkort geldig in het gehele Europese Nederland? Zo nee, hoe wordt er vanaf dat moment praktisch uitvoering aan gegeven?

De leden van de D66-fractie vragen de initiatiefnemer wat de status is van iemand die langer dan zes maanden in Nederland is en niet aan de vergunningsplicht voldoet. Kan de initiatiefnemer aangeven hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot de voorgenomen strafbaarstelling illegaliteit (Kamerstuk 33 512)?

Artikel 7

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat in het tweede lid enkele uitzonderingen worden geregeld. Ook deze uitzonderingen zijn ontleend aan de regels die gelden ten aanzien van EU-onderdanen. Echter, deze alinea is overbodig geworden door de daaropvolgende alinea. Voorts komt de beschrijving van het derde, vierde en vijfde lid van artikel 7 in de memorie van toelichting niet overeen met de wettekst. In het tweede lid worden de afwijzingsgronden opgesomd en niet in het derde lid, zoals in de memorie van toelichting staat. Het derde lid bevat een hardheidsclausule, niet het vierde lid zoals in de memorie van toelichting staat. Het vierde lid heeft betrekking op de nadere uitwerking van regels in lagere regelgeving, niet het vijfde zoals in de memorie van toelichting staat. In de wettekst heeft artikel 7 geen vijfde lid.

De aan het woord zijnde leden merken op dat de aanvrager over voldoende middelen van bestaan dient te beschikken om te voorkomen dat hij en zijn gezinsleden tijdens hun verblijf ten laste komen van de bijstand. Waarom wordt hier alleen gesproken over de bijstand? Waarom is dit niet ruimer geformuleerd in «ten laste van de openbare kas» of «publieke middelen»?

Deze leden vragen voorts op welke wijze bestanden worden gekoppeld om ervoor te zorgen dat er bij een beroep op de publieke middelen beoordeeld wordt of er daarmee sprake is van een intrekkingsgrond van de vergunning. Hoe wordt geregeld dat er bij een beroep op de publieke middelen eerst getoetst wordt of dit beroep gevolgen heeft voor het verblijfsrecht alvorens getoetst wordt of aanspraak gemaakt kan worden op publieke middelen? Is er een dusdanige koppeling tussen bestanden dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een signaal krijgt dat er een beroep op de publieke middelen wordt gedaan die mogelijk effect kan hebben op het verblijfsrecht?

De leden van de VVD-fractie merken op dat de student zekerheid dient te verschaffen dat hij beschikt over toereikende bestaansmiddelen. Welk normbedrag is voor deze categorie het uitgangspunt? Hoe verhoudt dit zich tot de eis dat de aanvrager moet beschikken over voldoende middelen van bestaan voor zichzelf en zijn gezinsleden? Hoe toont de student dit aan? Wat voor verklaring wordt bedoeld?

De aan het woord zijnde leden merken op dat het mogelijk is om toelating tot vestiging te vragen bij een vreemdeling die legaal in Nederland verblijft. Geldt dit voor alle vormen van legaal verblijf, ook als dit een verblijf op grond van een tijdelijk verblijfsdoel (bijvoorbeeld op medische gronden) betreft?

De leden van de SP-fractie constateren dat artikel 7, eerste lid, sub a gaat over werknemers en zelfstandigen en sub b over de middelen van bestaan. Wat wordt bedoeld met «beschikken»? Gaat het hier over maandelijks inkomen of puur over het voorhanden hebben van bepaald vermogen? In sub a staan ook wat betreft minimale inkomsten minder vergaande voorwaarden voor toelating dan onder b. Is sub b dan niet eigenlijk overbodig? Hoe staan sub a en b eigenlijk in verhouding tot elkaar? Welke persoonlijke omstandigheden kunnen er onder sub b toe nopen dat de bestaansmiddelen, ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het relevante netto-normbedrag, toch moeten worden beschouwd als toereikend?

Moet er onder sub b sprake zijn van een zorgverzekering die is afgesloten in het Europese Nederland? Hoe zit het met aanvragen voor zorgtoeslag en andere toeslagen? Wanneer heeft een student beschikking over toereikende bestaansmiddelen? Ziet de toereikendheid ook op de duur van de studie?

De leden van de SP-fractie constateren dat waar op pagina 10 en 11 van de memorie van toelichting wordt gesproken over het derde, vierde en vijfde lid waarschijnlijk wordt gedoeld op het tweede, derde en vierde lid van artikel 7.

Voornoemde leden vragen met betrekking tot het tweede lid van artikel 7 of er concrete voorbeelden kunnen worden genoemd van de klemmende redenen van humanitaire aard, het belang van Nederland, de onderlinge landsbetrekkingen of de internationale betrekkingen die tot afwijzing van toelating kunnen leiden. Kan voorts worden aangegeven wat bij de uitleg van het begrip «openbare orde» wordt bedoeld met «een patroon van crimineel gedrag en persoonlijke omstandigheden». Is hier sprake van een veelpleger? Wordt er dan bij de invulling van het begrip «veelpleger» aangesloten bij de uitleg zoals vermeld op de website van de rijksoverheid?1 Wanneer heeft iemand zijn hoofdverblijf verplaatst? Hoe kan dat worden beoordeeld binnen zes maanden?

De leden van de SP-fractie met betrekking tot het derde lid van artikel 7 of er ook voorbeelden kunnen worden gegeven van omstandigheden waarbij toepassing van de hardheidsclausule wenselijk is.

De leden van de D66-fractie vragen of de initiatiefnemer concrete voorbeelden kan geven van situaties waarin er sprake is van een ernstige actuele bedreiging van de Nederlandse openbare orde. Kan de initiatiefnemer onderbouwen hoe vaak dergelijke situaties zich voordoen met het oog op de proportionaliteit? Kan de initiatiefnemer bij de beantwoording tevens aangeven hoe in een dergelijk geval het weigeren van een vestigingsvergunning na verloop van zes maanden effectief kan zijn voor de bescherming van de openbare orde?

Artikel 8

De leden van de VVD-fractie merken op dat in de memorie van toelichting staat bij de toelichting op artikel 8 een verkeerde verwijzing. Er staat nu opgenomen: «Deze uitzonderingen gelden niet indien er sprake is van een van de gronden van artikel 7, derde lid.» Dit moet zijn: artikel 7, tweede lid.

De leden van de SP-fractie willen graag weten hoe wordt gecontroleerd of iemand tussentijds niet meer aan de voorwaarden voor de vestigingsvergunning voldoet. De vergunning geldt immers voor vijf jaar. Vinden er dan toch tussentijdse controles plaats?

Artikel 10 en 11

De leden van de VVD-fractie merken op dat op een aanvraag binnen drie maanden wordt beslist. Waarom is gekozen voor een termijn van drie maanden? Heeft de initiatiefnemer overwogen aan te sluiten bij de Algemene wet bestuursrecht?

De leden van de SP-fractie constateren dat er een termijn van hooguit zes maanden geldt waarin kan worden beslist op de vergunningaanvraag. Hieruit begrijpen de leden dat het raadzaam is dat Nederlanders van overzeese gebiedsdelen direct bij aanvang van de vrije termijn van zes maanden een aanvraag indienen. Worden zij hier ook over ingelicht? Zo ja, op welke wijze? Wat gebeurt er als een persoon pas na vijf maanden aan één van de vier voorwaarden voldoet, omdat bijvoorbeeld dan pas werk is gevonden? Hoe snel wordt een vergunningaanvraag afgewezen als (nog) niet aan één van de voorwaarden is voldaan? Of krijgt iemand nog tot afloop van de vrije termijn de tijd om aan de voorwaarden te voldoen om onnodige stapeling van procedures te voorkomen?

Artikel 14

De leden van de VVD-fractie merken op dat in de toelichting op artikel 14 wordt verwezen naar een vijfde lid: «In het vijfde lid worden instellingsbesturen van uit de openbare kas bekostigde instellingen en bevoegde gezagsorganen van uit de openbare kas bekostigde scholen en instellingen gelijkgesteld met bestuursorganen voor wat betreft de verplichting tot uitwisseling van informatie.» Dit vijfde lid komt in de wettekst niet voor.

De leden van de SP-fractie vragen welke persoonsgegevens kunnen worden uitgewisseld en welke instanties deze gegevens kunnen inzien en gebruiken. Hoe wordt voorkomen dat privacy onnodig wordt geschonden? Kan er bezwaar worden gemaakt tegen de gegevensuitwisseling? Wanneer is er sprake van onevenredige schade in de persoonlijke levenssfeer van betrokkene?

De leden van de D66-fractie vragen welke persoonsgegevens er nodig zijn voor de uitvoering van onderhavige wet. Is het onderhavige voorstel ter toetsing voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens? Zo nee, waarom niet? Deze leden vragen om een concreet voorbeeld van een geval waarin de persoonlijke levenssfeer door de gegevensverstrekking onevenredig zal worden geschaad. Kan de initiatiefnemer aangeven wie bepaalt wanneer hiervan sprake is? Wordt de persoon die het betreft vooraf op de hoogte gesteld van de gegevensverstrekking?

Artikel 15

De leden van de VVD-fractie lezen in artikel 15 dat er een vertrekplicht is opgenomen voor degene die langer dan zes maanden in Nederland verblijft en geen toelating tot vestiging heeft. Zij vragen hoe degene die geen toelating tot vestiging heeft of aanvraagt maar al wel langer dan zes maanden in Nederland verblijft, in beeld komt bij de overheid.

De leden van de PVV-fractie vragen hoe de controle en handhaving met betrekking tot dit voorstel zijn geregeld, in het bijzonder ten aanzien van de vertrekplicht voor de personen die meer dan zes maanden in Nederland verblijven maar die geen toelating tot vestiging hebben. Kan de initiatiefnemer hier meer gedetailleerd dan in de memorie van toelichting op ingaan?

Artikel 16

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat teruggeleiding een ultimum remedium is. In welke gevallen kan hier sprake van zijn? Wat zijn voorbeelden van omstandigheden die teruggeleiding vorderen ter bescherming van de openbare orde? Hoe en door wie wordt dit beoordeeld?

De leden van de PVV-fractie merken op dat het voorstel de mogelijkheid creëert om personen die geen toestemming tot vestiging hebben verkregen en die Nederland vervolgens niet binnen de gestelde termijn van vier weken hebben verlaten naar een ander land in het Koninkrijk terug te geleiden. Daarbij wordt echter opgemerkt dat van deze mogelijkheid tot teruggeleiding slechts gebruik zal worden gemaakt als het belang van de bescherming van de openbare orde dit vordert. Deze leden vragen de initiatiefnemer waarom van de mogelijkheid tot teruggeleiding zo beperkt gebruik wordt gemaakt en vragen zich tevens af of door deze grote terughoudendheid het risico niet bijzonder groot wordt dat het voorstel op voorhand een dode letter zal blijken te zijn. Graag vernemen zij de reactie op dit punt.

De leden van de SP-fractie vragen op welke manier de initiatiefnemer gaat voorkomen dat mensen zonder vestigingsvergunning die niet kunnen worden teruggeleid zullen onderduiken en zo vatbaarder worden voor uitbuiting, criminaliteit en andere malafide praktijken.

Artikel 17

De leden van de VVD-fractie vragen waar de termijnen van vier weken respectievelijk zes maanden voor inbewaringstelling op zijn gebaseerd? Wijken deze termijnen af van het reguliere vreemdelingenbeleid? Zo ja, waarom?

De leden van de D66-fractie zouden een uitgebreidere toelichting willen zien op artikel 17 dat het mogelijk maakt om Nederlanders die geen strafbaar feit hebben gepleegd de vrijheid te ontnemen. Bovendien vragen zij hoe dit voorstel zich verhoudt tot de visie en de wens van het kabinet om vreemdelingenbewaring alleen in te zetten als ultimum remedium. Bestaan hiertoe internationale verplichtingen?

Deze leden vragen voorts hoe het wetsvoorstel gehandhaafd zal worden en welke kosten deze activiteiten met zich mee zullen brengen voor de rijksoverheid, gemeenten en in andere landen in het Koninkrijk?

Ten slotte verzoeken zij om een toelichting op welke kosten en administratieve lasten dit voorstel met zich mee zal brengen, voor zowel de overheid als voor de Nederlanders.

Artikel 21

De leden van de VVD-fractie merken op dat de toelichting op artikel 21 niet strookt met de wettekst. In tegenstelling tot wat in de toelichting staat, heeft een Nederlander die verblijft in Nederland op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten in Nederland geen recht op bijstand van overheidswege en heeft een Nederlander op wie die wet van toepassing is geen recht op bijstand van overheidswege dan nadat hem toelating tot vestiging is verleend als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van die wet.

De voorzitter van de commissie, Jadnanansing

Adjunct-griffier van de commissie, Van Doorn